Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0390

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
11-86
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De stelling van verweerder dat artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro toegepast kan worden omdat de woning door de ontheffing niet langer als woning zal worden gebruikt en derhalve kan worden aangemerkt als een ‘ander gebouw’ in de zin van het hiervoor genoemde artikel, volgt de rechtbank niet. Bij de toepassing van dit artikel dient uitgegaan te worden van het aan de ontheffing voorafgaande gebruik zoals dat krachtens de in het bestemmingsplan gegeven bestemming is toegelaten. De bestemming van het pand voorziet in woondoeleinden. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de woning niet kan worden gekwalificeerd als een ‘ander gebouw’ als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/86

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 juni 2011.

inzake

[Eisers], eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 december 2010.

2. Procesverloop

Bij het bestreden besluit heeft verweerder ontheffing verleend krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in samenhang met artikel 4.1.1., eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), voor het wijzigen van het gebruik van het pand [kadastrale aanduiding]9, en bouwvergunning verleend voor het geheel plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van dat pand.

Tegen dit besluit is bij brief van 7 januari 2011 beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 februari 2011 hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 10 februari 2011 het verzoek van eisers toegewezen en het bestreden besluit geschorst.

Op 15 februari 2011 heeft verweerder opnieuw ontheffing verleend voor het wijzigen van het gebruik van het pand [pand], en tevens ontheffing krachtens artikel 4.1.1., eerste lid, onder b, van het Bro, voor uitbreiding van het pand, en bouwvergunning verleend voor het geheel plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van dat pand.

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft verweerder, na toepassing van de procedure krachtens artikel 3.4 van de Awb, opnieuw ontheffing verleend voor het wijzigen van het gebruik en uitbreiding van het pand [pand], en bouwvergunning verleend voor het geheel plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van dat pand.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 13 mei 2011. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. Vermeulen en J.H. van der Kamp.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het besluit van 2 december 2010, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 mei 2011.

Het bouwplan is gelegen binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan ‘Lanxmeer’ en heeft de bestemming ‘Woon- en werkgebied uit te werken’.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan zowel qua grootte als beoogd gebruik niet past binnen de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 4.1.1., eerste lid, van het Bro komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking:

(...)

b. een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw mits het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;

(...)

i. het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m2, en

3e. het aantal woningen gelijk blijft;

(...)

Eisers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit door middel van een onjuiste procedure tot stand is gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen ten aanzien van de verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (zie de uitspraak van 22 oktober 2003, LJN: AM2469), kan de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens bovengenoemde bepalingen niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien om deze jurisprudentie ten aanzien van de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, niet meer van toepassing te achten (zie de uitspraak van 4 augustus 2010, LJN: BN3164). Gelet op het voorgaande is verweerder teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken niet bevoegd tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro.

De stelling van verweerder dat artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro toegepast kan worden omdat de woning door de ontheffing niet langer als woning zal worden gebruikt en derhalve kan worden aangemerkt als een ‘ander gebouw’ in de zin van het hiervoor genoemde artikel, volgt de rechtbank niet. Bij de toepassing van dit artikel dient uitgegaan te worden van het aan de ontheffing voorafgaande gebruik zoals dat krachtens de in het bestemmingsplan gegeven bestemming is toegelaten. De bestemming van het pand voorziet in woondoeleinden. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de woning niet kan worden gekwalificeerd als een ‘ander gebouw’ als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro.

De door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2011, LJN: BP6693, is voor de onderhavige zaak niet van belang, nu die zaak ziet op verlening van een omgevingsvergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Aangezien het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 3.23 van de Wro, in samenhang met artikel 4.1.1, van het Bro en artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat verweerder bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, gelet op de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, in de motivering van het nieuw te nemen besluit ook aandacht dient te besteden aan de aanwezigheid van de naast het kinderdagverblijf gelegen buurwoning.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Horsthuis, voorzitter, en mr. L. van Gijn en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 juni 2011.