Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0336

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
11/168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Watervergunning voor dam met duiker; Keur Waterschap Rivierenland 2009; beleidsregels; artikel 6.21 Waterwet.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Waterwet 6.13
Waterwet 6.21
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/168

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 juni 2011.

inzake

[Maatschap], eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats],

tegen

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 december 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2010 heeft verweerder geweigerd eiseres een vergunning te verlenen voor het vervangen van een betonnen brug door een dam met duiker in de [aanduiding].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 mei 2011. Namens eiseres is verschenen L.H. de Jong. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G.P.M. van der Mortel en J.S. Goeree, beleidsadviseur afdeling vergunningen.

3. Overwegingen

3.1 Op 14 juni 2010 heeft eiseres een vergunning aangevraagd voor het vervangen van een brug door een dam met een ronde duiker. De aanvraag is gedaan nadat de duiker is aangelegd, omdat de brug, aldus eiseres, in slechte staat verkeerde en niet meer gehandhaafd kon worden.

3.2 Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat de ronde duiker met een doorsnede van twee meter niet voldoet aan hetgeen in de beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland is opgenomen met betrekking tot het doelmatig varend onderhoud van de watergang. De doorvaartbreedte op de waterlijn moet minimaal 2,25 meter blijven.

3.3 Eiseres kan zich niet verenigen met de beslissing om geen vergunning te verlenen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Eiseres betwist dat het op grond van de beleidsregels niet is toegestaan een duiker met een doorsnede van twee meter te plaatsen. Voorts heeft zij aangevoerd dat reeds meerdere duikers en bruggen aanwezig zijn in dezelfde watergang met een doorsnede van twee meter. Pas nadat deze bruggen en duikers zijn vervangen en in overeenstemming zijn gebracht met de beleidsregels heeft het volgens eiseres zin om het onderhoud van de watergang te laten plaatsvinden met een grotere boot.

3.4 Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 (hierna: de Keur) is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen.

Uit artikel 6.13 van de Waterwet, in samenhang bezien met artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet volgt dat de in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Keur genoemde vergunning een watervergunning betreft en dat artikel 6.21 van de Waterwet van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.21 van de Waterwet wordt een (water)vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet.

3.5 Verweerder heeft in dit verband de beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

In paragraaf 3.3.2. (Varend onderhoud) van de beleidsregels zijn de algemene toetsingscriteria voor watervergunningen opgenomen ter waarborging van het doelmatig varend onderhoud van A- en B-watergangen. In deze paragraaf is bepaald dat in die gevallen waarin onderhoud varend wordt gepleegd, een aanvraag voor een watervergunning – onder meer – wordt getoetst aan het criterium dat de doorvaartbreedte op de waterlijn minimaal 2,25 meter moet blijven.

Blijkens beleidsregel 5.6 zijn deze algemene toetsingscriteria uitdrukkelijk van toepassing verklaard op het plaatsen van een dam met duiker in een watergang.

3.6 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de weigering van de vergunning in overeenstemming met de beleidsregels heeft gehandeld. Het betoog van eiseres dat uit de beleidsregels niet blijkt dat het niet is toegestaan een duiker met een doorsnede van twee meter te plaatsen treft geen doel.

3.7 De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de beleidsregels op dit punt kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onaanvaardbaar zijn te achten.

Verweerder heeft in de beleidsregels neergelegd wanneer een watervergunning kan worden verleend. Deze beleidsregels dienen tot bescherming van de waterstaatkundige belangen die aan het waterschap zijn toevertrouwd, waaronder wordt begrepen het belang van het doelmatig onderhoud van watergangen. Verweerder komt beleidsvrijheid toe bij de waterstaatkundige verzorging van zijn beheersgebied.

3.8 Verweerder is ingevolge artikel 4:84, van de Awb gehouden te handelen overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor eiseres gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Verweerder mag dan ook bij de afwijzing van de vergunning in beginsel volstaan met verwijzing naar de beleidsregels, tenzij eiseres bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die verweerder nopen tot afwijking daarvan.

3.9 De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van de beleidsregels.

In dit verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft toegelicht waarom, gelet op de eisen die aan (toekomstig) onderhoud worden gesteld, niet afgeweken kan worden van de regel dat de minimale breedte van de watergang 2,25 meter op de waterlijn dient te zijn. Verweerder heeft hierbij gewezen op de verscherpte eisen op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving met betrekking tot varend onderhoud, het gegeven dat op de boten gebruik wordt gemaakt van nieuwe en grotere onderhoudsmachines en de wens om in de toekomst met een grotere boot te varen. Ook heeft verweerder afdoende toegelicht dat de aanwezigheid van andere - al dan niet illegale - duikers er niet toe dient te leiden dat desondanks vergunning moet worden verleend aan eiseres, aangezien op enig moment een begin moet worden gemaakt met het aanleggen en in stand houden van

duikers/watergangen met de gewenste breedte van minimaal 2,25 meter.

Verweerder heeft voorts aangegeven dat uit onderzoek, dat betrekking had op verleende ontheffingen en vergunningen in de laatste vijf jaar, niet is gebleken dat voor de door eiseres bedoelde soortgelijke duikers vergunning of ontheffing is verleend. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom geen doel treft. In dit verband overweegt de rechtbank dat het op de weg ligt van degene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept om concrete gevallen te noemen waarin het bestuursorgaan zijns inziens anders heeft gehandeld dan in het zijne of zulks heeft nagelaten en voorts tot op zekere hoogte onderbouwt waarom die gevallen zijns inziens op relevante punten zodanig overeenkomen met het zijne dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres is hierin niet geslaagd.

3.10 Geconcludeerd moet worden dat verweerder, gelet op artikel 6:21 van de Waterwet, op goede gronden de watervergunning heeft geweigerd.

3.11 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.12 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. W.R.H. Lutjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 juni 2011.