Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0258

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
11/429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Aan de ter zitting nader aangevoerde wrakingsgronden kan gelet op artikel 513 lid 3 jo. lid 4 Sv geen zelfstandige betekenis worden toegekend. Voor het overige zijn de wrakingsgronden in wezen gericht tegen de beslissing van de meervoudige strafkamer om verzoeken van de raadsman af te wijzen. De juistheid van die beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Niet gebleken van (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van de rechters bij het geven van de beslissing. Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 11/429

Beschikking van 5 juli 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het Pieter Baan Centrum te Utrecht,

verzoeker tot wraking,

raadsman mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Nijkerk,

tegen

mr. M.F. Gielissen, mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. A.J.H. Steenweg,

in hun hoedanigheid van respectievelijk voorzitter en leden van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Arnhem.

Partijen worden hierna aangeduid als verzoeker respectievelijk de rechters.

1. De procedure

1.1. Tijdens de openbare terechtzitting van de rechtbank Arnhem op 10 mei 2011 in de zaak met parketnummer 05/900917-10 tegen verzoeker als verdachte heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters. Het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn weergegeven in het proces-verbaal dat van die zitting is opgemaakt.

1.2. Bij schrijven van 14 juni 2011 hebben de rechters aangegeven niet in de wraking te berusten en hebben zij hun zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.

1.3. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter openbare terechtzitting op 21 juni 2011. Verzoeker is daar verschenen, bijgestaan door mr. De Haas voornoemd. Eveneens is verschenen de officier van justitie mr. M. Kunst.

De rechters hebben in genoemd schrijven van 14 juni 2011 meegedeeld niet te zullen verschijnen bij de mondelinge behandeling.

1.4. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Tijdens de openbare terechtzitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 10 mei 2011 zijn de onderzoekswensen van (de raadsman van) verzoeker behandeld die hij had ingediend bij brief van 29 april 2011. Het betreft onder meer de volgende onderzoekswensen:

- verzoek I A: het verzoek om te bepalen dat de officier van justitie ter zake van de vervroeging van de opnamedatum van verzoeker in het Pieter Baan Centrum de contacten en de daarmee te maken hebbende gang van zaken vastlegt in een ambtsedig proces-verbaal;

- verzoek I B: het verzoek om de verdediging in de gelegenheid te stellen bij de rechter-commissaris de functionaris van het Pieter Baan Centrum te horen waarmee de officier van justitie contact heeft onderhouden, om deze functionaris vragen in dit verband te kunnen stellen;

- verzoek II B: het (doen) stellen van aanvullende vragen aan een forensisch deskundige met betrekking tot de vraag in hoeverre in algemene zin de kans aanmerkelijk is te achten dat twee slagverwondingen (rechtervuistslagen) in het aangezicht van een liggend slachtoffer leiden tot letsels met als gevolg de dood, althans tot letsels met daaruit coma waarbij vanwege complicaties daaropvolgend de dood volgt;

- verzoek III: het nader horen van twee getuigen over de vraag of verzoeker voorafgaand aan het incident wist dat in de betreffende woning een vrouw op leeftijd woonde.

2.2. Na een onderbreking van de zitting voor beraad heeft de rechtbank (onder meer) de bovengenoemde verzoeken gemotiveerd afgewezen.

3. Het wrakingsverzoek

3.1. Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 mei 2011 en de nadere toelichting tijdens de zitting op 21 juni 2011, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de schijn van partijdigheid wordt gewekt door het afwijzen van een aantal van zijn verzoeken. De raadsman van verzoeker heeft verklaard dat het kernpunt ligt bij de weigering van de rechtbank om de verzoeken II B en III in te willigen. Hij acht de motivering onbegrijpelijk. Met betrekking tot verzoek II B heeft de raadsman verklaard dat de rechtbank voorbijgaat aan de vraag wat verzoeker al wist. Weliswaar gaat het om dit individuele geval, maar als verzoeker niet wist dat daar een ouder persoon lag dan is een meer algemeen forensisch onderzoek van belang met betrekking tot de mogelijke gevolgen van vuistslagen in het gelaat van een liggend slachtoffer, van wie men niet weet met wat voor persoon en welke leeftijd men van doen heeft, aldus de raadsman. Door te bepalen dat een onderzoek in algemene zin, geabstraheerd van de casus, niet van belang is, wekt de rechtbank volgens hem de schijn van partijdigheid. Met betrekking tot verzoek III heeft de raadsman verklaard dat de vraag of verzoeker vooraf wist dat er een oudere vrouw woonde, of die wetenschap pas ná het incident heeft gekregen, essentieel is. De getuigenissen van de twee getuigen zijn wel degelijk relevant en de raadsman begrijpt niet waarom dat verzoek is afgewezen.

3.2. Het verweer van de rechters wordt hierna voor zover nodig besproken.

4. De beoordeling

4.1. Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 484). Uit de artikelen 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief moet worden afgeleid dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.

4.2. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 21 juni 2011 heeft de raadsman van verzoeker aangevoerd dat ook de afwijzing van de verzoeken I A en I B ten grondslag ligt aan het wrakingsverzoek. Volgens de raadsman is (ook) vanwege de afwijzing van deze verzoeken sprake van partijdigheid, gelet op het feit dat de rechtbank in een eerder stadium van de procedure heeft verzuimd verzoeker op grond van artikel 317 lid 2 Sv te horen in het kader van de beslissing hem te doen observeren in het Pieter Baan Centrum – en niet, zoals door de verdediging was verzocht, in Teylingereind –, in combinatie met het feit dat de rechtbank vervolgens is voorbijgegaan aan contacten die hebben plaatsgevonden tussen de officier van justitie en het Pieter Baan Centrum en die ertoe hebben geleid dat verzoeker eerder dan verwacht in het Pieter Baan Centrum kon worden opgenomen.

4.3. Wat daarvan verder ook zij, voor zover de afwijzing van de verzoeken I A en I B als zelfstandige wrakingsgrond wordt aangevoerd, geldt dat ingevolge artikel 513 lid 3 Sv alle feiten en omstandigheden waaruit de (objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid moet worden afgeleid tegelijk moeten worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan bekend zijn geworden nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Niet gesteld of gebleken is dat de onder 4.2 bedoelde, bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangevoerde feiten en omstandigheden pas na het wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Aan deze gronden kan daarom geen zelfstandige betekenis worden toegekend, anders dan dat de vraag of het afwijzen van de verzoeken II B en III reden tot wraking kan zijn, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond dat ook andere verzoeken van de raadsman zijn afgewezen.

4.4. Ten aanzien van die verzoeken II B en III geldt dat de klachten van verzoeker, anders dan zijn raadsman heeft betoogd, in wezen zijn gericht tegen de beslissing van de rechters om die verzoeken af te wijzen. De juistheid van die beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel tegen de beslissing aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechters bij het geven van de beslissing vooringenomen waren tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat de rechters de verzoeken II B en III tegen de wens van verzoeker in hebben afgewezen kan de wrakingskamer dat niet afleiden, ook niet bezien in het licht van het feit dat de rechtbank ook andere verzoeken heeft afgewezen. Bij het voorgaande is verder van belang dat de vraag of de afwijzing van de verzoeken duidt op partijdigheid van de rechters moet worden beantwoord naar de stand van zaken ten tijde van die afwijzing. Het gaat immers om de vraag of die afwijzing, zoals die destijds door de rechters is gedaan op basis van wat bij hen toen bekend was, duidt op (de schijn van) partijdigheid. De aanvullende motivering voor zijn verzoeken II B en III, die de raadsman van verzoeker tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek heeft gegeven, moet dan ook buiten beschouwing blijven.

4.5. De conclusie luidt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.P.E.E. van Groeningen, N.K. van den Dungen-Dijkstra en L.B.M. Klein Tank in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.D. Crezée en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2011.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.