Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0239

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
207742
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat de gemeente wegens de achterstalligheid in de betalingen reeds in 2001 bevoegd was het krediet op te eisen is onvoldoende voor het oordeel dat het volledige krediet opeisbaar was in de zin van artikel 3:307 lid 1 BW. Veeleer is sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. De verjaringstermijn van een dergelijke vordering vangt aan nadat de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Yildirim gaat er van uit dat de brief van de gemeente van 7 februari 2007 stuitende werking heeft. In de periode tot februari 2002 (dat wil zeggen vijf jaar vóór die brief) is van een mededeling tot opeising van het gehele krediet echter geen sprake geweest. Het verweer dat de vordering van de gemeente volledig is verjaard op grond van artikel 3:307 BW, wordt daarom verworpen.

Het beroep op verjaring gaat echter wél op voorzover de vordering in 2001 reeds was opgeëist. Bij brief van 9 oktober 2001 heeft de gemeente gewezen op de achterstand van fl. 4.800,00. Dat kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een opeising van dat bedrag (dat overigens is opgebouwd uit de ingevolge artikel 3 van de kredietovereenkomst maandelijks opeisbare bedragen van fl. 300,00). Dat wil zeggen dat er voor dat bedrag vanaf 10 oktober 2001 ingevolge artikel 3:307 BW een verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen.

Aangezien niet is komen vast te staan dat de verjaring is gestuit, moet de gevolgtrekking zijn dat de vordering tot een bedrag van fl. 4.800,00 (dus tot € 2.178,15) is verjaard.

Over de overige verweren wordt als volgt overwogen. Voor het geval (en voorzover) de rechtbank mocht oordelen dat de vordering niet is verjaard omdat de overeenkomst niet is opgezegd en het krediet niet is beëindigd, heeft gedaagde aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat de vordering in dat geval nog niet opeisbaar is. Dat verweer wordt eveneens verworpen. Hiervoor is weliswaar geoordeeld dat de correspondentie van de gemeente tot en met 14 november 2001 geen opzegging van het krediet inhoudt, maar dat neemt niet weg dat de gemeente in ieder geval bij de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure tot opeising van het gehele krediet is overgegaan.

De gemeente heeft door overlegging van het verloop van het krediet voldoende inzicht gegeven in de opbouw van de vordering. Het verweer dat dat onvoldoende duidelijk is wordt als ongemotiveerd verworpen.

Ook het verweer dat de gehanteerde rentepercentages onvoldoende duidelijk zijn, wordt gezien artikel 22 van de algemene voorwaarden (inhoudende dat het rentepercentage met inachtneming van het wettelijke maximum overeenkomstig de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt kan worden gewijzigd) als ongemotiveerd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207742 / HA ZA 10-2213

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.H. Mastenbroek te Groningen.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 maart 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 1 mei 2000 heeft de gemeente als kredietgever, in de vorm van de Stadsbank te Arnhem, aan [gedaagde] als kredietnemer een doorlopend krediet verstrekt. Uit de schriftelijke kredietovereenkomst wordt het volgende geciteerd:

“1. De kredietnemer is wegens een door de kredietgever verstrekt Doorlopend Krediet hoofdelijk schuldig aan de kredietgever een bedrag van f. 15.000,00, zegge VIJFTIENDUIZEND GULDEN

hierna te noemen de kredietlimiet.

2. Tot de kredietlimiet kan de kredietnemer ieder gewenst bedrag opnemen, steeds met een minimum van f. 500,-.

3. De kredietnemer zal maandelijks een bedrag van f. 300,00 terugbetalen. De 1e vervaldatum is de 1e dag van de maand volgend op de 1e dispositie vermeerderd met 30 dagen.

4. De kredietvergoeding bedraagt thans 0,724 % per maand van het uitstaand saldo.

5. Het effectieve kredietvergoedingspercentage bedraagt thans op jaarbasis 9,0 %.

6. (…)

7. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van de kredietgever van toepassing, van welke de kredietnemer verklaart kennis te hebben genomen.

Aan ommezijde staan de algemene voorwaarden vermeld.

8. (…)

9. Tot meerdere zekerheid verleent de kredietnemer hierbij volmacht aan de kredietgever, overeenkomstig de akte van volmacht (nummer 619434.2.”

2.2. In de toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald:

“Vervroegde opeisbaarheid

6. De bank is bevoegd het krediet vervroegd op te eisen indien:

a. de kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen;

(…)

De kredietvergoeding

20. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van de kredietlimiet geboekt worden.

(…)

22. De bank is bevoegd tussentijds het rentepercentage voor de kredietvergoeding overeenkomstig de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt te wijzigen, met inachtneming van het wettelijke maximum. Hiervan wordt de kredietnemer middels het maandoverzicht schriftelijk op de hoogte gesteld.”

2.3. [gedaagde] heeft op 1 mei 2000 een bedrag van fl. 15.000,00 opgenomen, dus tot aan de kredietlimiet.

2.4. Op 21 juli 2000 heeft [gedaagde] een bedrag van € 211,01 aan aflossing betaald. Op 4 september 2000 heeft [gedaagde] een bedrag van € 136,13 aan aflossing betaald. Verder heeft hij (behalve de hierna onder 2.9. te noemen betalingen in 2006) niets aan de gemeente betaald. De gemeente heeft de verschuldigde rente tot 1 augustus 2006 maandelijks ten laste van het krediet geboekt. Daarna heeft zij een ‘rentestop’ ingelast.

2.5. Bij brief van 12 september 2001 heeft de gemeente aan [gedaagde] geschreven:

“Ik verzoek u dan ook ingaande heden voor een verdere correcte aflossing van de lening zorg te dragen. Hiervoor voeg ik een acceptgiro van fl. 3000,00 bij met het dringend verzoek binnen 8 dagen na dagtekening voor betaling zorg te dragen.

Voor wat betreft de achterstand op de aflossing welke d.d. heden f. 4.500,00 bedraagt (exclusief vertragingsrente) verzoek ik u dringend binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief, hierover met mij contact op te nemen.”

2.6. Bij brief van 9 oktober 2001 heeft de gemeente [gedaagde] geschreven:

“In antwoord op uw brief, bericht ik u dat wij u op 12 september j.l. hebben aangeschreven om voor een correcte maandelijkse aflossing zorg te dragen.

Dit is tot dusver door u nagelaten.

Inmiddels is er sprake van een achterstand van fl. 4800,00 (exclusief vertragingsrente).

Voor de allerlaatste maal willen wij u de mogelijkheid geven een voor ons aanvaardbare regeling te treffen. (…) Wanneer wij binnen 8 dagen geen reactie van u ontvangen, dan zullen wij de vordering zonder verder bericht overdragen aan de deurwaarder.”

2.7. Bij brief van 14 november 2001 heeft de gemeente geschreven:

“Indien binnen 8 dagen na dagtekening van deze brief geen betaling van f. 300,00 is ontvangen en met ons geen acceptabele regeling is getroffen voor de betalingsachterstand, zullen wij de vordering via gerechtelijke weg incasseren.”

2.8. Bij brief van 24 januari 2002 heeft de gemeente haar vordering op [gedaagde] ter incasso aan deurwaarderskantoor M.G. de Jong uit handen gegeven. Bij brief van 15 augustus 2004 heeft de deurwaarder aan de gemeente de afrekening verzonden, met bericht dat betrokkene is uitgeschreven, onbekend waarheen.

2.9. Op 29 augustus 2006 en 5 oktober 2006 zijn er nog twee betalingen van elk

€ 150,00 binnengekomen, doordat de gemeente gebruik heeft gemaakt van de door [gedaagde] in 2000 aan haar gegeven volmacht. Het UWV heeft op basis van die volmacht een bedrag op de uitkering van [gedaagde] ingehouden en aan de gemeente betaald.

2.10. Bij brief van 7 februari 2007 heeft de gemeente [gedaagde] geattendeerd op de achterstand en verzocht contact op te nemen, bij gebreke waarvan de vordering zou worden overgedragen aan de deurwaarder. Hierop heeft [gedaagde] bij brief van 12 februari 2007 als volgt gereageerd:

“U schrijft dat u mij meerdere keren heeft aangeschreven, vind ik erg vreemd, aangezien dat het eerste is wat ik van u hoor, in 6 jaar tijd.

Ik heb in 2001 schuldsanering aangevraagd bij het bac te arnhem, dit is helaas afgewezen omdat U hier niet mee accoord ging, daarna heb ik NOOIT meer iets van U gehoord. En nu krijg ik ineens van een brief met daarin alsnog het schuldbedrag plus een kolosale kosten/rente berekening van ongeveer 100%, en dat terwijl U eerder met mij kontakt op had kunnen nemen. Maar dit verzuimd heeft, en de schuld nu verjaard is.”

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert, na vermindering van eis ter comparitie, dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 13.500,41, met de contractuele rente over € 11.718,69 vanaf 25 juni 2010, kosten rechtens (waaronder de kosten van openbare dagvaarding).

3.2. [gedaagde] voert verweer. De standpunten van de partijen zullen hierna aan de orde komen.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat de tussen partijen gesloten overeenkomst dient te worden beschouwd als een overeenkomst van verbruikleen, dat [gedaagde] niet aan zijn verplichting tot betaling van maandelijks fl. 300,00 heeft voldaan, dat de gemeente daarom van haar onder 6a van de algemene voorwaarden omschreven recht tot vervroegde opeising gebruik heeft gemaakt, zodat [gedaagde] het pro resto verschuldigde aan de gemeente dient te betalen. Daartoe heeft de gemeente, zo stelt zij, [gedaagde] bij brief van 11 mei 2006 gesommeerd.

4.2. [gedaagde] heeft om te beginnen bepleit dat de vordering wordt afgewezen omdat de gemeente in de dagvaarding heeft verzuimd te vermelden wat er tussen de partijen is voorgevallen in de periode tussen februari 2007 en het uitbrengen van de dagvaarding op 10 augustus 2010. Daarmee heeft de gemeente niet voldaan aan haar verplichtingen op grond van artikel 111 lid 3 Rv en 21 Rv, zo stelt [gedaagde]. Hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Het is juist dat de gemeente ten onrechte bij dagvaarding heeft gesteld dat [gedaagde] geen verweer heeft aangevoerd, terwijl uit de door [gedaagde] overgelegde correspondentie blijkt dat [gedaagde] zich buitengerechtelijk op verjaring heeft beroepen, overigens zonder uitgebreide argumentatie. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan de consequentie te verbinden dat de vordering wordt afgewezen. Over het beroep op verjaring is voldoende processueel debat mogelijk geweest.

4.3. [gedaagde] heeft zich vervolgens verweerd met een beroep op verjaring, namelijk op artikel 3:307 BW. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in lid 1 bedoelde termijn pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

4.4. Volgens [gedaagde] kunnen de stellingen van de gemeente niet anders worden begrepen dan dat zij de volledige vordering (op z’n laatst) in 2001 heeft opgeëist aangezien [gedaagde] zijn verplichtingen niet nakwam. Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Uit de hiervoor geciteerde brieven van de gemeente van 12 september 2001, 9 oktober 2001 en 14 november 2001 valt niet af te leiden dat de gemeente op dat moment het krediet vervroegd heeft opgeëist. In bedoelde brieven schrijft de gemeente uitsluitend over de tot dan toe opgelopen achterstand van fl. 4.500,00 dan wel fl. 4.800,00. Na de brief van 14 november 2001 is er volgens de stellingen van [gedaagde] tot de brief van 7 februari 2007 geen contact meer geweest tussen hem en de gemeente. Het moge zo zijn dat de gemeente haar vordering op [gedaagde] in die periode uit handen heeft gegeven aan een deurwaarder, maar dat betekent niet dat de gemeente daarmee aan [gedaagde] te kennen heeft gegeven de gehele vordering op te eisen. De deurwaarder heeft [gedaagde] immers niet kunnen traceren.

4.5. Het enkele feit dat de gemeente wegens de achterstalligheid in de betalingen reeds in 2001 bevoegd was het krediet op te eisen is onvoldoende voor het oordeel dat het volledige krediet opeisbaar was in de zin van artikel 3:307 lid 1 BW. Veeleer is sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. De verjaringstermijn van een dergelijke vordering vangt aan nadat de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. [gedaagde] gaat er van uit dat de brief van de gemeente van 7 februari 2007 stuitende werking heeft. In de periode tot februari 2002 (dat wil zeggen vijf jaar vóór die brief) is van een mededeling tot opeising van het gehele krediet echter geen sprake geweest. Het verweer dat de vordering van de gemeente volledig is verjaard op grond van artikel 3:307 BW, wordt daarom verworpen.

4.6. Het beroep op verjaring gaat echter wél op voorzover de vordering in 2001 reeds was opgeëist. Bij brief van 9 oktober 2001 heeft de gemeente gewezen op de achterstand van fl. 4.800,00. Dat kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een opeising van dat bedrag (dat overigens is opgebouwd uit de ingevolge artikel 3 van de kredietovereenkomst maandelijks opeisbare bedragen van fl. 300,00). Dat wil zeggen dat er voor dat bedrag vanaf 10 oktober 2001 ingevolge artikel 3:307 BW een verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen.

4.7. De gemeente heeft gesteld dat die verjaring is gestuit door haar brief van 11 mei 2006. [gedaagde] heeft betwist dat die brief is verzonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij weliswaar op dat moment niet (meer) op het adres [adres] 16-A te Arnhem woonde, maar dat hij de brief van 7 februari 2007 wél van de bewoner van dat adres heeft ontvangen, terwijl hij die van 11 mei 2006 niet heeft ontvangen. Verder heeft hij erop gewezen dat uit de voortgangrapportage van de gemeente met betrekking tot zijn dossier (productie 11 bij conclusie van antwoord) niet blijkt van een actie op 11 mei 2006. De gemeente heeft aangevoerd dat het feit dat [gedaagde] de brief niet heeft ontvangen voor zijn risico komt, aangezien hij wel op het adres stond ingeschreven waar de brief naartoe is gestuurd. De vraag of dit risico voor [gedaagde] komt, is thans echter niet beslissend. [gedaagde] heeft immers betwist dat de brief überhaupt is verstuurd. Hiertegenover heeft de gemeente niet gespecificeerd aangeboden te bewijzen dat de brief van 11 mei 2006 is verzonden. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan ambtshalve bewijs op te dragen. Bovendien houdt de betwisting van [gedaagde] tevens in dat hij de ontvangst van de brief op het adres [adres] 16-A betwist. Ook dat heeft de gemeente niet aangeboden te bewijzen, terwijl de bewijslast terzake ingevolge artikel 3:37 BW op haar rust. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de brief van 11 mei 2006 de verjaring heeft gestuit.

4.8. De gemeente heeft zich er voorts op beroepen dat zij op 29 augustus 2006 en 5 oktober 2006 een betaling van telkens € 150,00 heeft ontvangen. Volgens de gemeente is daardoor sprake van een stuiting op grond van artikel 3:318 BW, dat bepaalt dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring van de rechtsvordering stuit. Die betalingen zijn echter tot stand gekomen doordat de gemeente, met gebruikmaking van een reeds in 2000 door [gedaagde] verstrekte volmacht, de uitkeringsinstantie UWV heeft bewogen twee maal € 150,00 op de uitkering van [gedaagde] in te houden en aan de gemeente te betalen. Een op dergelijke wijze tot stand gekomen betaling, buiten de op dat moment (2006) actieve bemoeienis van de schuldenaar om, kan niet worden beschouwd als een erkenning. Daarom ontberen deze betalingen stuitende werking.

4.9. Aangezien niet is komen vast te staan dat de verjaring is gestuit, moet de gevolgtrekking zijn dat de vordering tot een bedrag van fl. 4.800,00 (dus tot € 2.178,15) is verjaard.

4.10. Over de overige verweren wordt als volgt overwogen. Voor het geval (en voorzover) de rechtbank mocht oordelen dat de vordering niet is verjaard omdat de overeenkomst niet is opgezegd en het krediet niet is beëindigd, heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat de vordering in dat geval nog niet opeisbaar is. Dat verweer wordt eveneens verworpen. Hiervoor is weliswaar geoordeeld dat de correspondentie van de gemeente tot en met 14 november 2001 geen opzegging van het krediet inhoudt, maar dat neemt niet weg dat de gemeente in ieder geval bij de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure tot opeising van het gehele krediet is overgegaan. Ingevolge artikel 6 onder a van de algemene voorwaarden was de gemeente daartoe bevoegd, aangezien [gedaagde] ondanks meerdere ingebrekestellingen nalatig is gebleven aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.11. De rechtbank ziet geen aanleiding rechtsgevolgen te verbinden aan het feit dat op de ‘beslissing instellen gerechtelijke invordering’ van 4 oktober 2007 is vermeld ‘voorlopig beperken op € 5.000,00’. Uit de term ‘voorlopig’ blijkt immers dat de mogelijkheid tot invordering van de volledige vordering wordt opengehouden.

4.12. De gemeente heeft door overlegging van het verloop van het krediet voldoende inzicht gegeven in de opbouw van de vordering. Het verweer dat dat onvoldoende duidelijk is wordt als ongemotiveerd verworpen.

4.13. Ook het verweer dat de gehanteerde rentepercentages onvoldoende duidelijk zijn, wordt gezien artikel 22 van de algemene voorwaarden (inhoudende dat het rentepercentage met inachtneming van het wettelijke maximum overeenkomstig de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt kan worden gewijzigd) als ongemotiveerd verworpen. De rentepercentages staan vermeld in het overzicht van 4 mei 2011 van het verloop van het krediet. Op grond daarvan had [gedaagde] zelf de berekening van de gemeente kunnen narekenen.

4.14. Recapitulerend: het beroep op verjaring slaagt tot een bedrag van € 2.178,15. Voor het overige worden de verweren van [gedaagde] verworpen. Dit heeft voor de vordering de volgende consequenties. Op de hoofdsom van € 11.718,69 dient een bedrag van € 2.178,15 in mindering te worden gebracht. Het feit dat de vordering gedeeltelijk is verjaard heeft ook gevolgen voor de daarover verschuldigde rente. Over een verjaarde vordering is geen contractuele rente verschuldigd. Uit het kredietoverzicht volgt dat de rente maandelijks is berekend tot 1 augustus 2006. Per 1 augustus 2006 heeft de gemeenten een ‘rentestop’ ingevoerd, aangezien zij sinds eind 2001 geen contact meer met [gedaagde] had gehad. Deze datum komt bijna overeen met de datum per wanneer het reeds opgeëiste gedeelte van de vordering (fl. 4.800,00) was verjaard (namelijk per 10 oktober 2006). Over de periode van 1 augustus 2006 tot 25 juni 2010 heeft de gemeente de contractuele rente over de gehele vordering berekend op € 2.042,29. Een deel van die rente is – gezien de verjaring – niet verschuldigd. De rechtbank begroot dat deel op € 2.178,15 (verjaarde deel) : € 11.718,69 (gevorderde hoofdsom) x € 2.042,29 (berekende rente) = € 379,60. De rente is dus toewijsbaar tot een bedrag van € 2.042,29 - € 379,60 = € 1.662,69. In totaal zal dus worden toegewezen € 11.718,69 - € 2.178,15 + € 1.662,69 = € 11.203,23, te vermeerderen met de contractuele rente over € 11.718,69 - € 2.178,15 = € 9.540,54 vanaf 25 juni 2010.

4.15. Op de overeenkomst tussen partijen is de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing. In afdeling 3 van hoofdstuk IV WCK is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling.

4.16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 91,26

- overige explootkosten € 467,67 (advertentiekosten dagvaarding)

- griffierecht € 1.165,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 2.627,93

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van

€ 11.203,23 (elfduizend tweehonderdendrie euro en drieëntwintig cent), vermeerderd met de overeengekomen rente met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over € 9.540,54 vanaf 25 juni 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 2.627,93,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.