Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0122

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
206005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de woning thans nog immer niet opleveringsgereed is tengevolge van de toerekenbare tekortkoming van gedaagde en dat gedaagde de in het vonnis genoemde schade heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de oplevering. De rechtbank oordeelt dat causaal verband ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206005 / HA ZA 10-1890

Vonnis van 22 juni 2011

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. D. Kist te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BOUWBEDRIJF OOST B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.G. Hoekstra te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 april 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. hebben een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten met [betrokkene] Adviesgroep B.V. (hierna: [betrokkene]) met betrekking tot de bouw van een nieuwbouwwoning aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde] is daarbij als onderaannemer ingeschakeld om de werkzaamheden uit hoofde van deze overeenkomst te verrichten.

2.2. [eiser] c.s. hebben los van de overeenkomst met [betrokkene] rechtstreeks opdracht gegeven aan [gedaagde] om extra werkzaamheden te verrichten aan de woning van [eiser] c.s. Op 17 juli 2007 hebben [eiser] c.s. hiervoor een meerwerklijst ondertekend voor een bedrag van EUR 120.027,28. Uit deze lijst blijkt dat de bouw van een serre bij de keuken onder het meerwerk was begrepen en dat hiervoor een bedrag van EUR 20.740,00 is overeengekomen.

2.3. [gedaagde] heeft [eiser] c.s. uitgenodigd om op 12 december 2007, en later nog eens op 13 maart 2008, de meerwerkzaamheden op te leveren. Dit betrof tevens een uitnodiging namens [betrokkene] om de werkzaamheden uit hoofde van de tussen [eiser] c.s. en [betrokkene] gesloten overeenkomst op te leveren. [eiser] c.s. heeft beide opleveringen niet geaccepteerd in verband met door hen ervaren mankementen/afwerkpunten. De sleutel van de woning is vanwege uitstaande vorderingen op [eiser] c.s. niet aan hen ter beschikking gesteld.

2.4. Bij brief van 4 maart 2008 hebben [eiser] c.s. aan [gedaagde] bericht dat [gedaagde] over de nog openstaande vordering terzake van de meer- en minderwerkzaamheden van EUR 90.851,64 ten onrechte rente in rekening had gebracht. Tevens maakten [eiser] c.s. in deze brief aanspraak op schadevergoeding van EUR 40.000,00 in verband met te late en incorrecte oplevering van de woning en boden zij aan om de openstaande vordering minus deze schadevergoeding aan [gedaagde] over te maken.

2.5. [gedaagde] heeft dit aanbod bij brief van 18 maart 2008 gemotiveerd van de hand gewezen. Op 12 maart 2009 heeft [gedaagde] haar retentierecht ingeroepen en vervolgens heeft zij een procedure aanhangig gemaakt ter incassering van de openstaande vordering met betrekking tot het meerwerk.

2.6. Bij vonnis van 28 april 2010 heeft deze rechtbank [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van EUR 70.111,64 vermeerderd met de wettelijke rente. In verband met een gebrek aan de serre mochten [eiser] c.s. betaling van EUR 20.740,00 opschorten en heeft de rechtbank in reconventie [gedaagde] veroordeeld tot herstel van dit gebrek. In reconventie heeft de rechtbank tevens voor recht verklaard dat [gedaagde] jegens [eiser] c.s. ten aanzien van de serre toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en heeft zij [gedaagde] veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

2.7. Betaling van het toegewezen bedrag door [eiser] c.s. noch herstel van de serre door [gedaagde] hebben plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert, na vermeerdering (/correctie) van eis ter comparitie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. van EUR 122.627,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2007 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. De rechtbank heeft de vermeerdering van eis toegestaan aangezien reeds uit de dagvaarding bleek dat [eiser] c.s. een optelfout had gemaakt en [gedaagde] hier derhalve al bij conclusie van antwoord en tijdens de comparitie op had kunnen reageren. Dit heeft [gedaagde] ook gedaan.

3.3. [eiser] c.s. leggen het volgende aan hun vordering ten grondslag. Aangezien partijen er niet in zijn geslaagd na genoemd vonnis van 28 april 2010 een minnelijke regeling te treffen, hebben [eiser] c.s. deze schadestaatprocedure aanhangig gemaakt. Onder verwijzing naar het vonnis stellen [eiser] c.s. zich op het standpunt dat de woning thans nog immer niet opleveringsgereed is tengevolge van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] en dat [gedaagde] de onderstaande schade heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de oplevering:

- Rente hypotheek EUR 94.940,00

- WOZ 1.827,00

- Energiekosten [adres] 2.533,76

- Opslagkosten 10.117,55

- Kosten stacaravan 13.209,32

- Wettelijke rente p.m.

Totale schade EUR 122.627,63

3.4. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In het vonnis van 28 april 2010 is reeds aangekondigd dat in de schadestaatprocedure de vraag aan de orde dient te komen of sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming door [gedaagde] met betrekking tot de serre en de door [eiser] c.s. gestelde schade. [gedaagde] stelt in deze procedure dat dit causale verband ontbreekt en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

a. De tekortkoming met betrekking tot de serre stond oplevering van de woning niet in de weg nu het slechts een esthetisch gebrek met betrekking tot de kozijnen betreft en dit gebrek bovendien niet eens een opleverpunt was blijkens het opleveringsrapport van 12 december 2007. Dat het werk (nog) niet beantwoordde aan de overeenkomst en in zoverre niet opleveringsgereed was in de zin van artikel 7:758 BW, neemt niet weg dat [eiser] c.s. gehouden waren het werk te aanvaarden aangezien het gebrek ingebruikname van de woning niet in de weg stond. [eiser] c.s. hebben de schade derhalve aan zichzelf te wijten. Wat de oplevering in werkelijkheid in de weg stond was de betalingsonmacht aan de zijde van [eiser] c.s.

b. De woning zou hoe dan ook niet zijn opgeleverd, aangezien [eiser] c.s. hun betalingsverplichtingen jegens [betrokkene] ook niet zijn nagekomen. De schade is dan ook niet veroorzaakt door de tekortkoming van [gedaagde] met betrekking tot de serre maar door het uitblijven van de oplevering van de woning uit hoofde van de tussen [eiser] c.s. en [betrokkene] gesloten overeenkomst. Doordat [eiser] c.s. de laatste termijn niet hadden voldaan op 12 december 2007, is de sleutel niet aan hen overgedragen.

4.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit laatste punt als volgt. Als uitgangspunt in de reeds gevoerde procedure had te gelden dat alleen (eventuele) tekortkomingen aan het meerwerk relevant waren. Van de door [eiser] c.s. gestelde tekortkomingen aan het meerwerk is uitsluitend de serre als tekortkoming aangemerkt. Nog daargelaten de vraag of deze tekortkoming oplevering van het meerwerk in de weg heeft gestaan, staat deze tekortkoming in ieder geval los van de oplevering van de woning door [betrokkene]. Ter comparitie heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat ook deze oplevering nog immer niet heeft plaatsgevonden omdat [eiser] c.s. [betrokkene] niet volledig hebben betaald. Nu [eiser] c.s. niet hebben betwist dat het uitblijven van betaling van de laatste termijn oplevering door [betrokkene] en daarmee afgifte van de sleutels van de woning aan [eiser] c.s. in de weg heeft gestaan, moet het ervoor worden gehouden dat de tekortkoming van [gedaagde] met betrekking tot de serre niet van belang is geweest voor de vraag wanneer [eiser] c.s. de woning hadden kunnen betrekken. Ook al was het meerwerk derhalve reeds op 12 december 2007 opgeleverd, dan hadden [eiser] c.s. de woning nog steeds niet kunnen betrekken doordat de woning zelf niet was opgeleverd en de sleutel niet was overgedragen. Aangezien alle schade die [eiser] c.s. stellen te hebben geleden, schade is tengevolge van het niet kunnen betrekken van de woning, betekent het bovenstaande dat het causale verband tussen de gestelde schade en de door de rechtbank geconstateerde tekortkoming van [gedaagde] ontbreekt. De vordering van [eiser] c.s. dient reeds hierom te worden afgewezen. Daarnaast geldt nog het volgende.

4.3. Vaststaat dat het gebrek met betrekking tot de serre slechts van esthetische aard is. Het gebrek bestaat er namelijk uit dat er sprake is van een verdikte kozijnstijl en dat één van de drie ramen smaller is dan de andere twee, terwijl het volgens de overeenkomst drie kozijnen van gelijke grootte hadden moeten zijn. Het herstellen van dit gebrek zou ongeveer drie dagen in beslag nemen. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat dit gebrek ingebruikname van de woning niet in de weg stond. Een andersluidend oordeel valt in het vonnis van deze rechtbank van 28 april 2010 ook niet te lezen. Hierin is geoordeeld over de verplichting van [gedaagde] om het meerwerk op te leveren in de zin van artikel 7:758 BW en de daartegenover staande verplichting van [eiser] c.s. om de overeengekomen aanneemsom te voldoen. Nu [gedaagde] de overeenkomst nog niet volledig was nagekomen, hoefden [eiser] c.s. ook nog niet volledig te betalen. Vervolgens heeft de rechtbank echter ook geoordeeld dat [eiser] c.s. slechts voor 1/4e deel van hun betalingsverplichting (EUR 20.740,-- van EUR 90.851,64) terecht hebben opgeschort en derhalve voor het overgrote deel onterecht hebben opgeschort. In reactie op de opschorting door [eiser] c.s. heeft [gedaagde] de sleutel niet willen afgeven (voor zover zij hierover al zelfstandig kon beslissen in verband met hetgeen is overwogen in r.o. 4.2) en heeft zij in zoverre derhalve ook een opschortingsrecht uitgeoefend.

4.4. Voor zover al geconcludeerd zou kunnen worden dat, aangezien de opschorting van [eiser] c.s. slechts ten dele gerechtvaardigd was, de opschorting van [gedaagde] van zijn opleveringsverplichting ook slechts ten dele gerechtvaardigd kan zijn geweest, dan zou [gedaagde] wellicht voor een deel van de schade van [eiser] c.s. aansprakelijk kunnen zijn. In dit verband komt de vraag aan de orde of dat deel van de schade desalniettemin voor rekening van [eiser] c.s. moet blijven in verband met het niet nakomen door [eiser] c.s. van hun schadebeperkingsverplichting. In de kern gaat het dan om de vraag of [eiser] c.s., gelet op de aard en ernst van de tekortkoming, de oplevering van zowel het meerwerk als de woning integraal mochten (blijven) weigeren totdat [gedaagde] tot herstel van het esthetische gebrek van de serre was overgegaan.

4.5. Op grond van artikel 6:101 BW moet worden aangenomen dat een benadeelde binnen redelijke grenzen gehouden is tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] c.s. hiertoe hadden kunnen en moeten overgaan door de oplevering van het meerwerk te aanvaarden onder voorwaarde van herstel van de serre en na inhouding of in depotstorting van een bedrag dat in redelijkheid met herstel van de serre gemoeid zou zijn geweest. Volgens de eigen schadeopstelling van [eiser] c.s. zou de schade ter zake van het gebrek aan de serre EUR 6.000,00 zijn geweest. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser] c.s. een constructief voorstel hebben gedaan om uit de begin 2008 ontstane impasse te komen. Het voorstel van [eiser] c.s. zoals verwoord in de brief van 4 maart 2008 kan niet als zodanig worden aangemerkt. In deze brief bieden [eiser] c.s. namelijk aan EUR 49.833,26 te betalen onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat [gedaagde] EUR 40.000,00 van haar vordering van EUR 90.851,64 zou moeten afboeken ten titel van schadevergoeding.

De omstandigheid dat [eiser] c.s. pas na het vonnis van 27 januari 2010 wisten dat alleen de serreramen mogelijk als een tekortkoming van [gedaagde] zouden worden aangemerkt en dat zij pas na het vonnis van 28 april 2010 wisten dat zij voor het reeds door [gedaagde] verrichtte meerwerk een bedrag van EUR 70.111,64 dienden te voldoen, doet aan het bovenstaande niet af. Zij hebben door inhouding van de volledige aanneemsom voor het meerwerk en door weigering van beide opleveringen zelf het risico genomen dat deze handelwijze achteraf rechtens onjuist zou blijken te zijn gelet op de aard en ernst van de door hen gestelde gebreken. De schade die hierdoor is ontstaan en samenhangt met het niet in gebruik nemen van de woning kunnen zij onder deze omstandigheden niet verhalen op [gedaagde]. De gevorderde schade komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6. Tenslotte wordt nog het volgende overwogen ten aanzien van de schade die [eiser] c.s. lijden doordat de serre nog niet is hersteld. Volgens de schadeopstelling van [eiser] c.s. van 4 maart 2008 bedraagt deze schade EUR 6.000,00. Dit bedrag komt overeen met de schatting van de kosten van herstel, zoals de heer Bosman van [gedaagde] die tijdens de comparitie heeft gegeven. Nu de rechtbank echter het bedrag van EUR 20.740,00 dat was overeengekomen voor de bouw van de serre nog niet heeft toegewezen, hebben [eiser] c.s. voldoende zekerheid dat zij het gebrek aan de serre kunnen laten herstellen en de kosten hiervan met [gedaagde] kunnen verrekenen.

4.7. [eiser] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten EUR 73,89

- griffierecht 2.795,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 5.710,89

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 5.710,89,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.