Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0018

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
205441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of een activa-overdracht paulianeus of onrechtmatig is geweest, rechtbank acht zich nog onvoldoende voorgelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205441 / HA ZA 10-1800

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar Duits recht

MÖBELWERKE LAUENAU GMBH SITZ ISERNHAGEN I.L.,

gevestigd te Lauenau,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.H.J. Cornelissen te Huissen,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRAPAU HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CASALA MEUBELEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. E.H.W. van Nijnatten te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Möbelwerke Lauenau, [gedaagde], Frapau en Casala genoemd worden, terwijl de laatste drie ook tezamen als[gedaagde] c.s. aangeduid worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 27 april 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Casala heeft een zustervennootschap die P & F Furniture B.V. heet (hierna:P & F). Hun moedervennootschap is Frapau. Enig aandeelhouder van Frapau is Stichting Administratiekantoor Aandelen Frapau. [gedaagde] is bestuurder van P & F en Casala.

2.2. P & F en haar rechtsvoorganger importeerden vanaf 1974 Casala-meubelen in Nederland en vanaf 1990 meubelen van Krueger International Inc. in de Benelux. Krueger International Inc. verkreeg in 1995 het merk Casala en veranderde in 2001 haar naam in Casala Möbelwerke GmbH en in 2002 in Möbelwerke Lauenau.

2.3. Möbelwerke Lauenau zegt op 23 januari 2001 de met P & F bestaande duurovereenkomst op tegen 1 juli 2001 in verband met haar voorgenomen liquidatie.

2.4. In oktober of november 2001 wint [gedaagde] advies in over mogelijkheden om de klap op te vangen die volgens hem de onderneming van P & F ondervindt door deze opzegging. Naar zijn zeggen werd na overleg met de accountant de redding gezocht in overdracht van de activa aan P + F Projectmeubelen B.V. (hierna: P + F), het zusterbedrijf van Casala en P&F en dus ook een dochter van Frapau.

2.5. Möbelwerke Lauenau dagvaardt P & F in november 2001 terzake van onbetaald gebleven facturen voor het Landgericht Bückeburg. P & F stelt een tegenvordering in.

2.6. Op de balans van P & F worden beide vorderingen volgens een door de accountant opgestelde waardering opgenomen, waardoor zij grotendeels tegen elkaar wegvallen.

2.7. Per 1 januari 2002 draagt P & F haar activa tegen de boekwaarde over aan P + F voor een koopprijs van € 142.046,70, de boekwaarde van de activa. Betaling van de koopsom vindt voor een deel door verrekening plaats.

2.8. Het Landgericht Bückeburg doet op 26 januari 2006 uitspraak in de onder 2.5 bedoelde procedures in conventie en reconventie tussen Möbelwerke Lauenau en P & F. Daarbij wordt laatstgenoemde veroordeeld om aan Möbelwerke Lauenau € 365.759,00 te betalen met rente over € 189.599,19 vanaf 23 juni 2006, over € 132.770,27 vanaf 1 oktober 2001 en vanaf € 43.389,54 vanaf 22 maart 2003. De tegenvordering van P & F wordt geheel afgewezen.

2.9. P & F wordt ontbonden per 1 februari 2006

2.10. Bij brief van 1 november 2006 sommeert de advocaat van Möbelwerke Lauenau [gedaagde] als voormalig directeur van P & F tot betaling van € 365.759,00. Hierbij stelt hij [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk omdat P & F geliquideerd is zonder dat rekening is gehouden met haar betalingsverplichting tegenover Möbelwerke Lauenau.

2.11. Bij brief van 19 februari 2007 vernietigt Möbelwerke Lauenau de overdracht van de activa door P & F aan P+F met een beroep op de actio pauliana (art. 3:45 Burgerlijk Wetboek – BW).

2.12. Bij beschikking d.d. 9 mei 2008 heropent deze rechtbank de vereffening van het vermogen van P & F. Daarbij overweegt de rechtbank onder meer dat bij de verkoop van de activa van de onderneming aan een zustervennootschap na dagvaarding door Möbelwerke Lauenau en ontbinding van de rechtspersoon na het verlies van de daarmee begonnen procedure er voldoende aanleiding bestaat om de vereffening te heropenen en de vereffenaar te laten nagaan of de onderneming van P & F tegen een marktconforme prijs is verkocht. De rechtbank wijst als vereffenaar mr. A.G.W. van Kessel aan. Het hof bekrachtigt deze beschikking van de rechtbank op 7 april 2009.

2.13. De vereffenaar Van Kessel schrijft op 31 augustus 2009 aan de advocaat van Möbelwerke Lauenau dat hij de administratie van P & F ter inzage heeft gekregen van [gedaagde] en daarbij informatie van Ernst & Young, accountant van P & F, heeft ontvangen. Of er ten tijde van de transactie tussen P & F en P + F sprake is geweest van goodwill of stille reserves, waardoor de koopprijs, gebaseerd op de activa, te laag zou zijn geweest, is volgens de vereffenaar niet meer na te gaan. Onder ‘Hoe nu verder’ schrijft hij:

Ter nader onderzoek (…) resteert de kwestie wat er nadien is gebeurd met de betaalde en door de vennootschap ontvangen koopsom. Deze is aangewend ter aflossing van rekening courant schulden aan groepsmaatschappijen die alle bestuurd werden door de heer [gedaagde]. De vraag is dus (voorts) nog of deze schulden, op het moment van de betaling daarvan, opeisbaar waren, m.a.w. of er niet onverplicht is betaald (…).

2.14. Het onderzoek is niet voortgezet.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Möbelwerke Lauenau vordert – samengevat –:

- een verklaring voor recht dat de overdracht van de activa van P&F aan P+F per 1 januari 2002 nietig is op grond van art. 3:45 BW,

- hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot vergoeding van schade die Möbelwerke Lauenau heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig handelen van [gedaagde] c.s. als op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van € 5.160,00 aan Möbelwerke Lauenau als vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 onder b BW),

- hoofdelijke veroordeling in de proceskosten.

3.2. Möbelwerke Lauenau verwijt [gedaagde] c.s. dat P & F wetend van de vordering van Möbelwerke Lauenau, die zij zelfs grotendeels erkende, en gebruik makend van gefingeerde rekening-courantverplichtingen tussen door [gedaagde] bestuurde vennootschappen heeft bewerkstelligd dat Möbelwerke Lauenau niet voldaan kon worden. P + F is met Casala gefuseerd en daarmee opgehouden te bestaan; haar rechten en verplichtingen zijn onder algemene titel overgegaan op de na de fusie bestaande Casala.

Bij brief van 19 februari 2007 heeft Möbelwerke Lauenau de overdracht van de activa door P & F aan P+F vernietigd met een beroep op de actio pauliana (art. 3:45 BW) omdat P & F Möbelwerke Lauenau in haar verhaalsmogelijkheden beperkte door onverplicht haar activiteiten over te dragen aan P+F zonder dat in de koopprijs de goodwill verdisconteerd was. [gedaagde] is aansprakelijk omdat hij als bestuurder van P & F, P+F, Casala en Frapau onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Möbelwerke Lauenau, wier verhaalsmogelijkheden hij frustreerde. Bovendien heeft hij zich schuldig gemaakt aan selectieve betaling door alle – kennelijk zijn alle bedoeld, maar dit is niet duidelijk – crediteuren van P & F te voldoen, in het bijzonder crediteuren binnen hetzelfde concern.

Frapau is aansprakelijk uit onrechtmatige daad omdat zij als moedervennootschap op de hoogte was van de paulianeuze overdracht aan P+F en Casala en de benadeling van Möbelwerke Lauenau die daarmee bewerkstelligd werd, terwijl zij geen maatregelen heeft genomen om de schade van Möbelwerke Lauenau te voorkomen of te beperken.

3.3. [gedaagde] c.s. voert verweer. Zij voert aan dat Möbelwerke Lauenau op 6 februari 2001 haar klanten informeerde over haar ontbinding terwijl haar zustervennootschap KI zich op hetzelfde moment met weggekaapte medewerkers en het klantenbestand van P & F op dezelfde markt richtte als P & F. Dit was de reden voor P & F om haar betalingen aan Möbelwerke Lauenau op te schorten. De waardering van de overgedragen activa is reëel. Het doel van de overdracht was continuïteit van de onderneming van P & F. Uit de verkoopopbrengst zijn eerst de zaakscrediteuren betaald, lonen en kosten ten aanzien van werknemers voldaan en vervolgens verplichtingen in rekening-courant aan groepsmaatschappijen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] c.s. vordert – samengevat – opheffing van de gelegde beslagen met een verklaring voor recht dat deze vexatoir zijn, alsmede een verklaring voor recht dat Möbelwerke Lauenau aansprakelijk is voor alle door [gedaagde] c.s. geleden en nog te lijden schade als op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.6. Möbelwerke Lauenau voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Centraal staat het standpunt van Möbelwerke Lauenau dat de overdracht van de activa van P & F aan P+F paulianeus is geweest. Dit standpunt is gebaseerd op de stelling dat in wezen overdracht van de onderneming tegen een niet-marktconforme koopprijs plaatsvond. Möbelwerke Lauenau stelt dat er sprake was van een overdracht going concern. Dit staat enerzijds niet vast, omdat in de stukken slechts sprake is van verkoop van de activa tegen de boekwaarde. Anderzijds wordt door [gedaagde] c.s. aangegeven dat de bedoeling van overdracht voortzetting van de onderneming van P & F was.

4.2. Het is in beginsel aan Möbelwerke Lauenau haar stelling dat verkoop plaatsvond tegen een niet marktconforme koopprijs met – zonodig te bewijzen – feiten te onderbouwen. Onjuist is haar stelling dat ‘het feit dat het thans niet meer mogelijk is om de hoogte (van de goodwill) vast te stellen, (…) voor rekening en risico van gedaagde (behoort) te komen, onder meer omdat P & F en P+F verzuimd hebben de koopprijs door een onafhankelijke derde vast te stellen en gedurende de procedure bij het Landgericht Bückeburg gezwegen hebben over de verkoop.’

4.3. Deze stelling is onjuist omdat niet vaststaat dat P & F paulianeus heeft gehandeld c.q. dat een van de andere gedaagden onrechtmatig jegens Möbelwerke Lauenau heeft gehandeld en dat Möbelwerke Lauenau ten gevolge daarvan schade heeft geleden. Zou dit wel vaststaan, dan kan het risico van de onmogelijkheid om de schade exact vast te stellen bij gedaagden komen te liggen.

4.4. De situatie die nu voorligt, is anders. Möbelwerke Lauenau vindt in de aan P & F betaalde koopprijs grond om te concluderen tot paulianeus c.q. onrechtmatig handelen. Dan is het aan haar gemotiveerd te stellen en zonodig te bewijzen dat dit het geval is. Dit zou anders kunnen zijn als er geen behoorlijk onderbouwd verweer tegenover haar stellingen stond, maar daarvan is geen sprake.

4.5. Dat deze koopprijs niet door een onafhankelijke derde is vastgesteld doet anders dan Möbelwerke Lauenau meent, hieraan niet af omdat het uitgangspunt moet zijn dat de koopprijs door koper en verkoper vastgesteld wordt. Dat gedurende de procedure bij het Landgericht Bückeburg gezwegen is over de verkoop, zoals Möbelwerke Lauenau stelt, verandert hieraan evenmin iets.

4.6. Het voorgaande leidt vooralsnog niet tot een bewijsopdracht omdat de rechtbank eerst nadere informatie van [gedaagde] c.s. nodig heeft.

4.7. De rechtbank acht zich ook na de comparitie onvoldoende voorgelicht over de redenen van een aantal handelingen die aan de zijde van [gedaagde] c.s. verricht zijn en de omstandigheden waaronder die verricht zijn. De rechtbank zal [gedaagde] c.s. alsnog in de gelegenheid stellen het verweer ten aanzien van deze onderwerpen behoorlijk feitelijk te onderbouwen. Hierbij gaat het om het volgende.

1. Wanneer is aan de accountant die door [gedaagde] geraadpleegd werd (2.4) duidelijk gemaakt dat Möbelwerke Lauenau een procedure had aangespannen tegen P & F?

2. Wanneer is de tegenvordering in die procedure ingesteld?

3. Hoe is de accountant tot de waardering gekomen van vordering en tegenvordering zoals hierboven onder 2.6 is bedoeld, terwijl, zoals uit het vonnis van het Landgericht Bückeburg blijkt, in conventie slechts sprake was van een beroep op een opschortingsrecht, terwijl in reconventie de vordering inhoudelijk weersproken werd?

4. Wanneer is het besluit tot ontbinding van P & F per 1 februari 2006 genomen?

5. [gedaagde] c.s. voert aan dat uit de verkoopopbrengst van de activa van P & F eerst de zaakscrediteuren en lonen en kosten ten aanzien van werknemers zijn voldaan en vervolgens verplichtingen in rekening-courant aan groepsmaatschappijen. Hiermee wordt bedoeld aan te geven dat, mede gelet op de waardering van de vorderingen die in de procedure bij het Landgericht Bückeburg voorlagen, behoorlijk is omgesprongen met de verkoopopbrengst. Deze informatie is echter onvolledig zonder dat wordt aangegeven of – en, zo ja per wanneer – de hier bedoelde, door P & F voldane vorderingen opeisbaar waren.

6. Is het juist dat, zoals vooralsnog uit de stukken blijkt, de opbrengst van de activa-verkoop aan alle crediteuren van P & F behalve Möbelwerke Lauenau ten goede gekomen is?

4.8. [gedaagde] c.s. zal de gelegenheid worden geboden bij akte de onder 4.7 bedoelde informatie te geven.

in reconventie

4.9. De rechtbank zal de beoordeling in reconventie aanhouden totdat duidelijker zicht bestaat op de juistheid van de verwijten die Möbelwerke Lauenau in conventie [gedaagde] c.s. maakt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juni 2011 voor het nemen van een akte door [gedaagde] c.s. over hetgeen is vermeld onder 4.7, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.