Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9915

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
05/702167-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van vrachtwagenchauffeur tot een werkstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wegens overtreding van artikel 6 WVW waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen. Veroordeelde voerde een bijzondere manoeuvre uit, achteruitrijden om bij een winkelcentrum te kunnen lossen. Verwerping van verweren over geen gebruik maken van hulp bijrijder, achteruitrijdcamera, alarmlichten en niet openen portierramen. Overwegingen over snelheid en over verbod stil te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/702167-10

Datum zitting : 17 juni 2011

Datum uitspraak : 1 juli 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2010, te Arnhem,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(vrachtauto),

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de

Kronenburgsingel,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl - naar verdachte wist - de beelden van het in de cabine gemonteerde

beeldscherm van de (overigens niet wettelijk verplicht gestelde)

achteruitrijdcamera, die was gemonteerd aan de achterzijde van het door hem

bestuurde motorrijtuig (vrachtauto), (nagenoeg) onleesbaar, althans (zeer)

onduidelijk waren

en/of terwijl verdachte voornemens was een bijzondere manoeuvre, als bedoeld

in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 uit te

voeren

en/of terwijl verdachte deze (specifieke) bijzondere manoeuvre nog nooit,

althans nagenoeg nooit op die plaats, zijnde een (zeer) drukke en/of

onoverzichtelijke) (toegangs)weg naar de parkeergarage en/of laad- en

losplaats(en) van het plaatselijke winkelcentrum Kronenburg, had uitgevoerd,

vanaf de Kronenburgsingel (verbindingsweg met de laad/losplaats van Albert

Heijn) linksaf de Kronenburgsingel (verbindingsweg met de doorgaande weg van

de Kronenburgsingel) is ingereden in de richting van de bocht in die

Kronenburgsingel en/of in de richting van de (doorgaande weg van de)

Kronenburgsingel

en/of (daarbij, althans daaraan voorafgaande) de/het portierra(a)m(en) van het

door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) niet heeft geopend (teneinde

eventuele (alarmerende) geluiden en/of geluiden van naderend verkeer en/of

waarschuwingen te kunnen waarnemen)

en/of (daarbij, althans daaraan voorafgaande) zijn bijrijder niet heeft

opgedragen of gevraagd uit te stappen teneinde het verkeer te regelen en/of te

waarschuwen en/of hem, verdachte aanwijzingen te geven en/of (indien

noodzakelijk) te waarschuwen (voor dreigend gevaar)

en/of (daarbij, althans daaraan voorafgaande) niet de

alarmlichten/waarschuwingsverlichting van het door hem bestuurde motorrijtuig

(vrachtauto) heeft ontstoken (teneinde naderend verkeer op de door hem

gecreëerde (verkeers)situatie te attenderen en/of (in voldoende mate) de

gelegenheid te bieden om op die situatie te kunnen anticiperen en/of reageren)

en/of het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) in dan wel kort voor

een (zeer) onoverzichtelijke bocht in die Kronenburgsingel tot stilstand heeft

gebracht en/of (gedurende een aantal seconden) heeft laten stil staan

en/of (daarmee) geen gevolg heeft gegeven aan een (voor die bocht aan de

rechterzijde aanwezig) verkeersteken, te weten bord E2 van de bijlage I van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dat een verbod inhoudt,

namelijk een verbod stil te staan

en/of (vervolgens) een (die) bijzonder manoeuvre, als bedoeld in artikel 54

van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd,

althans is gaan uitvoeren, namelijk met dat motorrijtuig op die weg achteruit

is gaan rijden en/of achteruit is gereden met een (relatief hoge en/of voor de

situatie ter plaatse te hoge) snelheid van circa 7 kilometer per uur

en/of (daarbij, althans daaraan voorafgaand) niet, althans in onvoldoende mate

zich ervan heeft vergewist dat er zich geen (ander) verkeer in de dode hoeken

rond zijn voertuig bevond, en/of (daarmee) niet, althans in onvoldoende mate

op het achter zijn motorrijtuig (vrachtauto) gelegen gedeelte van die weg

heeft gelet en/of is blijven letten (en/of zijn bijrijder op dat weggedeelte

heeft laten letten)

en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 een op die weg (achter hem) rijdende bestuurder van een

brom/snorfiets niet voor heeft laten gaan

en/of (daarbij) die bestuurder niet in de gelegenheid heeft gesteld om achter

zijn, verdachtes, voertuig weg te komen,

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

brom/snorfiets en/of de bestuurder daarvan, tengevolge waarvan de bestuurder

van die brom/snorfiets ten val is gekomen en/of door (een of meer wielen van)

het door verdachte bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) is overreden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (C.H. [slachtoffer])

werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Arnhem,

als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg,

de Kronenburgsingel

het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) in dan wel kort voor een

(zeer) onoverzichtelijke bocht in die Kronenburgsingel tot stilstand heeft

gebracht en/of (gedurende een aantal seconden) heeft laten stil staan

en/of (daarmee) geen gevolg heeft gegeven aan een (voor die bocht aan de

rechterzijde aanwezig) verkeersteken, te weten bord E2 van de bijlage I van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dat een verbod inhoudt,

namelijk een verbod stil te staan

en/of (vervolgens) een bijzonder manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, althans is

gaan uitvoeren, namelijk met dat motorrijtuig op die weg achteruit is gaan

rijden en/of achteruit is gereden

en/of (daarbij) achteruit is gaan rijden met een (relatief hoge en/of voor de

situatie ter plaatse te hoge) snelheid van circa 7 kilometer per uur

en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 een op die weg (achter hem) rijdende bestuurder van een

brom/snorfiets niet voor heeft laten gaan

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

brom/snorfiets en/of de bestuurder daarvan, tengevolge waarvan de bestuurder

van die brom/snorfiets ten val is gekomen en/of door (een of meer wielen van)

het door verdachte bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) is overreden

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 17 juni 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen:

mevrouw [naam].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 juni 2010 heeft verdachte als bestuurder van een vrachtauto, gereden over de openbare weg, de Kronenburgsingel te Arnhem. Om de los- en laadplaats van Van Haren bij het winkelcentrum (achteruit rijdend) te kunnen bereiken, is verdachte met zijn vrachtwagen achteruit rijdend over de kruising de weg voor het afleveren van goederen (rechtbank: de verbindingsweg met de laad- en losplaats van Albert Hein) ingereden en vervolgens voorwaarts linksaf in de richting van de Kronenburgsingel (rechtbank: verbindingsweg met de doorgaande weg van de Kronenburgsingel en de zich daarin bevindende bocht) gereden. Tijdens het vooruitrijden van de vrachtwagen, reed de bestuurder van de bromfiets achter de vrachtwagen in de richting van de Kronenburgsingel (rechtbank: de doorgaande weg van de Kronenburgsingel). Kort voorbij het kruisingsvlak stopte verdachte zijn vrachtwagen. Volgens de camerabeelden stond de vrachtwagen 2 à 3 seconden stil om vervolgens achteruit de weg naar de laad- en losplaats in te rijden. Dit achteruit rijden geldt als een bijzondere manoeuvre als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Verdachte heeft vaker goederen bezorgd bij Winkelcentrum Kronenburg, maar tot dan toe kon hij keren op de laad- en losplaats. Omdat er het er druk was, kon hij daar op 14 juni 2010 niet keren. Daarom moest hij achteruit terugrijden en op de verbindingsweg keren. Verdachte heeft tijdens het achteruit rijden over de verbindingsweg, de portierramen niet geopend, geen alarmlichten gevoerd en zijn bijrijder niet laten uitstappen om aanwijzingen te laten geven. Ook heeft hij geen gebruik gemaakt van de achteruitrijdcamera. Verdachte wist dat de beelden op het in de cabine gemonteerde beeldscherm van de op de achterzijde van de vrachtwagen gemonteerde achteruitrijdcamera zeer onduidelijk waren, maar vond dat geen probleem omdat deze camera’s niet zijn gemonteerd op iedere vrachtwagen waarmee hij rijdt en hij de camera alleen gebruikt om goed voor het laadperron uit te komen.

Achter de vrachtwagen van verdachte bevond zich op het moment dat hij achteruit ging rijden, de bestuurder van een bromfiets, te weten C.H. [slachtoffer]. Hij bevond zich binnen de dode hoek aan de achterzijde van de vrachtwagen. Op het moment dat verdachte achteruit is gereden, is hij met de vrachtwagen tegen de bromfiets en diens bestuurder gebotst. De bestuurder van de bromfiets is vervolgens gevallen en door de vrachtwagen overreden, ten gevolge waarvan de bestuurder van de bromfiets is komen te overlijden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden in die zin dat verdachte aanmerkelijke onvoorzichtigheid kan worden verweten.

Standpunt verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat vaststaat dat het achteruit rijden als een bijzondere manoeuvre kan worden aangenomen, maar dat de in de tenlastegelegde bijzondere omstandigheden niet als norm kunnen worden aangenomen.

De raadsman heeft daartoe de volgende punten aangevoerd:

- Het voeren van een achteruitrijdcamera is niet verplicht. Het kan daarom verdachte niet worden verweten dat hij de camera niet heeft gebruikt;

- De plaats waar de aanrijding heeft plaatsgevonden, is een plaats die bij verdachte goed bekend is. Het is daarom niet relevant is dat hij daar niet eerder achteruit heeft gereden;

- Er bestaat geen verplichting de portierramen bij het achteruit rijden te openen. Verdachte heeft verklaard dat het geluid van de motor van de vrachtwagen overige geluiden overstemt;

- Verdachte hoefde de bijrijder niet te laten uitstappen. Verdachte rijdt altijd alleen en dan ook geen assistentie bij het achteruit rijden. Er bestaat geen geldende norm die dit voorschrijft;

- De alarmlichten zijn door verdachte niet aangezet, maar ook dat is geen verplichting. Voorts branden de achteruitrijdlichten tijdens het achteruitrijden;

- Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat het om een onoverzichtelijke bocht ging;

- Verdachte heeft niet het stopverbod genegeerd, aangezien hij niet de intentie had aan de kant van de weg stil te blijven staan;

- Ten aanzien van de snelheid kan niet worden gesteld dat verdachte te hard heeft gereden. Twee getuigen hebben verklaard dat verdachte normaal achteruit reed. Voorts valt niet te controleren of het uitlezen van de tachograafgegevens en de daarop gebaseerde grafiek, klopt. Uit de beelden van de beveiligingscamera valt ook niet op te maken of de opname versneld wordt afgespeeld;

- Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een vrachtwagen sprake is van een dode hoek. Daaraan is niet veel te doen, anders dan goed op te letten. Dat heeft verdachte gedaan door telkens in zijn spiegels te kijken. Ook heeft hij de bijrijder laten meekijken. Dat verdachte de bestuurder van de bromfiets niet heeft kunnen zien, komt doordat deze in zijn dode hoek stond. Dat maakt dat er geen sprake is van een verwijtbare fout.

De raadsman stelt zich dan ook op het standpunt dat, nu verdachte alleen verweten kan worden dat hij geen voorrang heeft verleend, hij van het primair tenlastgelegde dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft tijdens het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, namelijk achteruit rijden, geen voorrang verleend aan de bestuurder van een bromfiets die zich achter zijn vrachtwagen bevond. Deze handeling werd door hem uitgevoerd bij een kruising op een toe- en afvoerweg van een winkelcentrum. Dat het (achteruit)rijden met een vrachtwagen binnen een winkelgebied om extra zorgvuldigheid vraagt, is een feit van algemene bekendheid. De rechtbank stelt vast op grond van de zich in het dossier bevindende beelden van de beveiligingscamera en de afdrukken daarvan verdachte voorafgaand aan de aanrijding, diverse malen wordt gepasseerd door andere voertuigen. Deze beelden in combinatie met de zich in het dossier bevindende foto’s, brengen de rechtbank voorts tot het oordeel dat de Kronenburgsingel ter plaatse, de verbindingsweg die toegang geeft tot de parkeergarage en de laad- en losplaatsen van Winkelcentrum Kronenburg, door een bocht en de kruising (ten tijde van het ongeluk) een drukke onoverzichtelijke weg was.

Volgens de tachograafdata heeft verdachte vlak voor het ongeluk met een snelheid van ongeveer 7 km/uur (achteruit) heeft gereden. Naar oordeel van de rechtbank wordt de juistheid van deze snelheid, een hogere snelheid dan stapvoets lopen, bevestigd bij het uitkijken van de bewegende beveiligingsbeelden. Dat niet valt te controleren of het uitlezen van de tachograafgegevens en de daarop gebaseerde grafiek, klopt, doet daar niet aan af.

Verdachte brengt de vrachtwagen een kort moment de vrachtwagen tot stilstand en binnen luttele seconden rijdt hij achteruit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onvoldoende de tijd heeft genomen zich ervan te vergewissen dat de weg achter de vrachtwagen vrij was, en hij overig verkeer geen voorrang hoefde te verlenen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat door de snelheid waarmee verdachte achteruit reed en de korte tijd dat hij stopte, de bestuurder van de bromfiets niet in de gelegenheid was om achter verdachtes voertuig weg te komen.

De raadman heeft een groot aantal punten aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog dat geen sprake was van schuld in de zin van artikel 6 WVW en verdachte behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het feit dat verdachte, wetende dat hij geen zicht heeft op het weggedeelte achter zijn vrachtwagen, op een drukke en onoverzichtelijke kruising bij het achteruitrijden geen gebruik heeft gemaakt van hulp van de bijrijder en/of de achteruitrijdcamera, alarmlichten of de portierramen heeft opengemaakt, zulks in onderling verband beschouwt, maakt dat niet kan worden gesteld dat verdachte de zorgvuldigheid heeft betracht die van een verkeersdeelnemer onder deze omstandigheden mag worden verwacht.

Voormelde gedragingen van verdachte brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte

zich aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen en zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem primair ten laste is gelegd, tengevolge waarvan een dodelijk slachtoffer te betreuren valt.

De rechtbank stelt dat het verkeersbord E2 - een verbod stil te staan - doelt op automobilisten die hun auto langer dan een enkel moment aan de kant stilzetten, bijvoorbeeld voor het laten in- of uitstappen van een passagier. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte de intentie had om de vrachtwagen op de weg stil te laten staan en dus niet heeft gehandeld in strijd met dit verbod. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 juni 2010, te Arnhem,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(vrachtauto),

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kronenburgsingel, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl - naar verdachte wist - de beelden van het in de cabine gemonteerde

beeldscherm van de (overigens niet wettelijk verplicht gestelde)

achteruitrijdcamera, die was gemonteerd aan de achterzijde van het door hem

bestuurde motorrijtuig (vrachtauto), (zeer) onduidelijk waren

en terwijl verdachte voornemens was een bijzondere manoeuvre, als bedoeld

in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 uit te

voeren

en terwijl verdachte deze (specifieke) bijzondere manoeuvre nog nooit,

op die plaats, zijnde een drukke en onoverzichtelijke) (toegangs)weg naar de parkeergarage en laad- en losplaats(en) van het plaatselijke winkelcentrum Kronenburg, had uitgevoerd,

vanaf de Kronenburgsingel (verbindingsweg met de laad/losplaats van Albert

Heijn) linksaf de Kronenburgsingel (verbindingsweg met de doorgaande weg van

de Kronenburgsingel) is ingereden in de richting van de bocht in die

Kronenburgsingel en/of in de richting van de (doorgaande weg van de)

Kronenburgsingel

en (daarbij, althans daaraan voorafgaande) de portierra(a)m(en) van het

door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) niet heeft geopend (teneinde

eventuele (alarmerende) geluiden en/of geluiden van naderend verkeer en/of

waarschuwingen te kunnen waarnemen)

en (daarbij, althans daaraan voorafgaande) zijn bijrijder niet heeft

opgedragen of gevraagd uit te stappen teneinde het verkeer te regelen en/of te

waarschuwen en/of hem, verdachte aanwijzingen te geven en/of (indien

noodzakelijk) te waarschuwen (voor dreigend gevaar)

en/of (daarbij, althans daaraan voorafgaande) niet de

alarmlichten/waarschuwingsverlichting van het door hem bestuurde motorrijtuig

(vrachtauto) heeft ontstoken (teneinde naderend verkeer op de door hem

gecreëerde (verkeers)situatie te attenderen en/of (in voldoende mate) de

gelegenheid te bieden om op die situatie te kunnen anticiperen en/of reageren)

en/of het door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) in dan wel kort voor

een onoverzichtelijke bocht in die Kronenburgsingel tot stilstand heeft

gebracht en (gedurende een aantal seconden) heeft laten stil staan

en (vervolgens) een (die) bijzonder manoeuvre, als bedoeld in artikel 54

van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is gaan uitvoeren, namelijk met dat motorrijtuig op die weg achteruit is gaan rijden met een ( voor de situatie ter plaatse te hoge) snelheid van circa 7 kilometer per uur

en(daarbij, in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist dat er zich geen (ander) verkeer in de dode hoeken rond zijn voertuig bevond, en (daarmee) in onvoldoende mate op het achter zijn motorrijtuig (vrachtauto) gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en is blijven letten (en/of zijn bijrijder op dat weggedeelte heeft laten letten)

en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 een op die weg (achter hem) rijdende bestuurder van een

brom/snorfiets niet voor heeft laten gaan

en/of (daarbij) die bestuurder niet in de gelegenheid heeft gesteld om achter

zijn, verdachtes, voertuig weg te komen,

en(vervolgens) is gebotst tegen, die brom/snorfiets en de bestuurder daarvan, tengevolge waarvan de bestuurder van die brom/snorfiets ten val is gekomen en door (een of meer wielen van) het door verdachte bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) is overreden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (C.H. [slachtoffer])

werd gedood.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met aftrek.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet

op de blanco justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 mei 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij al zestien jaar werkzaam is als vrachtwagenchauffeur en voldoende ervaring heeft om te weten hoe te handelen. De rechtbank is van oordeel dat ruime werkervaring het gevaar van routine in zich heeft en juist vraagt om extra zorgvuldigheid bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres. Voorts wordt van verdachte verwacht dat hij zich ervan bewust is welk gevaar het rijden van een vrachtwagen met zich mee kan brengen. Verdachte heeft vrijwel direct na stilstand zijn vrachtwagen achteruit laten rijden. Dit terwijl hij wist dat het bij een winkelgebied in de buurt was en het een onoverzichtelijk stuk weg betrof. Vanwege het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre bij een kruising, had verdachte zich ervan moeten vergewissen dat hij deze manoeuvre zonder problemen had kunnen uitvoeren. Van verdachte wordt in een dergelijke situatie meer verwacht dan het enkel het kijken in zijn spiegels. Hij had zijn bijrijder kunnen laten uitstappen, zijn ramen kunnen openen en zijn alarmverlichting kunnen aandoen. Ten gevolge van verdachtes onvoorzichtige gedrag is een persoon overreden en aan de gevolgen overleden.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten die voor soortgelijke zaken geldt, kan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een onvoorwaardelijke rijontzegging worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat strafoplegging recht moet doen aan de ernst van het feit, maar dat ook rekening dient te worden gehouden met de overige omstandigheden. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat verdachte zijn rijbewijs beroepsmatig nodig heeft. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat hij op actieve wijze contact heeft opgenomen en gehouden met de slachtoffers. De rechtbank zal daarom verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordelen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 1 (één) jaar,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp, als voorzitter, mr. J.J.H. van Laethem en mr. W.L.J.M. Duijst, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2011.