Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9815

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
05/700027-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Verwerping van het beroep op psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/700027-11

Data zitting : 14 april 2011 en 16 juni 2011

Datum uitspraak : 30 juni 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2011, te Beesd, gemeente Geldermalsen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] met geschoeide voet meerdere malen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 januari 2011, te Beesd, gemeente Geldermalsen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] met geschoeide voet meerdere malen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 16 juni 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

[slachtoffer].

De officier van justitie, mr. H. Timmer, heeft primair geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden zal worden veroordeeld met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 883,58 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 januari 2011 rond 8.04 uur is de auto (een rode Renault Clio) met daarin verdachte geparkeerd op een parkeerterrein bij Tankstation Texaco te Beesd. Iets later, rond 8.09 uur, parkeerde het slachtoffer, [slachtoffer], zijn auto (een rode Fiat) in een parkeervlak naast de voornoemde Renault. Verdachte stond op dat moment tussen beide auto’s. Nadat het slachtoffer uit de auto is gestapt, wordt hij geslagen door verdachte. Het slachtoffer valt achter zijn Fiat op de grond. Vervolgens trapt/schopt verdachte meerdere keren, terwijl het slachtoffer op de grond ligt , tegen het gezicht/hoofd van het slachtoffer.

Door deze handelingen heeft het slachtoffer verschillende schaafwonden, een bult op zijn voorhoofd en een gescheurde lip opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer bewust, zonder blijkbare reden, een klap gegeven en vervolgens meerdere keren geschopt/getrapt terwijl het slachtoffer op de grond lag. Hij acht bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door deze gedragingen het slachtoffer kon komen te overlijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het (voorwaardelijke) opzet op het overlijden van het slachtoffer heeft ontbroken. Het primaire feit kan zodoende niet wettig en overtuigend worden bewezen. Zo is de raadsman van mening dat de angst die verdachte had voor het slachtoffer van dien aard was dat deze angst het vereiste opzet van verdachte op zijn handelen weg neemt. Tevens is het, volgens de raadsman, onduidelijk of alle schoppen/trappen tegen het hoofd/gezicht zijn gekomen. Daarnaast droeg verdachte sportschoenen. Deze sportschoenen kunnen, volgens de raadsman, naar hun aard geen ernstig letsel veroorzaken. Het incident heeft een viertal seconden geduurd. Dit is te weinig om ernstig letsel te veroorzaken.

Beoordeling van de standpunten

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.

Volgens de Hoge Raad moet de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Uit de aard van de gedragingen volgt dat verdachte het voorwaardelijke opzet heeft gehad. Immers; verdachte heeft nadat hij het slachtoffer een klap in zijn gezicht gaf en deze op de grond viel, meerdere malen met kracht tegen zijn lichaam en hoofd geschopt/getrapt. Het is algemeen bekend, zo ook bij verdachte, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, dat het hoofd een zeer kwetsbaar lichaamsdeel is. Door een enkele schop/trap met een schoen tegen het hoofd kan iemand al komen te overlijden, waarbij de kans op overlijden nog wordt vergroot als met kracht en met geschoeide voet tegen een hoofd wordt getrapt, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd. Ondanks dat verdachte wellicht niet het voornemen had om [slachtoffer] van het leven te beroven, heeft hij door zijn handelwijze - met kracht en geschoeide voet tegen het lichaam/hoofd van het slachtoffer trappen/schoppen - wel degelijk de aanmerkelijke kans hierop aanvaard. Hiermee wordt tevens het verweer, dat sportschoenen naar hun aard geen ernstig letsel kunnen veroorzaken, verworpen. Dat het hele voorval slechts enkele seconden heeft geduurd doet daar niets aan af, nu één enkele schop tegen het hoofd al voldoende kan zijn voor zodanig letsel dat men daardoor overlijdt. De filmbeelden laten zien dat in deze zaak in korte tijd meerdere malen is geschopt.

De raadsman heeft bepleit dat de angst die verdachte voor het slachtoffer voelde, het vereiste opzet uitsluiten. De rechtbank verwerpt echter dit verweer. De Hoge Raad heeft bepaald dat er pas geen sprake van opzet is indien bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan is geen sprake. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich er bij het schoppen/trappen van bewust was dat het schoppen/trappen tegen het hoofd verstrekkende gevolgen kan hebben. Daarmee had hij wel degelijk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen van deze gedragingen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 01 januari 2011, te Beesd, gemeente Geldermalsen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] met geschoeide voet meerdere malen, met kracht tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire feit:

Poging tot doodslag.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep op psychische overmacht gedaan en gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft het misdrijf begaan onder een van buiten komende dwang van psychische aard die werd uitgeoefend door [slachtoffer] waardoor verdachte zich onveilig en belaagd voelde. Verdachte wilde een mogelijke aanval van [slachtoffer] afslaan en gaf daarom een klap en meerdere schoppen/trappen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van psychische overmacht bij verdachte. Het feit dat verdachte zich lichtelijk aangevallen voelde, is onvoldoende om tot psychische overmacht te komen.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op psychische overmacht nu niet aannemelijk is gemaakt dat bij verdachte, ten tijde van het gepleegde delict, sprake was van een zodanig acute vorm van stress of dwang dat hij daaraan geen weerstand heeft kunnen of behoeven te bieden zodat hij het feit wel moest plegen. Ook overigens acht de rechtbank - gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting - het niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een onmiddellijke van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden. Hetgeen verdachte heeft verklaard over een eventuele belediging eerder op de snelweg door [slachtoffer] is daartoe onvoldoende. Immers, voor zover deze belediging al zou hebben plaatsgevonden - de rechtbank beschikt niet over enige informatie hierover die dit bevestigt - maakt dit in de gegeven omstandigheden niet dat verdachte om die reden dusdanig in zijn wilsvrijheid was aangetast dat hij niet anders kon dan het tenlastegelegde feit plegen. Dat het slachtoffer op een andere wijze verdachtes stress heeft uitgelokt door bijvoorbeeld provocatie van verdachte is evenmin aannemelijk geworden. Bovendien is niet voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Verdachte had immers anders kunnen en moeten reageren en niet nadat hij het slachtoffer had geslagen en deze weerloos op de grond terecht was gekomen ook nog eens mogen schoppen.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 13 mei 2011;

• een Reclasseringsadvies van het Leger des Heils, gedateerd 9 maart 2011, betreffende verdachte;

• een consultbrief opgesteld door [psychiater] psychiater, gedateerd 27 januari 2011, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Op nieuwjaarsochtend stonden de auto’s van verdachte en het slachtoffer, [slachtoffer], naast elkaar geparkeerd. Blijkbaar zonder enige reden heeft verdachte het slachtoffer, nadat deze uit de auto was gestapt, een klap gegeven. Het slachtoffer is hierdoor op de grond gevallen en is vervolgens meerdere malen door verdachte tegen diens hoofd/lichaam geschopt/getrapt. [slachtoffer] heeft hierbij letsel opgelopen. Verdachte heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Bovendien zijn de psychische gevolgen voor het slachtoffer groot zoals ter zitting is gebleken uit de voorgelezen slachtofferverklaring. Het slachtoffer durft niet meer overal zijn auto te parkeren en mijdt tankstations. De rechtbank rekent het bewezenverklaarde verdachte dan ook zeer zwaar aan.

De rechtbank oordeelt dat voor de afdoening van de onderhavige zaak - gelet op de ernst van het feit - geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De rechtbank baseert deze straf op de straffen die de afgelopen jaren in soortgelijke zaken zijn opgelegd, alsmede op de thans geldende oriëntatiepunten. Een lagere straf, zoals door de verdediging is bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 883,25 bestaande uit zowel materiële als immateriële schade.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het immateriële bedrag moet worden gematigd. De immateriële schade kan volgens de verdediging worden ingeschat op een bedrag van € 400,-.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2011.

De rechtbank past tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toe en zal verdachte de verplichting opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] te betalen € 883,58 (zegge achthonderddrieëntachtig euro en achtenvijftig centen), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 883,58, subsidiair 17 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen €883,58 (zegge achthonderddrieëntachtig euro en achtenvijftig centen), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mrs. J.A.P. Bakker (als voorzitter), C. van Linschoten en G.M.L. Tomassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2011.