Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9496

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
202532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BP 6618.

Geschil over schade na aanvaring met binnenvaartschip. Verjaring gestuit. Bewijsopdracht aan eiseres m.b.t. de toedracht van het ongeval (de gestelde overtreding van bepalingen uit het RPR) en dat de schade aan het roer het gevolg is van de aanvaring met de Clingenburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202532 / HA ZA 10-1293

Vonnis van 1 juni 2011

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht AUST + SMOK GBR,

gevestigd te Rheinberg, Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda.

Partijen zullen hierna Aust + Smok en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 februari 2011

- de aktes van beide partijen.

Daarna is vonnis bepaald.

De (verdere) beoordeling van het geschil

1. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen en beslist (rechtsoverweging 4.4) dat voldoende is komen vast te staan dat de verzekeraar een deel van de schade heeft vergoed aan Aust + Smok en dat gelet daarop laatstgenoemde in ieder geval gerechtigd is in deze procedure namens de verzekeraar - die, zo is onbestreden, in het recht van verhaal is gesubrogeerd - de door de verzekeraar uitgekeerde schade te vorderen.

[gedaagde] is het met deze beslissing kennelijk niet eens.

2. In bepaalde gevallen waarin de zonder voorbehoud gegeven beslissing, zoals hier aan de orde, berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is de rechter op grond van de eisen van een goede procesorde bevoegd de eindbeslissing te heroverwegen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553). [gedaagde] heeft ook nu niet weersproken dat de verzekeraar een deel van de schade aan Aust + Smok heeft vergoed. Zij heeft slechts, met het aangeven van een aantal veronderstellingen de “vorderingsgerechtigdheid” van de verzekeraar betwist. Dat is tegenover de vaststaande uitkering van de verzekeraar aan Aust + Smok onvoldoende voor een heroverweging als vorenbedoeld. Gebleven wordt dan ook bij hetgeen eerder is overwogen en beslist.

Verjaring

3. In het laatste tussenvonnis is partijen verzocht zich erover uit te laten of tussen hen in geschil is of de verjaring al dan niet door Aust + Smok is gestuit.

4. Aust + Smok heeft aangevoerd dat de in het laatste tussenvonnis onder 2.10 genoemde brieven die mr. Bienfait (op 19 februari 2008, 29 mei 2008 en 16 juli 2008) namens “den Eigner und die Versicherer vom Tms Minor” aan [gedaagde] heeft geschreven, zijn te beschouwen als stuitingsbrieven namens Aust + Smok, omdat laatstgenoemde als economisch eigenaar (“Ausrüster”) het schip exploiteerde en als zodanig onder het begrip “Eigner” valt, zodat met de genoemde stuitingsbrieven onmiskenbaar is aangegeven dat (ook) Aust+Smok de verjaring hebben gestuit. Ter staving daarvan heeft Aust + Smok overgelegd het commentaar op de paragrafen 1 en 2 van het Binnenschiffahrtsgesetz (hierna BSG) door [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

[gedaagde] heeft betwist dat de verjaring door de genoemde brieven is gestuit. Volgens haar is Aust + Smok niet te beschouwen als de “Eigner” van het schip.

5. Ingevolge het hier toepasselijke artikel 7 lid 1 van het Verdrag tot vaststelling van enige eenvormige regelen inzake aanvaring in de binnenvaart, verjaart de onderhavige rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van twee jaren, te rekenen van de dag van het voorval. In lid 3 van dat artikel staat onder meer dat de stuiting van deze verjaring wordt beheerst door de bepalingen van de wet van het gerecht waar de vordering aanhangig is gemaakt. Dat betekent in dit geval dat de vraag of de verjaring is gestuit moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 3:317 lid 1 BW.

6. [gedaagde] heeft op zichzelf niet betwist dat de hiervoor genoemde brieven van 19 februari 2008, 29 mei 2008 en 16 juli 2008 voldoen aan het bepaalde in laatstgenoemd artikellid in die zin, dat zij zijn te beschouwen als een schriftelijke mededeling waarin het recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding door de “Eigner” ondubbelzinnig wordt voorbehouden. [gedaagde] heeft slechts opgeworpen dat “de nodige ondubbelzinnigheid ontbreekt voor zover eiser in de overgelegde brieven melding ervan maakt dat wordt gevorderd namens de Eigner”. Volgens [gedaagde] wordt met Schiffseigner alleen aangeduid de eigenaar van het schip die het schip zelf exploiteert en niet tevens de Ausrüster.

Aan de orde is dus slechts de vraag of de voornoemde stuitingsbrieven (mede) namens Aust+ Smok zijn geschreven, wat er op neerkomt dat moet worden beoordeeld of Aust + Smok is te beschouwen als “Eigner” van het schip.

7. Volgens §1 van het BSG wordt onder Schiffseigner verstaan de eigenaar van het binnenvaartschip die dat schip zelf exploiteert. Wie het schip als niet-eigenaar exploiteert is “Ausrüster” van het schip. Daarover gaat § 2 lid 1 . Daarin staat dat degene die een hem niet in eigendom toebehorend binnenvaartschip zelf “führt”, of dat aan een schipper overlaat, tegenover derden als Schiffseigner in de zin van deze wet wordt beschouwd.

Dat betreft volgens het commentaar van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op § 2 een uitbreiding van het begrip Schiffseigner. Zij hebben daarover onder meer geschreven:

“§ 2 erweitert den Schiffseignerbegriff des §1 (…) und damit insbesondere den Kreis derjenigen, die Dritten gegenüber adjektizisch nach § 3 haften (…). Der Verwender eines Binnenschiffes, der dieses im eigenen Namen einsetzt, hat also für Forderungen aus dem Schiffsbetrieb grundsätzlich auch dann geradezustehen, wenn ihm dieses Schiff nicht gehört

(…)

Derjenige, der auf der Basis interner Abreden mit dem Eigentümer ein Binnenschiff betreibt und somit den Nutzen daraus zieht, soll sich gegen ihn erhobenen (Schadenersatz-)Forderungen nicht dadurch entziehen können, dass er auf die sachenrechtliche Lage (kein Eigentum) verweist. Umgekehrt verlagert derjenige Schiffseigentümer, der sein Schiff an einen Ausrüster verchartet oder anderweitig dessen Verwendungsmöglichkeit sicherstellt, die Haftung aus dem Schiffsbetrieb auf den Ausrüster”.

8. In het laatste tussenvonnis is, in rechtsoverweging 4.5, overwogen dat Aust + Smok het schip de Minor ten tijde van de aanvaring in de nacht van 11 op 12 januari 2008 voor eigen rekening en risico exploiteerde. Ervan uitgaande dat Aust + Smok op dat moment niet de eigenaar van het schip was - de daarvoor vereiste inschrijving van de eigendom van Aust + Smok in het scheepvaartregister had (nog) niet plaatsgevonden - geldt dat Aust + Smok moeten worden beschouwd als “Äusrüster” in de zin van § 2 BSG. Volgens de wet is Aust + Smok dan, zo volgt uit het voorgaande, tegenover derden te beschouwen als Schiffseigner.

9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende conclusie. [gedaagde] moest de onder 6 bedoelde brieven opvatten als aanmaningen van de Eigner. In deze procedure is komen vast te staan dat Aust + Smok toen Eigner was, terwijl in het tussenvonnis van 16 februari 2011 al is beslist dat Aust + Smok een vorderingsrecht hebben en dus schuldeiser zijn. Dat betekent dat Aust + Smok de verjaring van haar vordering rechtsgeldig en tijdig heeft gestuit.

10. Wat betreft de door Aust + Smok namens de verzekeraar ingestelde vordering (rechtsoverweging 4.4. van het laatste tussenvonnis) heeft [gedaagde] opgeworpen, dat de verzekeraar pas bij brief van mr. Bienfait aan [gedaagde] d.d.12 april 2010 een vordering heeft aangekondigd, dat die brief is gezonden naar het verkeerde adres en dat op dat moment bovendien de vordering al was verjaard.

Daarin kan de rechtbank [gedaagde] niet volgen. Mr. Bienfait heeft in zijn eerdere brieven aan [gedaagde] van 19 februari 2008, 29 mei 2008 en 16 juli 2008 al geschreven dat hij tevens optreedt namens de verzekeraar. In die brieven is de vordering gespecificeerd en is, zoals overwogen, het recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding ondubbelzinnig voorbehouden, ook namens de verzekeraar. Ook wat betreft dit deel van de vordering is de verjaring dus tijdig gestuit.

Aansprakelijkheid

11. Volgens Aust + Smok is de schade veroorzaakt door de schuld van de Clingenburg zodat de eigenaar van dat schip verplicht is de schade te vergoeden (artikel 8:1005 BW). Die schuld bestaat volgens Aust + Smok uit handelen in strijd met de artikelen 6.13 en 6.14

RPR. In die bepalingen staat voor zover van belang:

6.13

keren

1. Een schip mag slechts keren nadat het zich er van heeft vergewist dat, het tweede en derde lid in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen. (…)

6.14

gedrag bij vertrek

Artikel 6.13 is eveneens van toepassing op een schip, met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. (…)

12. Aan haar stelling legt Aust + Smok de navolgende ongevalstoedracht ten grondslag: De vier op een rij gelegen schepen werden die dag rond 05.00 uur losgemaakt. De Minor gaf de Belvedere en de Navex de ruimte door, bakboord roer gevend, achteruit te varen, waardoor het schip een lichte draai maakte met het achterschip naar het noorden met de bedoeling om daarna met stuurboord roer en vermogen vooruit te geven en het schip richting havenmond te brengen, achter de Belvedere en de Navex aan om zo de haven te verlaten. Toen de roeren van de Minor van stuurboord naar bakboord werden bewogen om de Minor naar de havenmonding te sturen voer de Clingenburg plotseling, zonder waarschuwing of geluidssignaal, van de steiger en kwam daarbij snel achteruit, waarbij de achterzijde van de Clingenburg ongeveer een scheepslengte tot de voorsteven van de Minor bedroeg. Smok heeft tevergeefs getracht met een marifoon met de Clingenburg te communiceren. De Clingenburg heeft met de stuurboord achtersteven de bakboord voorsteven van de Minor geraakt, waardoor de Minor in achteruit werd gezet. De Minor had geen vaart vooruit op het moment van de aanvaring en na de eerste aanraking schoof de Clingenburg verder langs de Minor en raakte haar nogmaals. De Minor raakte met haar achterzijde de grond met haar roer waardoor de twee roerbladen die achter het schip uitsteken onherstelbaar zijn beschadigd.

13. [gedaagde] heeft die ongevalstoedracht bestreden. Volgens haar is het als volgt gegaan: De Belvedere en de Navex voeren achteruit om vervolgens over bakboord richting de havenuitvaart te varen, langs het achterschip van de Clingenburg. De Minor voer achteruit, verder de overnachtingshaven in. Nadat de Belvedere en de Navex het achterschip van de Clingenburg waren gepasseerd, gooide [schipper] jr. het schip los. De Minor kwam toen langszij de stuurboordzijde van de Clingenburg en de matroos op de Minor stond aan dek met een touw in zijn handen om de Minor aan de Clingenburg vast te maken. [schipper] sr. gaf daarop [schipper] jr. de instructie aan die matroos kenbaar te maken dat de Clingenburg wilde vertrekken. Daarop staakte de matroos van de Minor de poging om vast te maken en voer de Minor weer achteruit de overnachtingshaven in. Dit gebeurde met een, onder die omstandigheden, veel te hoge snelheid. [schipper] sr. startte daarop de hoofdmotor en voer langzaam – met ongeveer 1 à 2 km per uur – achteruit. [schipper] jr. liep naar het voorschip om te zien wanneer het vrij zou komen om vervolgens over bakboord de haven uit te varen. De bakboordzijde van de Clingenburg was nog naast de steiger toen de Minor plotseling met hoge snelheid achter de Clingenburg probeerde de haven uit te varen. [schipper] sr. en jr. waren door deze manoeuvre verrast, zij gingen er op grond van het vertoonde gedrag vanuit dat de Minor weer wilde afmeren. De Minor voer vervolgens met het bakboordvoorschip tegen de stuurboordzijde van het achterschip van de Clingenburg. Na de aanvaring was de Minor nog in beweging vooruit en de scheepskop van de Minor bereikte de hoogte van het midden van de Clingenburg. Gelet op de ronde vorm van het voorschip van de Minor en het ronde achterschip van de Clingenburg is het niet mogelijk dat de Clingenburg de Minor naar achteren kan doen bewegen. Met het oog op de lengte van de Clingenburg is het onwaarschijnlijk dat de Minor met haar roerwerk aan de overkant van de havendam terecht is gekomen.

14. Volgens Aust + Smok had de Clingenburg haar vertrekmanoeuvre niet mogen uitvoeren zonder zich ervan te vergewissen dat deze geen gevaar opleverde voor de Minor. Dat heeft zij nagelaten. Gezien de beperkte ruimte in de haven had zij moeten wachten tot de al eerder van de steiger vertrokken Minor was gepasseerd of had zij met de Minor duidelijke afspraken moeten maken. [gedaagde] stelt zich daartegenover op het standpunt dat de Minor het gedrag vertoonde alsof zij in de haven wilde blijven. Het had op haar weg gelegen om, wanneer zij de haven toch wilde uitvaren, dit via de marifoon of door geluidssein duidelijk te maken. De gezagvoerder van de Minor heeft dan ook artikel 6.14 RPR overtreden door plotsklaps en in tegenstelling tot het vertoonde gedrag zonder voorafgaande mededeling aan gezagvoerder [schipper] de haven uit te varen. Daarnaast voer de Minor met een veel te hoge snelheid en heeft zij daarmee gehandeld in strijd met artikel 1.04 RPR.

15. Wanneer zou worden uitgegaan van de door Aust + Smok beschreven toedracht, zou sprake kunnen zijn van handelen in strijd met artikel 6.13 en 6.14 RPR. [gedaagde] heeft die gestelde toedracht echter gemotiveerd bestreden en wanneer die betwisting terecht blijkt, zou van een door Aust + Smok ingezette koers richting havenmond mogelijk (nog) geen sprake zijn op het moment dat de Clingenburg de manoeuvre om in de richting van de havenmond te koersen inzette. Op Aust + Smok rust op grond van artikel 150 Rv de bewijslast van de feiten die zij ten grondslag legt aan de door haar gestelde overtreding van de artikel 6.13 en 6.14 RPR. Zij zal tot die bewijslevering worden toegelaten en in dat verband dus dienen te bewijzen dat zij de koers richting havenmond reeds had ingezet op het moment dat de Clingenburg aan zijn manoeuvre begon.

Schade

16. Vooruitlopend op het voorgaande overweegt de rechtbank aangaande de gevorderde schade als volgt. [gedaagde] heeft onder verwijzing naar de door haar beschreven ongevalstoedracht bestreden dat de schade aan de scheepsroeren het gevolg is van de aanvaring op 12 januari 2008. De Clingenburg heeft de Minor immers niet naar achteren geschoven zodat de Minor niet met haar roerwerk in de havendam aan de grond is terechtgekomen. Na de aanvaring kon de Minor ook op eigen kracht naar de steiger varen. [gedaagde] betwist kortom het causaal verband tussen de aanvaring en de schade aan het roer.

17. Aust + Smok hebben gewezen op het feit dat Smok direct na de aanvaring de roeren niet kon bewegen, dat de politie in het proces-verbaal ook heeft genoteerd dat de roerbladen zijn verbogen, dat vervolgens duikers ter plaatse zijn gekomen om een noodreparatie uit te voeren en dat beide experts in een gezamenlijk bericht rapporteren over schade aan de roerkoningen en roerbladen.

18. Met de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] dat de Minor door de Clingenburg naar achteren is geschoven en met haar roerwerk in de havendam aan de grond is terechtgekomen, kan vooralsnog nog niet worden vastgesteld dat de schade aan het roer het gevolg is van de aanvaring. Dat beide experts rapporteren over schade aan de roerkoningen en roerbladen is daartoe op zichzelf ook niet voldoende. De rechtbank wijst in dat verband op de opmerking van de expert van de Clingenburg in de Schadentaxe (onderaan in dat rapport) dat de schade aan het roer volgens hem niet door de aanvaring met de Clingenburg kan zijn veroorzaakt. Daarbij komt dat dat rapport vooral betrekking heeft op de omvang van de schade maar niet zozeer op de oorzaak daarvan. Gelet op de gemotiveerde betwisting

door [gedaagde] zal Aust + Smok worden toegelaten tot het bewijs van de stelling dat de schade aan het roer het gevolg is van de aanvaring met de Clingenburg, hetgeen vooral zal neerkomen op bewijs van de stelling dat de Minor door de aanvaring met de Clingenburg naar achteren is geschoven en met haar roerwerk (in de havendam) de grond heeft geraakt. Om proceseconomische redenen zal Aust + Smok reeds thans tot die bewijslevering worden toegelaten.

19. Aust + Smok hebben niet bestreden dat op de gevorderde roerschade nog € 1.500,-- in mindering moet worden gebracht wegens aftrek nieuw voor oud. De gevorderde schadevergoeding zal, zo daaraan wordt toegekomen, te zijner tijd met dat bedrag worden verminderd.

20. [gedaagde] heeft niet bestreden dat de schade aan de kop van de Minor het gevolg is van de aanvaring zodat daarvan zal worden uitgegaan.

21. Iedere verdere beslissing, waaronder over de overige schadeposten en het beroep van [gedaagde] op verrekening, wordt aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

laat Aust + Smok toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de gestelde overtreding van de artikelen 6.13 en 6.14 Rijnvaartpolitiereglement,

laat Aust + Smok toe tot het bewijs dat de Minor door de aanvaring met de Clingenburg naar achteren is geschoven en met haar roerwerk (in de havendam) de grond heeft geraakt;

bepaalt dat de zaak weer op de rol van 15 juni 2011 zal komen voor uitlating door Aust + Smok of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat Aust + Smok, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

bepaalt dat Aust + Smok, indien zij getuigen wil laten horen, de verhinderdagen van de getuigen, de partijen en hun advocaten in de maanden juli tot en met oktober 2011 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.

Coll.: ED