Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9277

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10/4263, 10/4265 en 10/4266
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering reguliere bouwvergunningen eerste fase.

Het met het bouwplan beoogde gebruik is naar het oordeel van de rechtbank, ook als de van toepassing zijnde planvoorschriften naar hedendaagse maatstaven worden geïnterpreteerd, niet verenigbaar met die planvoorschriften. De planvoorschriften stellen aan bebouwing als voorwaarde dat sprake is van een vorm van onzelfstandige bewoning met een zorgcomponent. Daarvan is in de voorliggende procedure naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het bouwplan laat de mogelijkheid open dat de op te richten woningen als zelfstandige woningen worden gebruikt en als zodanig worden overgedragen.

Bovendien is de rechtbank ten aanzien van de koopappartementen van oordeel dat geen sprake is van het oprichten van gebouwen uitsluitend ten behoeve van de stichting, zoals de planvoorschriften vereisen. Door de verkoop van de appartementen wordt de in de planvoorschriften vereiste band tussen de stichting en de op te richten woningen worden verbroken en zijn de verkochte woningen niet langer uitsluitend ten behoeve van de stichting aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de door eiseres gevraagde bouwvergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 10/4263, 10/4265 en 10/4266

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 juni 2011.

inzake

[Stichting], eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 12 oktober 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woonzorgcomplex met ondergrondse garage (18 appartementen, 1 groepswoning en zorgondersteuning) op het perceel kadastraal bekend [aanduiding] (Blok 1) geweigerd.

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woonzorgcomplex met ondergrondse garage (21 appartementen en zorgondersteuning) op het perceel kadastraal bekend [aanduiding] (Blok 2) geweigerd.

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woonzorgcomplex met ondergrondse garage (10 appartementen, 2 logeerkamers en zorgondersteuning) op het perceel kadastraal bekend [aanduiding] (Blok 3) geweigerd.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 april 2011. Namens eiseres zijn aldaar verschenen [naam] en mr. D.H. Nas. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B.W. ter Steege en mr. drs. C. Camman-Slotboom.

3. Overwegingen

De aanvraag om bouwvergunning is ontvangen vóór 1 juli 2008, zodat daarop ingevolge de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening het daarvóór geldende recht van toepassing is.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, in samenhang met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, mag een bouwvergunning eerste fase slechts, en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening of met het bestemmingsplan, of indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Plan van Uitbreiding, regelende de bestemming in hoofdzaak van de gronden in het landelijke gebied der Gemeente Groesbeek’ uit 1954 valt en de bestemming ‘C’ heeft.

De bouwplannen zien op de realisatie van een woonzorgcomplex in Heilig Landstichting.

Verweerder heeft de aangevraagde bouwvergunningen geweigerd op grond van strijdigheid met de planvoorschriften van het van toepassing zijnde bestemmingsplan, vanwege het niet verleend zijn van de voor het bouwplan vereiste monumentenvergunningen en vanwege de negatieve welstandsadviezen (bouwblok 1 en 3).

Namens eiseres is, kort samengevat, aangevoerd dat de aangevraagde bouwvergunningen niet in strijd zijn met de ter plaatse van toepassing zijnde planvoorschriften. Voorts stelt eiser dat verweerder voor de bouwblokken 1 en 3 ten onrechte de negatieve welstandsadviezen als weigeringsgrond heeft gebruikt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het van toepassing zijnde bestemmingsplan rust op het in geding zijnde perceel de bestemming ‘C’. De bestemming ‘C’ betreft: ‘Grond bestemd voor stichtingen met niet-commerciële doeleinden als sanatoria, rusthuizen e.d., waarop uitsluitend gebouwen ten behoeve van de stichting mogen worden opgericht (...).

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de te bouwen woonzorgcomplexen bestaan uit koopappartementen met daarbij ruimten waarin zorgverleners zich kunnen vestigen om zorg te bieden aan de bewoners. Het aldus met het bouwplan beoogde gebruik is naar het oordeel van de rechtbank, ook als de van toepassing zijnde planvoorschriften naar hedendaagse maatstaven worden geïnterpreteerd, niet verenigbaar met die planvoorschriften. De planvoorschriften stellen aan bebouwing als voorwaarde dat sprake is van een vorm van onzelfstandige bewoning met een zorgcomponent. Daarvan is in de voorliggende procedure naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het bouwplan laat de mogelijkheid open dat de op te richten woningen als zelfstandige woningen worden gebruikt en als zodanig worden overgedragen. Voor een ruime interpretatie van de planvoorschriften in die zin dat ook zelfstandige bewoning van appartementen binnen de definitiebepaling valt, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat namens eiseres ter zitting is betoogd dat de Vereniging van eigenaren van de betreffende appartementen statutair zal opnemen dat er een restrictie geldt die bepaalt dat bewoning van de appartementen alleen mogelijk is bij een leeftijd van 55 jaar en hoger en ingeval van een zorgvraag voor iemand die jonger is dan 55 jaar, maakt het voorgaande niet anders. Ook de stelling van eiseres dat bewoners van de appartementen zorg kunnen inkopen binnen het complex maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bouwplan past binnen de planvoorschriften. Het afnemen van zorg is immers niet onlosmakelijk verbonden met de bewoning van de te bouwen appartementen.

Bovendien is de rechtbank ten aanzien van de koopappartementen van oordeel dat geen sprake is van het oprichten van gebouwen uitsluitend ten behoeve van de stichting, zoals de planvoorschriften vereisen. Door de verkoop van de appartementen wordt de in de planvoorschriften vereiste band tussen de stichting en de op te richten woningen worden verbroken en zijn de verkochte woningen niet langer uitsluitend ten behoeve van de stichting aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de door eiseres gevraagde bouwvergunning op grond van artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. E. Horsthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 juni 2011.