Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9276

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10-1972
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW8148, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering als vergoeding voor de excessieve kosten van een archeologische opgraving.

Niet is gebleken dat aan de voor het project verleende bouwvergunningen de verplichting is verbonden voor vergunninghouder tot het doen van opgravingen, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. Dat brengt met zich dat verweerder de bevoegdheid ontbeerde om de aanvraag in te willigen. Geen strijd met het legaliteitsbeginsel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van artikel 34a van de Monumentenwet 1988. De omstandigheid dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 geen overgangsrecht kent, betekent dat het bepaalde in genoemd artikel direct in werking is getreden. Geen sprake van strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Wet op de archeologische monumentenzorg dateert van 31 december 2006 en deze op 6 januari 2007 in Staatsblad 2007, 42 is gepubliceerd. Bovendien acht de rechtbank van belang dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 pas in werking is getreden op 1 januari 2008, terwijl de overige onderdelen van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), waaronder genoemd artikel valt, per 1 september 2007 in werking zijn getreden. De wetgever heeft met deze vertraagde inwerkingtreding van artikel 34a Monumentenwet 1988 nadrukkelijk aan de uitvoeringspraktijk de mogelijkheid willen bieden om te anticiperen op de nieuwe wetgeving.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 34a
Wet op de archeologische monumentenzorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1972

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 juni 2011.

inzake

het college van Burgemeester en Wethouders van Rijnwaarden, eiser,

gevestigd te Tolkamer, vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters,

tegen

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 april 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2009 heeft verweerder de door eiser aangevraagde uitkering als vergoeding voor de excessieve kosten van een archeologische opgraving bij het project De Pannerd, te Pannerden, afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 13 mei 2011. Namens eiser is aldaar J. Bosch verschenen, bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K. el Addouti.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat luidt vanaf 1 januari 2008, kan de minister, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor de bestrijding van de kosten van het doen van opgravingen, voor zover die kosten in redelijkheid niet volledig ten laste dienen te komen van:

a. degene die tot het doen van opgravingen is verplicht;

b. de gemeente waarvan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders tot het doen van de opgravingen heeft onderscheidenlijk hebben verplicht; (...)

Namens eiser is op 10 september 2009 een aanvraag om vergoeding voor de excessieve kosten van een archeologische opgraving bij het project De Pannerd ingediend. De kosten hebben betrekking op opgravingen die plaats hebben gevonden naar aanleiding van de realisatie van een woonzorgcomplex in de kern van Pannerden, met daaronder de realisatie van een parkeergarage.

Verweerder heeft, kort samengevat, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de aangevraagde uitkering niet is verleend omdat een besluit waarin de verplichting tot het uitvoeren van archeologische opgravingen is opgelegd, ontbreekt.

Namens eiser is, kort samengevat, aangevoerd dat wel degelijk sprake is van een verplichting tot het uitvoeren van opgravingen. Deze verplichting volgt naar het oordeel van eiser uit het vrijstellingsbesluit, in het bijzonder uit de ruimtelijke onderbouwing van dat besluit. Daarnaast heeft eiser verwezen naar het ontwerpbestemmingsplan De Pannerd waarop met het vrijstellingsbesluit is geanticipeerd. Tevens heeft eiser aangevoerd dat artikel 10 van het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) geen weigeringsgrond bevat die ziet op het ontbreken van een verplichting tot het doen van opgravingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet is gebleken dat aan de voor het project verleende bouwvergunningen de verplichting is verbonden voor vergunninghouder tot het doen van opgravingen, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. Dat brengt met zich dat verweerder de bevoegdheid ontbeerde om de aanvraag in te willigen. De rechtbank vat het weigeringsbesluit op als de ontkenning door verweerder dat hij ter zake die bevoegdheid bezat, zodat de aanvraag moest worden afgewezen. Voor het aannemen van een zodanige verplichting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat die zou kunnen worden gelezen, wat daarvan in het onderhavige geval ook zij, in de ruimtelijke onderbouwing bij de verleende vrijstelling en het ontwerpbestemmingsplan.

Van strijd met het door eiser aangevoerde legaliteitsbeginsel is geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van artikel 34a van de Monumentenwet 1988. De omstandigheid dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 geen overgangsrecht kent, betekent dat het bepaalde in genoemd artikel direct in werking is getreden. Evenmin is sprake van strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Wet op de archeologische monumentenzorg dateert van 31 december 2006 en deze op 6 januari 2007 in Staatsblad 2007, 42 is gepubliceerd. Bovendien acht de rechtbank van belang dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988 pas in werking is getreden op 1 januari 2008, terwijl de overige onderdelen van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), waaronder genoemd artikel valt, per 1 september 2007 in werking zijn getreden. De wetgever heeft met deze vertraagde inwerkingtreding van artikel 34a Monumentenwet 1988 nadrukkelijk aan de uitvoeringspraktijk de mogelijkheid willen bieden om te anticiperen op de nieuwe wetgeving. Daartoe is in de Nota van toelichting bij het besluit van 21 augustus 2007 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg en het Besluit archeologische monumentenzorg (Staatsblad 2007, 293, p.3), aangegeven dat ter voorkoming van verwarring bij de aanvragers van een uitkering en ter voorbereiding op het nieuwe wettelijke regime, besloten is de oude wettelijke regeling te laten gelden tot en met 31 december 2007 en te bevorderen dat artikel 34a van de Monumentenwet 1988, per 1 januari 2008 in werking treedt. De omstandigheid dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de tot dat moment van toepassing zijnde Regeling specifieke uitkeringen excessieve opgravingskosten en evenmin een verplichting heeft gecreëerd krachtens artikel 34a van de Monumentenwet 1988, als bovenbedoeld, moet voor zijn rekening blijven.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Horsthuis, voorzitter, en mr. L. van Gijn en

mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 23 juni 2011.