Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ8649

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
203408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft een dwangbevel aan eiseres laten betekenen en bevel gedaan tot betaling van een dwangsom. Eieseres heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het door haar ingestelde verzet gegrond zal verklaren.

Sinds 1 juli 2009 is in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel nog de oude wet van toepassing. De overtreding die heeft geleid tot het opleggen van een dwangsom dateert immers van 17 juni 2008, derhalve van voor de inwerkingstreding van het nieuwe stelsel (artikel IV van de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, Stb. 265).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 203408 / HA ZA 10-1463

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in het verzet,

advocaat mr. J.A.P.M. van Dal te Arnhem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend te Arnhem,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. H.A. Bijkerk te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2011.

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 13 december 2007 heeft de gemeente op aanvraag van 9 november 2007 een vergunning aan [eiseres] verleend voor het bouwen van een paardenstal op het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [ ] (zaaknummer 2007-11-00945). Uit die vergunning wordt geciteerd:

(...)

overwegende dat (...) blijkens de op 1 december 2007 nader overgelegde tekeningen de aanvrager het bouwplan heeft aangepast overeenkomstig de voorwaarde(n) in het welstandsadvies;

(...)

BESLUITEN:

I. de gevraagde bouwvergunning te verlenen overeenkomstig de ingezonden en nader overgelegde tekeningen d.d. 9 november en 1 december 2007;

II. (...)

2.2. Bij brieven van 2 juli 2008, 3 februari 2009 en 20 of 28 juli 2009 heeft de gemeente [eiseres] aangeschreven op het adres [adres 2], waar [eiseres] toen niet stond ingeschreven.

2.3. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft de gemeente [eiseres] aangeschreven op het juiste adres [adres 3]. Uit die brief wordt geciteerd:

In de brief van 2 juli 2008 hebben wij u in kennis gesteld dat de afdeling Handhaving van de dienst Stadsbeheer, heeft geconstateerd dat door u of namens u als huurder / gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [ ], op dit perceel een paardenstal is gebouwd in afwijking van de daarvoor afgegeven bouwvergunning. Bij deze brief heeft u een conceptaanschrijving ontvangen.

(...) Bij brief van 7 juli 2008 heeft u een zienswijze ingediend.

(...) Uw op- en aanmerkingen zijn voor ons aanleiding gweest om de motivering van deze aanschrijving bij te stellen. (...)

Constatering

De afdeling Handhaving van de dienst Stadsbeheer heeft geconstateerd dat door u of namens u als huurder / gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [ ], op dit perceel een paardenstal is gebouwd in afwijking van de daarvoor afgegeven bouwvergunning. In de bijlage treft u kopieën van foto’s van de gerealiseerde paardenstal.

Bouwvergunningplicht

Hiervoor is weliswaar bouwvergunning verleend, maar wij hebben geconstateerd dat u bent afgeweken van de daarvoor verleende vergunning, zodat u hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 40, eerste lid aanhef en onder a, van de Woningwet. De paardenstal is niet gebouwd conform de nader overgelegde bouwtekening van 1 december 2007, die onderdeel uitmaakt van de aan u verleende bouwvergunning op 13 december 2007 met zaaknummer 2007-11-00945.

(...)

Aanschrijving

Gelet op het voorgaande schrijven wij u aan de paardenstal, die door of namens u op het perceel Wagnerlaan, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [ ], is gebouwd:

- conform de op 13 december 2007 verleende bouwvergunning met zaaknummer 2007-11-00945, in het bijzonder de bouwtekening van 1 december 2007, te bouwen of

- te verwijderen en verwijderd te houden.

Het één en ander binnen een termijn van 6 weken na de dag van verzending van deze aanschrijving.

Gelet op artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht waarschuwen wij u, dat u een dwangsom moet betalen wanneer niet tijdig aan deze lastgeving wordt voldaan. De dwangsom hebben wij bepaald op € 4000,- ineens.

(...)

Intrekking besluit 3 februari 2009

Bij besluit van 3 februari 2009 hebben wij reeds een last onder dwangsom opgelegd overeenkomstig onderhavig besluit. Dit besluit hebben wij verzonden naar het adres [adres 2] te [woonplaats]. (...) Omdat u de aanschrijving van 3 februari 2009 niet heeft ontvangen en wij het besluit niet naar uw huidige woonadres hebben verzonden, trekken wij het besluit van 3 februari 2009 alsnog in. De inningsbrief van 20 juli 2009 kunt u als niet verzonden beschouwen. Onze excuses voor het ongemak.

Rechtsmiddelen

Tegen deze aanschrijving kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, Postbus 9200, 6800 HA Arnhem.

(...)

2.4. Op 27 mei 2010 heeft de gemeente een dwangbevel uitgevaardigd. Daaruit wordt geciteerd:

(…) dat op 17 juni 2008 is geconstateerd dat door of namens mevrouw [eiseres], wonende te [woonplaats], aan de [adres 3], als huurder/gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [ ] een paardenstal is gebouwd, dat hiervoor weliswaar bouwvergunning is verleend, maar dat wij hebben geconstateerd dat zij afgeweken is van de daarvoor verleende vergunning;

dat de paardenstal niet is gebouwd conform de nader overgelegde bouwtekening van 1 december 2007, die onderdeel uitmaakt van de aan mevrouw [eiseres] verleende bouwvergunning op 13 december 2007 met zaaknummer 2007-11-00945;

dat het hier de volgende afwijkingen betreft:

(...)

dat er geen concreet zicht bestaat op legalisatie van de overtreding en dat wij dan ook bij vooraankondiging van 2 juli 2008 mevrouw [eiseres] kenbaar hebben gemaakt dat wij voornemens zijn handhavend te gaan optreden;

dat wij overeenkomstig artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht mevrouw [eiseres] in de gelegenheid hebben gesteld haar zienswijze op ons voornemen kenbaar te maken, dat zij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, doch dat wij hierin geen aanleiding zien ons standpunt in deze te wijzigen;

dat wij dan ook bij dwangsombeschikking van 3 augustus 2009, verzonden 3 augustus 2009, mevrouw [eiseres] hebben aangeschreven binnen zes weken na 3 augustus 2009 de paardenstal, die door of namens haar op het perceel [adres] te [woonplaats] (...) is gebouwd:

- conform de op 13 december 2007 verleende bouwvergunning met zaaknummer 2007-11-00945, in het bijzonder de bouwtekening van 1 december 2007, te bouwen of

- te verwijderen en verwijderd te houden;

dat wij bij gemelde beschikking mevrouw [eiseres], gelet op artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (oud)), hebben aangezegd dat zij een dwangsom moet betalen wanneer niet tijdig door haar aan deze lastgeving wordt voldaan en dat deze is bepaald op € 4000,- ineens;

2.5. De gemeente heeft dit dwangbevel van 27 mei 2010 bij exploot van 2 juni 2010 aan [eiseres] laten betekenen en bevel gedaan tot betaling van een dwangsom van € 4.000,-, rente van € 86,36 en invorderingskosten van € 654,50.

3. Het geschil en de beoordeling

de vordering

3.1. [eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I het door haar ingestelde verzet gegrond zal verklaren;

II het dwangbevel van 27 mei 2009 [de rechtbank leest: 2010] zal vernietigen dan wel buiten effect zal stellen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de gemeente zal afwijzen dan wel zal ontzeggen;

III bij toewijzing van de dwangsom deze aanzienlijk zal matigen;

IV voor recht zal verklaren dat de tweede bouwtekening van 1 december 2007 zonder instemming van [eiseres] is ingediend bij de gemeente;

V (in de dagvaarding per abuis genummerd: IV) zal bepalen dat de gemeente de naam en het (kantoor)adres van de architect van de bouwplannen van 6 november en 1 december 2007 zal vrijgeven onder oplegging van een dwangsom;

VI (in de dagvaarding per abuis genummerd: V) de gemeente zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

overgangsrecht

3.2. Sinds 1 juli 2009 is in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel nog de oude wet van toepassing. De overtreding die heeft geleid tot het opleggen van een dwangsom dateert immers van 17 juni 2008, derhalve van voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel (artikel IV van de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, Stb. 265).

ontvankelijkheid

3.3. [eiseres] heeft bij dagvaarding van 12 juli 2010 verzet aangetekend tegen het op 2 juni 2010 betekende dwangbevel van 27 mei 2010. Dat verzet is dus gedaan binnen de termijn van zes weken die wordt gesteld in artikel 5:26 lid 3 Awb (oud). [eiseres] kan daarom in het verzet worden ontvangen.

adressering van de brieven van de gemeente

3.4. [eiseres] heeft betoogd dat de gemeente de (aanmanings)brieven (van 2 juli 2008, 3 februari 2009 en 20 of 28 juli 2009) naar een verkeerd adres heeft gestuurd ([adres 2] in plaats van [adres 3]). Volgens [eiseres] heeft zij daardoor niet goed en niet tijdig bezwaar en beroep kunnen aantekenen.

3.5. Daarover wordt als volgt overwogen. De gemeente heeft op 3 augustus 2009 een nieuw dwangsombesluit genomen. Zij heeft [eiseres] daarvan bij brief van diezelfde datum kennisgegeven, waarbij zij het besluit van 3 februari 2009 heeft ingetrokken en [eiseres] in de gelegenheid heeft gesteld binnen zes weken na 3 augustus 2009 een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen tegen het nieuwe dwangsombesluit. De gemeente heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat [eiseres] tegen het nieuwe dwangsombesluit te laat bezwaar heeft gemaakt (namelijk bij brief van 27 september 2009, terwijl de termijn afliep op 14 september 2009). [eiseres] heeft daarop mogen motiveren waarom zij de termijn had overschreden. Vervolgens heeft de gemeente [eiseres] in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat in het dwangsombesluit van 3 augustus 2009 een rechtsmiddelenclausule staat vermeld, reden waarom het voor risico van [eiseres] dient te blijven dat zij het bezwaarschrift niet tijdig had ingediend. Volgens de gemeente heeft [eiseres] daartegen geen beroep meer ingesteld. Hoewel [eiseres] ter comparitie schriftelijke aantekeningen in het geding heeft gebracht (gehecht aan het proces-verbaal), heeft zij deze stellingen niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. De conclusie is dat het dwangsombesluit onherroepelijk is geworden en formele rechtskracht heeft gekregen. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van dat dwangsombesluit, zowel wat de inhoud als wat de wijze van totstandkoming betreft. Niet gesteld of gebleken is dat zich een situatie voordoet waarin een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht moet worden aangenomen. Dat de brieven van 2 juli 2008, 3 februari 2009 en 20 of 28 juli 2009 naar een verkeerd adres zijn gestuurd, is dus niet van belang.

de tekening van 1 december 2007

3.6. [eiseres] heeft voorts betoogd dat zij bij de aanvraag voor de bouwvergunning een tekening van 6 november 2007 heeft gevoegd, dat deze volgens haar buiten haar medeweten is vervangen door een tekening van 1 december 2007, en dat daarin het welzijn van de te stallen paarden is veronachtzaamd. De afgegeven vergunning verwijst naar de tekening van 1 december 2007 die [eiseres] niet kent. Zij is gaan bouwen op basis van de door haar aangeleverde tekening van 6 november 2007. [eiseres] stelt er belang bij te hebben dat zij kan bewijzen dat zij geen weet heeft gehad van de gewijzigde bouwtekening van 1 december 2007, waarbij zij betoogt dat de gemeente dient te bewijzen dat zij ([eiseres]) opdracht heeft gegeven voor het maken en indienen van de tekening van 1 december 2007.

3.7. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat zij heeft uit te gaan van de rechtmatigheid van het dwangsombesluit. Dit betekent dat zij geen oordeel kan geven over de vraag of de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat het gebouwde afwijkt van de volgens de gemeente door [eiseres] aan haar bouwaanvraag ten grondslag gelegde tekening. Of [eiseres] opdracht heeft gegeven voor het maken en indienen van de tekening van 1 december 2007 kan daarom niet bij de beoordeling van het onderhavige verzet worden betrokken, zodat ook de gegevens van de daarbij betrokken architect niet van belang zijn. Overigens zij vermeld dat het bouwwerk ook afwijkt van de tekening die volgens [eiseres] wel door haar aan haar bouwaanvraag ten grondslag was gelegd.

matiging dwangsom

3.8. [eiseres] heeft ten slotte gesteld dat de opgelegde dwangsom niet in verhouding staat tot de aan te brengen voorzieningen en ook niet in verhouding tot het gehele project. Aan deze stellingen wordt reeds voorbijgegaan omdat zij niet zijn toegelicht (dagvaarding onder 24).

slotsom en proceskosten

3.9. De slotsom is dat het verzet ongegrond is en dat ook de vorderingen van [eiseres] onder II tot en met V zullen worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart het verzet ongegrond,

4.2. wijst de vorderingen van [eiseres] af,

4.3. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 263,- aan vast recht en € 904,- aan salaris voor de advocaat,

4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.

coll.: CLB