Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ8301

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
206031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vorderingen. De gevraagde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvordering en zijn gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206031 / HA ZA 10-1894

Vonnis in incident van 1 juni 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. T.L. Claassens te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ICTRL HOLDING B.V.,

gevestigd te Culemborg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ICTRL-WORKS B.V.,

gevestigd te Culemborg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ICTRL LEARNING B.V.,

gevestigd te Culemborg,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COMTECHDDS B.V.,

gevestigd te Culemborg,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULTILINGUAL INFORMATION TECHNOLOGY B.V.,

gevestigd te Culemborg,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARVABA BEHEER B.V.,

gevestigd te Culemborg,

7. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. D.B. Muller te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser], iCtrl Holding, iCtrl-Works, iCtrl Learning, Comtech, MIT, Marvaba en [gedaagde sub 7] genoemd worden, terwijl de gedaagden ook tezamen als iCtrl Holding c.s. worden aangeduid.

1. De procedure in het incident

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening

- de incidentele conclusie van antwoord

- de op 18 april 2011 gehouden pleidooien.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vaststaande feiten voor zover van belang voor de beoordeling in het incident

2.1. [eiser] wordt op 1 januari 2008 managing director van Comtech op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Per 1 januari 2009 volgt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met ingang van diezelfde datum wordt hij benoemd tot bestuurder van iCtrl Holding, iCtrl-Works, iCtrl Learning en Comtech.

2.2. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 7] ontstaat een verschil van mening. [gedaagde sub 7] is bestuurder van Marvaba, die enig aandeelhouder en bestuurder van MIT is, welke op haar beurt de enig aandeelhouder en medebestuurder is van iCtrl Holding, de enig aandeelhouder en bestuurder van iCtrl-Works, iCtrl Learning en Comtech.

2.3. Bij brief van 17 augustus 2010 nodigt [gedaagde sub 7] namens iCtrl-Works, iCtrl Learning en Comtech [eiser] uit voor een gecombineerde Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders van iCtrl Works, iCtrl Learning en Comtech op 25 augustus 2010. De in de brief opgenomen agenda bevat onder meer als punt 2 ‘Het voornemen tot ontslag van de heer [ ] [eiser] als statutair bestuurder van ComtechDDS B.V., iCtrl-Works B.V. en iCtrl Learning B.V.’

2.4. De brief vervolgt met:

U wordt geadviseerd bij de aandeelhoudersvergadering aanwezig te zijn. Desgewenst kunt u zich deze vergadering laten bijstaan door een advocaat.

Op hetzelfde tijdstip vindt de algemene vergadering van aandeelhouders van iCtrl Holding B.V. plaats. Daarvoor bent u bij brief van 17 augustus 2010 opgeroepen.

2.5. Op dezelfde dag ontvangt [eiser] het besluit d.d. 16 augustus 2010 van de aandeelhouders iCtrl Holding om [eiser] met onmiddellijke ingang te schorsen als bestuurder van iCtrl Holding. Het besluit is ondertekend door [gedaagde sub 7]. Als reden vermeldt het besluit dat [eiser] als bestuurder van iCtrl Holding zijn taak grof heeft veronachtzaamd.

In het bijzonder heeft de heer [eiser] in strijd met het belang van de Vennootschap en haar aandeelhouder gehandeld alsmede het in hem gestelde vertrouwen ernstig geschonden door de Vennootschap en haar aandeelhouder niet uit zichzelf te melden dat hij voornemens was een bod voor een management buy-out uit te brengen en door vervolgens – zonder de Vennootschap en haar aandeelhouder te informeren – dat bod (toch) te doen, terwijl de Vennootschap en de aandeelhouder hem expliciet hadden laten weten dat zij het tot uitvoering brengen van zijn voornemen als een vijandige actie c.q. vijandig bod jegens hen zouden zien/zagen, één en ander terwijl er ook nog sprake is van een zuiver tegenstrijdig belang tussen de heer [eiser] en de Vennootschap. Daarnaast heeft de heer [eiser] zonder medeweten en/of toestemming van de Vennootschap vertrouwelijke gegevens van de Vennootschap aan derden openbaar gemaakt, alsmede de voor hem ingevolge artikel 14 van de arbeidsovereenkomst geldende geheimhoudingsplicht geschonden, hetgeen beide eveneens onacceptabel is.

2.6. Gelijke besluiten zijn op dezelfde datum genomen door Comtech, iCtrl-Works en iCtrl Learning.

2.7. Op 17 augustus 2010 deelt [gedaagde sub 7] aan [eiser] mee dat hij ook is geschorst als bestuurder van iCtrl-Works, iCtrl Learning en Comtech.

2.8. Op 17 augustus 2010 vergaderen het MT en de OR van iCtrl Holding met [gedaagde sub 7]. Laatstgenoemde deelt daar mee dat [eiser] hangende zijn ontslag geschorst is. De aandeelhoudersvergadering, zo blijkt uit de notulen, moet het ontslag nog goedkeuren. Als door [gedaagde sub 7] genoemde reden voor het ontslag wordt genoemd ‘het MBO bod dat door [[eiser]] is uitgebracht, en waarvan [[gedaagde sub 7]] niets wist.’

2.9. De advocaat van [gedaagde sub 7] nodigt [eiser] bij brief van 18 augustus 2010 uit voor een overleg op 20 augustus 2010 in verband met de problematiek rond de iCtrl groep. De brief houdt onder meer in dat [eiser] een bieding heeft neergelegd voor overname van de aandelen/herfinanciering van “iCtrl” en dat ook een buitenstaander zo’n bieding heeft gedaan. Beide kandidaten worden op het kantoor van de advocaat uitgenodigd. [eiser] geeft aan dat hij alleen wil praten als de schorsing en het voorgenomen ontslag van tafel zijn.

2.10. Op 24 augustus 2010 stuurt de advocaat van [eiser] een mailbericht naar aanleiding van de uitnodiging voor de algemene vergadering van 25 augustus 2010 en ten behoeve van die vergadering aan de advocaat van [gedaagde sub 7]. Hierin wordt meegedeeld dat [eiser] niet op de vergadering aanwezig zal zijn en wordt ingegaan op het in de schorsingsbesluiten genoemde en aan MT en OR meegedeelde verwijt dat [eiser] zonder [gedaagde sub 7] daarover te hebben geïnformeerd, tot een management buy-out trachtte te komen. Het verwijt wordt gemotiveerd ontkend.

2.11. Op 25 augustus 2010 vindt de gecombineerde buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van iCtrl Holding, Comtech, iCtrl-Works en iCtrl Learning plaats. Aanwezig zijn [gedaagde sub 7] en de huidige advocaat van iCtrl Holding c.s..

2.12. De notulen van deze vergadering houden onder meer in:

De voorzitter constateert dat de heer [ ] [eiser] bij brieven van 17 augustus 2010 is uitgenodigd bij de vergadering aanwezig te zijn, zulks onder gelijktijdige opgaaf van de ter vergadering te behandelen onderwerpen. De heer [eiser] is niet verschenen. Hij heeft zich gisteravond om 18.49 uur per e-mail van zijn advocaat mr T. Claassens, afgemeld.

(…)

Geagendeerd is het voorgenomen ontslag van de heer [eiser] als statutair bestuurder van de Vennootschappen.

Het voorgenomen ontslag.

Het verwijt dat de Vennootschappen de heer [eiser] maken, is dat hij het vertrouwen en het belang van de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders ernstig en acuut heeft geschonden door:

- zonder voorafgaande mededeling aan de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders een bod voor een management buy-out (hierna:”het Bod”) voor te bereiden;

- het Bod bij de Rabobank in te dienen ofschoon de heer [gedaagde sub 7] namens de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders, nadat hij bekend was geworden met het feit dat de heer [eiser] met de voorbereiding van het Bod bezig was, zeer expliciet aan [eiser] had verzocht van indiening van het Bod af te zien, en dat wanneer de heer [eiser] dat toch zou doen, de heer [gedaagde sub 7] dat als een vijandig bod c.q. een vijandige actie jegens de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders zou beschouwen;

- de heer [eiser] na voornoemd verzoek van de heer [gedaagde sub 7] niet aan de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders c.q. de heer [gedaagde sub 7], heeft gemeld dat hij het Bod tóch bij de Rabobank zou indienen c.q. in onderhandeling zou treden over een management buy-out en hij ook na feitelijke indiening van het Bod de Vennootschappen en hun respectieve aandeelhouders c.q. de heer [gedaagde sub 7] daarover niet heeft geïnformeerd (…);

- in een situatie waarin sprake was van een zuiver tegenstrijdig belang, de Vennootschappen en zijn medebestuurder in de Vennootschappen niet voorafgaand over zijn plannen te informeren en daar openheid van zaken over te verschaffen;

- gegevens van de Vennootschappen die een vertrouwelijk karakter hebben zonder toestemming van de Vennootschappen aan derden openbaar te maken;

- het begaan van onregelmatigheden in het kader van de bedrijfsvoering bestaande uit ondermeer, doch daartoe niet beperkt, het verrichten van werkzaamheden c.q. ondernemen van activiteiten ten behoeve van derden, het onttrekken van vermogensbestanddelen van (één of meerdere van de) Vennootschappen en/of het ten behoeve van derden meewerken aan het (doen) beëindigen van arbeidsovereenkomsten van werknemers resp. overeenkomsten van opdracht van freelancers (…) met (één van) de Vennootschappen;

- in strijd te handelen met de op grond van zijn arbeidsovereenkomst met iCtrl Holding op hem rustende verplichtingen, voortvloeiende uit – doch daartoe niet beperkt – de geheimhoudingsplicht, het verbod op nevenfuncties, het ronselbeding, alsmede de plicht zich in het algemeen als goed werknemer te gedragen.

2.13. Uit de notulen blijkt dat [gedaagde sub 7] ter vergadering toelicht dat op 22 augustus 2010 op de computer van [eiser] ‘een door hem gezonden e-mail [werd] ontdekt die grote vraagtekens deed rijzen. Het betrof een e-mail van de heer [eiser] aan een grote klant Gasunie (…)’. Nader onderzoek heeft volgens [gedaagde sub 7] aangetoond dat het mobiele telefoonnummer van [eiser] vermeld staat bij Data Concepts Technology en dat [eiser] aan het ontslag van een zekere [A] heeft meegewerkt en deze een beëindigingsvergoeding heeft gegeven, terwijl [A] voor Data Concepts Technology is gaan werken. [eiser] heeft volgens [gedaagde sub 7] ook meegewerkt aan het vertrek van een zekere [B], die eveneens voor Data Concepts Technology is gaan werken. [A] en [B] zouden nog steeds op kosten van iCtrl auto rijden en telefoneren.

De notulen houden vervolgens in dat [gedaagde sub 7] de mail van [eiser]s advocaat van 24 augustus 2010 behandelt nadat is opgemerkt:

De heer [eiser] kan niet om een reactie worden gevraagd omdat hij ervoor heeft gekozen om niet te verschenen. Dat komt voor zijn risico. Hij heeft zijn advies en visie ten aanzien van zijn voorgenomen ontslag gegeven in de e-mail van gisteravond van zijn advocaat (…).

2.14. Na de weergave van [eiser]s e-mail volgt:

Van de visie van de heer [eiser] kennis genomen hebbende, komt iCtrl Holding tot het volgende besluit:

- de heer [ ] [eiser] wordt met ingang van heden op staande voet ontslagen als statutair bestuurder van iCtrl Holding B.V. Dit betreft zowel zijn vennootschapsrechtelijke als zijn arbeidsrechtelijke rechtsbetrekking tot iCtrl Holding B.V.

Van de visie van de heer [eiser] kennis genomen hebbende, komt ComtechDDS tot het volgende besluit:

- de heer [ ] [eiser] wordt met ingang van heden ontslagen als statutair bestuurder van ComtechDDS B.V.

Van de visie van de heer [eiser] kennis genomen hebbende, komt iCtrl-Works tot het volgende besluit:

- de heer [ ] [eiser] wordt met ingang van heden ontslagen als statutair bestuurder iCtrl-Works B.V.

Van de visie van de heer [eiser] kennis genomen hebbende, komt iCtrl Learning tot het volgende besluit:

- de heer [ ] [eiser] wordt met ingang van heden ontslagen als statutair bestuurder van iCtrl Learning B.V.

3. De vordering in het incident

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding met de volgende inhoud:

- primair veroordeling van iCtrl Holding tot betaling aan [eiser] van – na vermindering van de eis – € 50.000,00 bij wijze van voorschot op aan [eiser] verschuldigde maandsalarissen en subsidiair veroordeling van iCtrl Holding tot betaling aan [eiser] van € 83.227,50 bij wijze van voorschot op de aan hem verschuldigde schadevergoeding;

- de onmiddellijke opheffing van te zijnen laste gelegde beslagen;

- het opleggen van een verbod onder verbeurte van een dwangsom aan iCtrl Holding c.s. om nieuwe, andere, danwel aanvullende beslagen te leggen ten laste van [eiser].

3.2. iCtrl Holding c.s. voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1. [eiser] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vorderingen. De gevraagde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvordering en zijn gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Deze uitgangspunten leiden tot het volgende.

4.2. De primaire geldvordering heeft als grondslag de stelling van [eiser] dat zijn ontslag niet op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen is. Daarom vordert hij bij wijze van voorschot op de hem nog toekomende maandsalarissen het bedrag van € 50.000,00.

4.3. Tegen het ontslagbesluit voert [eiser] allereerst aan dat het in strijd is met art. 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW) omdat de tegenover [eiser] in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid meebrachten dat iCtrl Holding, iCtrl-Works, iCtrl Learning en Comtech [eiser] ter behoorlijke uitoefening van zijn recht op hoor en wederhoor en zijn recht ingevolge art. 2:227 lid 4 BW (ruim) op voorhand moesten laten weten hoe precies de beschuldigingen aan zijn adres luidden, zodat hij in staat zou zijn zich in de algemene vergadering van 25 augustus 2010 behoorlijk te verdedigen.

4.4. iCtrl Holding c.s. betogen dat [eiser] tijdig en behoorlijk is opgeroepen voor de algemene vergadering(en) en er zelf voor gekozen heeft niet te verschijnen, waarmee hij het risico nam ‘dat bij het agendapunt “voorgenomen ontslag” feiten aan de orde zouden worden gesteld die nog niet met hem waren gecommuniceerd. Daarvoor diende nu juist de vergadering’(incidenteel antwoord onder 69).

4.5. Niet in geschil is dat [eiser] kennis had genomen van de schorsings-/ontslaggrond waartegen verweer is gevoerd in het e-mailbericht van 24 augustus 2010, samengevat: het vijandige bod en de daarmee samenhangende schending van vertrouwelijkheid.

4.6. Evenmin is in geschil dat de ontslaggrond die lag in ‘onregelmatigheden in het kader van de bedrijfsvoering bestaande uit ondermeer, doch daartoe niet beperkt, het verrichten van werkzaamheden c.q. ondernemen van activiteiten ten behoeve van derden, het onttrekken van vermogensbestanddelen van (één of meerdere van de) Vennootschappen en/of het ten behoeve van derden meewerken aan het (doen) beëindigen van arbeidsovereenkomsten van werknemers resp. overeenkomsten van opdracht van freelancers (…) met (één van) de Vennootschappen’ niet van tevoren aan [eiser] meegedeeld was.

4.7. Deze grond is ter vergadering door [gedaagde sub 7] toegelicht met een verwijzing naar de op 22 augustus 2010 aangetroffen e-mail betreffende Gasunie. Vast staat dat een en ander niet vóór de vergadering van 25 augustus 2010 met [eiser] besproken of aan [eiser] meegedeeld is. Zijn verdediging in de mail van 24 augustus 2010 richt zich dan ook uitsluitend op het wel aan hem bekende verwijt, de voorbereiding van wat [gedaagde sub 7] een vijandig bod noemt, de management buy-out.

4.8. Gelet op de onder 4.5 tot en met 4.7 genoemde omstandigheden onderschrijft de rechtbank het onder 4.4 bedoelde standpunt van iCtrl Holding c.s. niet. De vergadering diende voor een gedachtewisseling. Daar hadden ook nieuwe feiten aan de orde kunnen komen. Van een gedachtewisseling over de nieuwe feiten kon echter in dit geval geen sprake zijn omdat zij pas naar voren werden gebracht op de vergadering waar [eiser] niet was omdat hij meende – en naar het oordeel van de rechtbank ook mocht menen – dat hij zich reeds tegen alle tegen hem aangevoerde feiten verweerd had. Het standpunt van iCtrl Holding c.s. dat het omdat [eiser] afwezig was, voor zijn risico kwam dat op de vergadering nieuwe feiten, nieuwe ontslaggronden, aan de orde kwamen zonder dat hij daarvan weet had, vindt geen steun in het recht. Hiertegen verzetten zich de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals die de verhoudingen binnen de rechtspersoon beheersen (art. 2:8 BW).

4.9. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het bestaan van de grond voor vernietiging, zoals in de hoofdzaak gevorderd wordt, in hoge mate aannemelijk. Dat is de grond voor vernietiging van de ontslagbesluiten die ligt in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist (art. 2:15 lid 1 BW).

4.10. In de tweede plaats voert [eiser] ten aanzien van het ontslagbesluit aan dat art. 2:227 lid 4 BW geschonden is ten aanzien van de commissaris [betrokkene], de enige commissaris van iCtrl Holding.

4.11. Wat de afwezigheid van [betrokkene] betreft voert iCtrl Holding c.s. aan dat hij weliswaar niet fysiek bij de algemene vergadering van aandeelhouders van iCtrl Holding aanwezig was, ‘maar wel op afstand op het bedrijf (…) telefonisch beschikbaar was voor zover zijn inbreng tijdens de vergadering nog nodig was (…). [betrokkene] was tot in detail op de hoogte (…) en stond volledig achter het voorgenomen besluit tot ontslag. Zijn raadgevende stem is wel degelijk verzocht en ook verkregen. Het feit dat [betrokkene] niet fysiek aanwezig was bij de algemene aandeelhouders (sic), doet daar niet aan af, noch dat in de notulen niet is genoemd dat [betrokkene] om zijn raadgevende stem was verzocht (…)’ (incidenteel antwoord onder 70).

4.12. Anders dan iCtrl Holding c.s. is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een uitnodiging van [betrokkene] gevolgd door zijn afwezigheid op de algemene vergadering in strijd is met de dwingendrechtelijke regel van art. 2:227 lid 4 BW dat de adviserende stem van commissarissen op de algemene vergadering van aandeelhouders voorschrijft.

4.13. Al aangenomen dat [betrokkene] op de hoogte was van alle uiteindelijk aangevoerde ontslaggronden – wat vooralsnog niet is gebleken –, betekent de onder 4.11 omschreven situatie dat niet aan dit voorschrift voldaan is. iCtrl Holding c.s. stelt immers slechts dat [betrokkene] goed op de hoogte was van de voornemens van [gedaagde sub 7] – gesteld noch gebleken is dat enig ander hierin een rol speelde – en het daarmee eens was. Vervolgens zou [betrokkene] voor zover zijn inbreng “nog nodig” zou zijn, opgebeld kunnen worden. Dat betekent dat de door iCtrl Holding c.s. geschetste situatie inhoudt dat de indirecte aandeelhouder voorafgaand aan de algemene vergadering overlegt met de enige commissaris en dat ter vergadering, waar deze commissaris niet voor uitgenodigd is, de aandeelhouder als hij dat nodig acht, de commissaris kan opbellen. Nog korter samengevat: [gedaagde sub 7] kon beslissen of hij de commissaris bij de vergadering zou betrekken. Dit staat haaks op de voorgeschreven adviserende stem in de vergadering. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het gegeven dat slechts [gedaagde sub 7] en mr. Muller op de vergadering aanwezig waren, dit niet anders.

4.14. Ook dit voorbijgaan aan de dwingend voorgeschreven rol van de commissaris in de algemene vergadering leidt, hetzij via de totstandkoming van het besluit, hetzij via de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhoudingen binnen de rechtspersoon bepalen, tot vernietiging van de ontslagbesluiten op grond van art. 2:15 BW. De rechtbank acht dus ook het bestaan van de grond voor deze in de hoofdzaak gevorderde vernietiging in hoge mate aannemelijk.

4.15. Als de besluiten vernietigd zijn, is er geen einde gekomen aan de arbeidsrelatie van [eiser] bij iCtrl Holding. Hij vordert thans, gemaximeerd tot € 50.000,00, doorbetaling van zijn salaris bij wijze van voorlopige voorziening.

4.16. Waar het gaat om een geldvordering in het kader van een voorlopige voorziening is terughoudendheid van de rechter op zijn plaats. Gelet op de mate van aannemelijkheid van de vernietiging van de ontslagbesluiten en het ontbreken van gemotiveerd verweer tegen het bedrag van het gevorderde voorschot, is de rechtbank van oordeel dat het belang van [eiser] de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt.

4.17. De subsidiaire vordering tot schadevergoeding komt hierdoor niet meer aan de orde.

4.18. De vordering tot de onmiddellijke opheffing van de gelegde beslagen is, los van gronden die hier geen rol spelen, slechts toewijsbaar als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

4.19. De beslagen zijn gelegd door Comtech. Deze is inmiddels gefailleerd. Volgens [eiser] stelt de curator ook een half jaar na het faillissement nog steeds niet dat [eiser] onrechtmatig jegens Comtech heeft gehandeld. De curator spreekt slechts van mogelijk onrechtmatig handelen en van onrechtmatig handelen waarvan [eiser] door anderen wordt beschuldigd en stelt nog met onderzoek bezig te zijn.

4.20. In zijn verslag van 15 december 2010 schrijft de curator:

De curator is, mede gezien de beschuldigingen van aandeelhouder en bestuurder, over en weer, voornemens een onderzoek in te stellen naar de aanleiding en de oorzaken van de deconfiture van de iCtrl groep. Vanzelfsprekend zal daarbij ook de positie van Comtech aan de orde zijn.

4.21. In het verslag noemt de curator tevens de procedure die door onder meer iCtrl Holding c.s. tegen [eiser] is aangespannen voor de rechtbank te Utrecht waarin onder andere een verklaring voor recht dat [eiser] jegens hen wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld, wordt gevorderd met een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat.

4.22. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat gelet op het voorgaande vooralsnog niet kan worden gesteld dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Comtech ingeroepen recht is gebleken. De vordering tot opheffing van de beslagen zal dus afgewezen worden.

4.23. De vordering tot het opleggen van een verbod onder verbeurte van een dwangsom aan iCtrl Holding c.s. om nieuwe, andere, danwel aanvullende beslagen te leggen ten laste van [eiser] gaat naar haar aard te ver omdat zij in het algemeen mogelijke schuldeisers binnen de groep van iCtrl Holding c.s. zou beletten hun aanspraken zeker te stellen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zou hiertoe aanleiding kunnen bestaan en daarvan is de rechtbank vooralsnog niet gebleken.

4.24. iCtrl Holding c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. veroordeelt iCtrl Holding c.s. voor de duur van het geding tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 (vijftig duizend euro),

5.2. veroordeelt iCtrl Holding c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.788,00,

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

5.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 juli 2011 voor conclusie van antwoord,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.D.A. den Tonkelaar, M.P.C.J. van Bavel en

S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.