Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ7669

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
10/3688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob, kandidatenlijsten gemeenteraadsverkiezingen die ten tijde van het Wob-verzoek niet meer voor een ieder toegankelijk zijn. Niet kan worden gezegd dat deze informatie openbaar is in de zin van de Wob. Het in het kader van de Wob wel gehanteerde adagium ‘Eens openbaar, altijd openbaar’ betekent niet dat eenmaal openbaar gemaakte informatie vanaf dat moment niet meer op grond van de Wob verstrekt dient te worden als deze feitelijk niet of niet meer toegankelijk is.

Verweerder heeft ten onrechte het standpunt ingenomen dat eisers verzoek was aan te merken als een verzoek om een feitelijke handeling te verrichten en dat de beslissing daarop geen besluit was als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3688

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 19 mei 2011.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 oktober 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft verweerder de door eiseres gevraagde kandidatenlijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2002, 2006 en 2010 gedeeltelijk verstrekt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 maart 2011. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door H. van Drunen.

3. Overwegingen

Eiseres heeft op 19 juni 2010 verweerder verzocht om een afschrift van de kandidatenlijsten (model H1) van alle partijen ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen van 2002, 2006 en 2010, inclusief de adressen en geboortedata van de kandidaten. Verweerder heeft daarop afschriften van de gevraagde kandidatenlijsten aan eiseres verstrekt onder weglakking van de geboortedata en adressen van de kandidaten.

Ten aanzien van de kandidatenlijsten over 2002 en 2006

Verweerder heeft aan het bestreden besluit voor wat betreft het bezwaar tegen het gedeeltelijk weigeren van de kandidatenlijsten van de verkiezingen van 2002 en 2006 ten grondslag gelegd dat de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk zijn omdat H. van Drunen niet door eiseres gemachtigd was tot het indienen van een bezwaarschrift tegen deze onderdelen van het besluit.

De rechtbank stelt vast dat eiseres op 26 juni 2010 H. van Drunen heeft gemachtigd om haar te vertegenwoordigen bij het verkrijgen van kandidatenlijsten ten behoeve van de verkiezingen in 2010. Het door de gemachtigde ingediende bezwaarschrift had mede betrekking op de kandidatenlijsten over de verkiezingen in 2002 en 2006. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat H. van Drunen niet gemachtigd was om bezwaar te maken tegen het besluit voor zover dat betrekking had op de verkiezingen in 2002 en 2006 en dat in zoverre niet was voldaan aan artikel 2:1 van de Awb.

Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Gesteld noch gebleken is dat verweerder H. van Drunen in de gelegenheid heeft gesteld alsnog een machtiging te overleggen voor het maken van bezwaar tegen het besluit voor wat betreft de verkiezingen in 2002 en 2006. De rechtbank vermag niet in te zien waarom een ontoereikende machtiging geen verzuim is waarvoor gelegenheid tot herstel moet worden geboden. Het bezwaar is derhalve in strijd met artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de kandidatenlijsten over 2010

Voor wat betreft het gedeeltelijk weigeren van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het (deels) verstrekken van de gevraagde informatie geen besluit in de zin van de Awb was, maar een feitelijke handeling, aangezien het informatie betrof die reeds openbaar was.

Niet in geschil is dat de kandidatenlijsten in een periode voorafgaand aan het verzoek voor eenieder ter inzage hebben gelegen met inbegrip van de niet aan eiseres verstrekte informatie, te weten de adressen en de geboortedata. Ook niet in geschil is dat op het moment van het verzoek van eiseres de kandidatenlijsten niet meer ter inzage lagen en dat de informatie (in ieder geval deels) niet toegankelijk was.

De rechtbank is van oordeel dat nu de informatie op de kandidatenlijsten (in ieder geval deels) niet toegankelijk is voor eiseres niet gezegd kan worden dat deze informatie openbaar is in de zin van de Wob. Openbaarheid van informatie in de zin van de Wob houdt volgens de rechtbank in dat door eenieder betrekkelijk eenvoudig kennis genomen kan worden van de informatie, bijvoorbeeld omdat deze op internet is geplaatst, kan worden ingezien, of op verzoek direct wordt toegezonden (zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 oktober 2010, LJN: BO1165). Het in het kader van de Wob wel gehanteerde adagium ‘Eens openbaar, altijd openbaar’ betekent niet dat eenmaal openbaar gemaakte informatie vanaf dat moment niet meer op grond van de Wob verstrekt dient te worden als deze feitelijk niet of niet meer toegankelijk is. Het betekent dat verstrekking van eenmaal op grond van de Wob openbaar gemaakte informatie daarna niet meer geweigerd kan worden met een beroep op de uitzonderingsgronden van artikel 10 van de Wob (zie: ABRvS, 20 april 2000, LJN: AA5845).

Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eisers verzoek was aan te merken als een verzoek om een feitelijke handeling te verrichten en dat de beslissing daarop geen besluit was als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen.

Met het oog op het nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank nog het volgende. Verweerder diende voor zover de door eiseres gevraagde informatie niet toegankelijk was voor eiseres een besluit te nemen op het verzoek van eiseres. Voor zover de gevraagde informatie op de website van de gemeente is geplaatst (de gegevens van de kandidaten die verkozen zijn) is deze informatie wel openbaar en hoeft verweerder geen besluit op grond van de Wob te nemen. De rechtbank merkt daarbij wel op dat, anders dan verweerder meent, het bij de openbaarmaking van informatie niet ter zake doet of deze informatie (nog) juist is. Bij een verwijzing naar informatie op de website dient verweerder daarom wel te controleren of dit dezelfde informatie is als vermeld was op de ingediende kandidatenlijst.

Verweerder heeft voorts betoogd dat de adressen niet verstrekt hoeven te worden omdat verstrekking ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet omdat, omdat zoals hiervoor al is aangegeven, een beroep op de weigeringsgronden van de Wob niet aan de orde kan zijn in het geval informatie eerder wel openbaar is gemaakt (zie ook: ABRvS, 22 februari 1996, LJN: ZF2009). Ditzelfde geldt voor de geboortedata.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 mei 2011.