Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6897

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
740851 HA VERZ 11-1090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 7:685 BW. Arbeidsovereenkomst voortgezet onderwijs. Geen recht op billijke vergoeding, mede gelet op omvangrijke bovenwettelijke uitkering waarvan de kosten voor 25% voor rekening van de school komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 740851 \ HA VERZ 11-1090 \ 199 jt

uitspraak van 3 mei 2011

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Alliantie Voortgezet Onderwijs voor Nijmegen en het Land van Maas en Waal

gevestigd te Nijmegen

verzoekende partij

gemachtigde mr. P.R.H. Demacker

tegen

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. T. Hoekstra

Partijen worden hierna de Alliantie en [werknemer] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 6 april 2011 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van de Alliantie met producties.

2. De feiten

[werknemer], geboren op [dag en maand] 1955 en thans dus 55 jaar oud, is sinds 16 augustus 2002 in dienst van de Alliantie. Laatstelijk heeft hij conciërgewerkzaamheden verricht tegen een salaris van € 2.443,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 6,4% eindejaarsuitkering.

3. Het verzoek en het verweer

3.1 De Alliantie verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op het eerst mogelijke tijdstip te ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding met veroordeling van [werknemer] in de kosten van geding.

3.2 De Alliantie onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt. Zij beroept zich op veranderingen in de omstandigheden bestaande uit onvoldoende functioneren en een verstoorde arbeidsverhouding. Zij is met name ontevreden over:

- de omgang en contacten met leerlingen, collega’s en leidinggevenden;

- het opereren binnen het team;

- de bereidheid om op de juiste manier contacten te willen onderhouden;

- het ontbreken van collegialiteit en teambesef;

- slechte communicatie en weinig betrokken houding;

- samenwerking;

- bewustwording van eigen invloed op de sfeer binnen het team;

- niet openstaan voor feedback.

Zij wenst daarom over te gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding. Zij is van mening dat:

-[werknemer] in voldoende mate op zijn functioneren en de ongewenste situatie is aangesproken;

- voldoende initiatieven zijn ontplooid om het functioneren van [werknemer] te verbeteren;

- een situatie is ontstaan waarin redelijkerwijs niet meer van haar kan worden verlangd om nog langer met [werknemer] door te gaan;

- het onvoldoende functioneren en de houding van [werknemer] niet voortvloeien uit ziekte of gebreken en/of uit de arbeidsomstandigheden.

3.3 [werknemer] voert gemotiveerd verweer. Primair concludeert hij tot afwijzing van het verzoek en subsidiair, indien het verzoek wordt toegewezen, tot toekenning van een vergoeding van € 58.690,59 bruto overeenkomstig de kantonrechtersformule met factor C=1,5, met veroordeling van de Alliantie in beide gevallen in de kosten.

4. De beoordeling

4.1 Het staat tussen partijen vast dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod.

4.2 De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de stellingen over en weer in de stukken, de overgelegde producties en de verklaringen ter terechtzitting, een verdere voortzetting van de samenwerking in redelijkheid niet meer mogelijk is. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook toegewezen.

4.3 De volgende vraag die dan beantwoord moet worden is of [werknemer] aanspraak kan maken op een vergoeding naar billijkheid en zo ja, hoe hoog die dan dient te zijn. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt.

Uit hetgeen over en weer gesteld is, de overgelegde producties en de verklaringen ter terechtzitting komt het beeld naar voren dat de Alliantie na twee assessments besloten heeft [werknemer] niet in aanmerking te laten komen voor de nieuwe functie hoofd facilitaire zaken en dat [werknemer] als gevolg daarvan de functie van conciërge met behoud van het salaris van zijn oude functie coördinator facilitaire dienst is gaan uitoefenen, maar dat [werknemer] zich met deze gang van zaken niet heeft kunnen verenigen. Dat zich niet kunnen verenigen heeft ertoe geleid dat [werknemer] de leiding van het nieuwe hoofd facilitaire zaken niet of nauwelijks heeft geaccepteerd en teleurgesteld is in (de houding van) de directie. Een en ander heeft geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Het is niet aannemelijk geworden dat dit hoofdzakelijk de Alliantie te verwijten valt, waarop het betoog van [werknemer] neerkomt. Het is de beleidsvrijheid van de Alliantie om haar organisatie opnieuw in te richten en het is niet aannemelijk geworden dat zij daarbij de belangen van [werknemer] niet of onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Uit het voorgaande volgt dat de door [werknemer] gevraagde vergoeding met factor C = 1,5 niet billijk is.

4.4 De vraag welke vergoeding dan wel billijk is, behoeft echter niet te worden beantwoord op grond van het navolgende. [werknemer] stelt dat de kans op ander werk voor hem erg klein is. Ervan uitgegaan wordt daarom dat hij gebruik zal moeten maken van zijn rechten op WW-uikering en bovenwettelijke uitkering. De omvang ervan volgt uit hoofdstuk 2 van de CAO VO 2008-2010 (productie 28 bij verzoekschrift): [werknemer] heeft na beëindiging van zijn dienstverband de eerste twaalf maanden recht op78% en daarna 24 maanden recht op 70% van zijn laatstverdiende salaris en vervolgens heeft hij 66 maanden recht op een aanvullende uitkering van 70% van zijn laatstverdiende salaris. De Alliantie is een zogenaamde eigenrisicodrager ten aanzien van deze uitkeringskosten (productie bij verzoekschrift). Partijen gaan ervan uit deze uitkeringsrechten van [werknemer] over een periode van 104 maanden de Alliantie als eigenrisicodrager in totaal ongeveer € 35.000,- kosten. Gelet op de omvangrijke bovenwettelijke uitkering waarop [werknemer] aanspraak kan maken en de kosten hiervan voor de Alliantie ziet de kantonrechter, in aanmerking genomen hetgeen onder 4.3 is overwogen, geen aanleiding om [werknemer] een vergoeding naar billijkheid toe te kennen.

4.5 De slotsom is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 2011. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren als hierna te melden.

De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2011;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.