Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6715

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/42
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navordering. Verweerder had geen reden om aan de aangifte van eiseres te twijfelen en was dus niet gehouden tot een nader onderzoek. Vrijval herinvesteringsreserve als gevolg van ontbinding vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1623
Belastingadvies 2011/16.1
FutD 2011-1372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/42

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 mei 2011

inzake

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 15 augustus 2009 aan eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].V.37.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 108.275. Tevens is bij beschikking € 9.020 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 december 2009 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 5 januari 2010, ontvangen door de rechtbank op 6 januari 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011 te Arnhem. Eiseres is daar vertegenwoordigd door [A], bijgestaan door mr. [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. [gemachtigde], mr. [B] en

mr. drs. [C].

Met toestemming van partijen heeft de mondelinge behandeling van de volgende zaken gelijktijdig plaatsgevonden:

[D] U.A. / rechtsvoorganger van [E] BV (AWB 09/2609), [F] BV (09/4612), [G] BV (09/4614), [H] BV (09/4614), [I] BV (09/4618), [J] BV (09/4617), [K] BV (09/4619), [L] BV (09/4610), [M] BV (09/4615), [N] BV (09/4621), [E] BV (10/1439 en 10/1441), [O] BV (09/4747), [P] BV (10/39 en 10/40), [X] BV (10/42), [a] BV (10/736), [b] BV (10/759), [c] BV (10/1931), [L] BV (09/4610).

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Algemeen

Eiseres heeft in 1998 een vervangingsreserve (vanaf 2001: herinvesteringsreserve, hierna te noemen: hir) gevormd van

f. 107.845 ter zake van de verkoop van een onroerende zaak.

In de brief van 6 december 2002 van verweerder gericht aan de toenmalige gemachtigde van eiseres is onder meer vermeld:

“(…). Tijdens het overleg heeft de Belastingdienst aangegeven dat er geen generaal uitstel zal worden verleend voor de aanwending van de bestaande vervangingsreserves/herinvesteringsreserves tot 31 december 2004. Voor de vervangingsreserves/herinvesteringsreserves die in 2002 aangewend zouden moeten worden, wordt uitstel verleend tot 31 december 2003. In overige gevallen zal van jaar tot jaar beoordeeld moeten worden òf en in hoeverre de termijn voor vervanging verlengd kan worden. Een en ander behoudens de toepassing van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.(…).”

Eiseres is op 23 september 2003 ontbonden.

In een brief van 14 april 2009 van verweerder aan de gemachtigde van eiseres is onder meer opgenomen:

“(…). U heeft mij een kopie overhandigd, zij bijlage 1, waarop alle vennootschappen en twee CV’s staan vermeld, die onder het begrip de [d] vallen naar de situatie 31-12-2003. Hierbij moet worden opgemerkt dat [X] BV op de lijst staat genoemd maar dat deze BV op 23-09-2003 is ontbonden en dus moet worden verwijderd uit deze opsomming. (…).”

In een brief van 18 mei 2009 van verweerder aan de gemachtigde van eiseres is onder meer opgenomen:

“(…). In de bespreking van afgelopen woensdag 13de mei 2009, zijn wij tot de conclusie gekomen dat de bepalingen in de conceptvaststellingsovereenkomst voldoende duidelijk zijn. (…).”

2.2 Feiten ten aanzien van het compromis 2008

Voor de feiten ten aanzien van het compromis 2008 verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden met registratienummers AWB 09/4610 e.v.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. is sprake van een compromis?

2. beschikt verweerder over een voor navordering vereist nieuw feit, dan wel is sprake van kwade trouw bij eiseres?

3. had de herinvesteringsreserve reeds moeten vrijvallen in 2002 en zo ja, wat zijn de fiscale gevolgen daarvan?

Ter zitting heeft eiseres haar grieven met betrekking tot het niet tijdig opleggen van de navorderingsaanslag laten varen.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het compromis

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door haar gevormde hir onderdeel uitmaakt van een tussen haar en verweerder gesloten compromis.

In haar uitspraak van heden ten aanzien van [L] B.V. (registratienummer AWB 09/4610 e.v.) heeft de rechtbank beslist dat geen compromis tot stand is gekomen. Bovendien kan naar het oordeel van de rechtbank uit de – in onderdeel 2.1 genoemde – brieven van 14 april 2009 en 18 mei 2009, tezamen en in onderling verband beschouwd, in redelijkheid geen andere conclusie worden getrokken dat de door eiseres gevormde hir geen onderdeel zou uitmaken van een mogelijk te sluiten compromis tussen eiseres en verweerder. Eiseres is immers op 23 september 2003 reeds ontbonden.

Ten aanzien van het nieuwe feit

Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Eiseres heeft gesteld dat het voor navordering vereiste nieuw feit ontbreekt, omdat het bij verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend moet zijn geweest dat de vennootschap was ontbonden. Eiseres heeft voorts gesteld dat op het moment dat de definitieve aanslag werd opgelegd er compromisbesprekingen waren aangevangen waarbij verweerder het standpunt heeft ingenomen dat er geen vervangingsvoornemen was. Verweerder had daarom ten tijde van het opleggen van de aanslag de herinvesteringsreserve al moeten laten vrijvallen, aldus eiseres.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslag geen informatie kreeg van de Kamer van Koophandel over de ontbinding van vennootschappen. Verweerder heeft voorts gesteld dat de aangifte een verzorgde indruk maakte en dat er daarom voor hem geen aanleiding bestond om actief bij de Kamer van Koophandel te informeren naar de status van eiseres. Pas naar aanleiding van de compromisbesprekingen, meer specifiek door de brief van de gemachtigde aan de Nationale Ombudsman van 30 juni 2008, is gebleken dat eiseres reeds op 23 september 2003 was ontbonden, aldus verweerder.

Verweerder mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vergelijk HR 7 december 2007, nr. 43 489, LJN BB3465).

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder geen reden om aan de aangifte van eiseres te twijfelen en was hij dus niet gehouden tot een nader onderzoek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de aangifte geen melding werd gemaakt van de ontbinding van eiseres en voorts dat de Kamer van Koophandel ontbinding van een vennootschap niet aan verweerder renseigneert. Verweerder is dan ook pas door de brief van de gemachtigde aan de Nationale Ombudsman op de hoogte geraakt van de ontbinding van eiseres en om die reden heeft hij alsnog een navorderingsaanslag opgelegd. Dit kwalificeert als een nieuw feit. Verweerder was daarom bevoegd een navorderingsaanslag op te leggen. De stelling van verweerder dat sprake was van kwade trouw bij eiseres behoeft geen nadere bespreking.

Vrijval herinvesteringsreserve in 2002

Eiseres heeft gesteld dat de hir uiterlijk 31 december 2002 had moeten vrijvallen. Verweerder heeft daarentegen gesteld dat vrijval van de hir – als gevolg van het in de brief van 6 december 2002 verleende uitstel – in 2003 dient plaats te vinden

Verweerder maakt met zijn verwijzing naar de brief van 6 december 2002 voldoende aannemelijk dat voor de aanwending van de vervangingsreserve/hir uitstel is verleend tot 31 december 2003. Hieruit volgt dan ook dat als gevolg van ontbinding van de vennootschap de hir vrij dient te vallen in 2003.

Overigens merkt de rechtbank op dat – voor zover eiseres betoogt dat voor vrijval van de hir in 2003 geen ruimte meer bestaat aangezien de hir reeds in 2002 diende vrij te vallen – zij hiermee miskent dat het beginsel van balanscontinuïteit in een zodanige situatie met zich brengt dat vrijval dient plaats te vinden in het daaropvolgende jaar.

Heffingsrente

Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikking heffingsrente in zoverre eveneens ongegrond te worden verklaard.

Slotoverweging

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 26 mei 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.