Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6488

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
207541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in vrijwaring.

Eisers in vrijwaring zijn in de hoofdzaak veroordeeld wegens onbehoorlijk bestuur. (Zie LJN BQ5589.) Zij hebben niet onderbouwd dat het onbehoorlijk bestuur enkel kan zijn te herleiden tot het doen of nalaten van gedaagde in vrijwaring. Het betoog van eisers in vrijwaring bevat geen grondslag voor aansprakelijkheid van gedaagde in vrijwaring tegenover hen voor het geval eisers in vrjiwaring tegenover de stichting in het ongelijk gesteld worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207541 / HA ZA 10-2169

Vonnis in vrijwaring van 18 mei 2011

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. ing A. Klein te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

gedaagde,

niet verschenen.

De partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De overwegingen

2.1. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. Tegen hem is verstek verleend. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is.

2.2. De zaak betreft de aansprakelijkstelling door Stichting Woning Onderhoud te Arnhem (hierna: de stichting) van onder meer [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde] als oud bestuurders van deze stichting op grond van onbehoorlijk bestuur en/of onrechtmatige daad. Bij vonnis van heden worden vrijwel alle vorderingen van de stichting toegewezen. Op een aantal onderdelen is daarbij sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] en/of [gedaagde] tegenover de stichting op grond van onbehoorlijk bestuur.

2.3. Als grond van hun vordering tot vrijwaring voeren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan dat zij “zich jegens de stichting op een uitermate correcte en transparante wijze van hun taken als bestuurder hebben gekweten”. Zij betwisten derhalve dat zij tot vergoeding van enig bedrag aan de stichting zijn gehouden. Als de rechtbank, vervolgen zij, “desalniettemin van mening is dat er op een onjuiste en onzorgvuldige wijze is omgesprongen met gelden van de [stichting], dan kan dit enkel zijn te herleiden tot het doen of nalaten van [gedaagde].”

2.4. Dit laatste wordt door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet onderbouwd. Daargelaten de beslissing van de rechtbank in de andere zaak, zou zo’n onderbouwing noodzakelijk zijn omdat uit het betoog dat zij niet onbehoorlijk bestuurd hebben, niet logisch voortvloeit dat [gedaagde] dat wel gedaan heeft. Ten onrechte stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ongemotiveerd dat dit anders is.

2.5. De aangevoerde grondslag acht de rechtbank dan ook onvoldoende. Het betoog van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bevat geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde] tegenover hen voor het geval [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegenover de stichting in het ongelijk gesteld worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voorliggende vordering ongegrond is.

2.6. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en in de proceskosten worden verwezen. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.