Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6433

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
10/1431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering nadat verweerder de aan eiseres te verlenen subsidie lager heeft vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1431

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 mei 2011.

inzake

Stichting Opleidingsfonds Levensmiddelenindustrie, eiseres,

gevestigd te Ede, vertegenwoordigd door mr. K.M. Mulder, advocaat te Amsterdam,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voorheen en thans

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 maart 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2009 heeft verweerder de aan eiseres verleende subsidie voor het project “De Voedingsmiddelenindustrie leeftijdsproof!” lager vastgesteld op € 20.836,03 en een bedrag van € 11.163,97 van eiseres teruggevorderd.

Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit van 9 maart 2010 de subsidie vastgesteld op € 22.289,13 en een bedrag van € 9.710,87 van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 maart 2011. Namens eiseres zijn daar verschenen haar directeur, [directeur] en [projectleider], projectleider werkzaam bij eiseres, bijgestaan door mr. E. Brons-Stikkelbroeck, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. Mulder voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van der Oord, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

3. Overwegingen

Eiseres heeft bij formulier van 26 april 2007 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid (verder: de Regeling) voor het project “De Voedingsmiddelenindustrie leeftijdsproof!” (verder: het project).

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder eiseres ten behoeve van het project een subsidie verleend van maximaal € 40.000. Aan de subsidieverlening zijn voorwaarden verbonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de subsidie met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, onder b, van de Awb, lager vastgesteld op € 22.289,13 en een bedrag van

€ 9.710,87 van eiseres teruggevorderd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8 van de Regeling doordat zij de subsidiegelden (deels) heeft besteed aan kosten die niet subsidiabel zijn. Volgens verweerder heeft eiseres de overhead- en exploitatiekosten in rekening gebracht met een opslag op het uurtarief, hetgeen niet is toegestaan. Bovendien heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de exploitatie- en overheadkosten direct zijn toe te rekenen aan het project. Daarnaast heeft verweerder de uurtarieven naar beneden bijgesteld, omdat, zo stelt verweerder, de opgevoerde kosten voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies onvoldoende inzichtelijk zijn.

Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft dit gemotiveerd aangevochten.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Verweerder heeft een handleiding opgesteld getiteld Handleiding Projectadministratie Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid Tranche 2007 (verder: de handleiding). Deze handleiding bevat een uitwerking van de voorwaarden en administratieve vereisten, waarmee organisaties die op grond van de Regeling voor subsidie in aanmerking (willen) komen, rekening moeten houden. Tussen partijen is de toepasselijkheid van deze handleiding voor de onderhavige subsidieverstrekking niet in geschil.

Uit het dossier blijkt verder dat eiseres bij formulier van 18 december 2008 verweerder de verantwoording over de gesubsidieerde activiteiten heeft doen toekomen. Voorafgaand aan het primaire besluit en op verzoek van verweerder heeft eiseres in aanvulling op dit formulier nog diverse stukken overlegd, onder meer bij brieven van 15 juni 2009 (bijlage 8 bij de gedingstukken), 2 juli 2009 (bijlage 9) en 11 september 2009 (bijlage 12). In de bezwaarfase heeft eiseres verweerder voorts – voorzover hier van belang – op 25 januari 2010 (bijlage 16) en 4 februari 2010 (bijlage 19) nadere informatie gestuurd. Dat, zoals namens verweerder ter zitting is betoogd, deze laatste stukken niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken omdat alle noodzakelijke stukken voor het besluit van 27 november 2009 moesten worden ingediend, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft de in de bezwaarfase overgelegde stukken immers bij het bestreden besluit betrokken, zodat de rechtbank deze stukken ook bij haar beoordeling in aanmerking zal nemen.

Overhead- en exploitatiekosten

In de handleiding is onder 5.2 bepaald dat ook exploitatiekosten voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Onder exploitatiekosten vallen overige kosten, anders dan personele kosten, die direct aan de projectactiviteiten kunnen worden toegerekend. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruik van kantoorruimte, aldus de handleiding. Overheadkosten die voor subsidie in aanmerking kunnen komen, zijn alle kosten die indirect aan het project te zijn toe te rekenen. Van overhead- en exploitatiekosten dient duidelijk te zijn dat zij noodzakelijkerwijs ten behoeve van het project zijn gemaakt. Indien exploitatiekosten slechts voor een deel betrekking hebben op het gesubsidieerde project, dienen de kosten volgens een gemotiveerde redelijke en eerlijke methode aan het project te zijn toegerekend. Dit geldt volgens de handleiding ook voor overheadkosten.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres in strijd met de geldende voorwaarden de exploitatie- en overheadkosten via een opslag percentueel in het uurtarief heeft doorberekend. De rechtbank maakt uit de stukken op dat eiseres de exploitatie- en overheadkosten weliswaar heeft gepresenteerd als een opslag op het uurtarief van de projectmedewerkers, maar dat zij materieel de kosten volgens de door verweerder voorgestane methodiek “prijs maal hoeveelheid” aan het project heeft toegerekend. Eiseres heeft in bijlage 9-5 (die ook als bijlage 16-5 deel uitmaakt van de stukken) een overzicht opgenomen van haar indirecte kosten in 2007 en 2008. Aan de hand van het aantal werkbare uren in die jaren heeft eiseres de indirecte kosten per werkbaar uur berekend. In 2007 gaat het om € 19,16 en in 2008 om € 17,40. Vervolgens heeft zij deze kosten aan het project toegerekend aan de hand van de indirecte kosten per projectuur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet toereikend gemotiveerd waarom deze door eiseres gehanteerde berekeningsmethode niet als redelijk en eerlijk in de zin van de handleiding kan worden aangemerkt. Ter zitting is immers bevestigd dat het mogelijk is om een, van de omvang van een project afhankelijk, deel van de totale exploitatie- en overheadkosten van de organisatie aan een bepaald project toe te kennen. Waarom de door eiseres gehanteerde berekeningswijze in dat verband niet redelijk en eerlijk zou zijn valt niet in te zien. Dat de hoogte van de totale exploitatie- en overheadkosten daarmee afhankelijk is van het aantal gewerkte uren doet daaraan niet af. Met het stijgen van het aantal gewerkte uren stijgt immers ook de omvang van het project, zodat het redelijk en eerlijk is dat dan ook een groter deel van de totale jaarlijkse exploitatie- en overheadkosten voor rekening van het project komt.

De rechtbank overweegt voorts dat in bijlage 9-5 posten staan vermeld waarvan niet in geschil is dat deze als subsidiabele exploitatie- en overheadkosten kunnen gelden, zoals huisvesting. Verweerder heeft in het bestreden besluit een inhoudelijke beoordeling van deze posten achterwege gelaten, zodat hij evenmin een deugdelijke grondslag heeft gegeven voor zijn standpunt dat de kosten die in bijlage 9-5 zijn opgenomen niet subsidiabel zijn.

Pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies

In het verantwoordingsformulier van 18 december 2008 staan op pagina 12 de uurtarieven per projectmedewerker vermeld.

Bij het aanvullende bezwaarschrift van 25 januari 2010 heeft eiseres nadere berekeningen gevoegd van de uurtarieven van haar medewerkers in 2007 en 2008 (bijlage 16-1 tot 16-5). Deze overzichten geven weer uit welke elementen de uurtarieven zijn samengesteld. Daarbij staan onder meer pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies weergegeven. Bijlage 16-5 bevat vervolgens een berekening van de indirecte kosten per werkbaar uur in de jaren 2007 en 2008.

De uurtarieven zoals deze blijken uit bijlage 16-1 tot 16-5, vermeerderd met de indirecte kosten opgenomen in bijlage 16-5 vormen samen de uurtarieven, zoals vermeld in het verantwoordingsformulier. Anders dan verweerder, acht de rechtbank voldoende duidelijk hoe de uurtarieven zijn samengesteld. Verweerder kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de bijlage 16-1 tot en met 16-5 niet aansluiten bij de uurtarieven, zoals opgenomen in het verantwoordingsformulier. Er bestond dus geen grond voor het om deze reden buiten aanmerking laten van de pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies.

In beroep heeft verweerder in dit verband nog naar voren gebracht dat uit de bijlagen 16-1 tot 16-5 niet kan worden opgemaakt dat de pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies daadwerkelijk door eiseres zijn betaald, zodat om die reden niet gesproken kan worden van subsidiabele kosten. De stukken die eiseres in beroep (bijlage 8 bij het aanvullende beroepschrift) heeft overgelegd als bewijs van betaling van de premies, moeten volgens verweerder buiten beschouwing worden gelaten, omdat deze eerder overgelegd hadden kunnen worden.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij de betalingsbewijzen pas in de beroepsfase bij de gedingstukken heeft gevoegd. Verweerder heeft immers eerst in beroep de betaling van de pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies betwist. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder de in beroep overgelegde betalingsbewijzen overigens niet heeft bestreden, zodat moet worden aangenomen dat eiseres de pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremies heeft betaald, waarmee in zoverre dus sprake is van subsidiabele kosten.

Slotoverwegingen

Conclusie is dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb geen stand kan houden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

i. verklaart het beroep gegrond;

ii. vernietigt het bestreden besluit;

iii. bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

iv. veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 874;

v. bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mrs. D.J. Post en G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 12 mei 2011.