Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6432

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
10/3510
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwezige woning ligt voor groot gedeelte in het plangebied van een Barnevelds bestemmingsplan, en voor een gering gedeelte in het plangebied van een Nijkerks bestemmingsplan. Moet i.h.k.v. het Nijkerkse bestemmingsplan worden uitgegaan van een al aanwezige woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1721
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3510

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 maart 2011.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M. van Hunnik,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 augustus 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010 heeft verweerder geweigerd om aan eiser bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning met garage op [perceel].

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 augustus 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder - in afwijking van het advies van de adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van een meervoudige kamer op 25 februari 2011. Eiser is aldaar verschenen, in persoon, bijgestaan door mr. M. van Hunnik en vergezeld door [architect], architect. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. D.I. Liesdek, werkzaam bij de gemeente Nijkerk.

3. Overwegingen

3.1. Het bouwplan van eiser ziet op de oprichting van een woning met garage op [perceel], op het gedeelte kadastraal bekend [kadastrale aanduiding].

3.2. Ten tijde van het bestreden besluit was het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van de gemeente Nijkerk in werking getreden. De grond waarop het bouwplan is gesitueerd heeft ingevolge dit bestemmingsplan de bestemming "wonen" en maakt deel uit van een bestemmingsvlak. Ingevolge artikel 19.2.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, in combinatie met de aanduiding op de plankaart, mag het aantal woningen in dit bestemmingsvlak niet meer bedragen dan één.

3.3. Het gehele als [perceel] aangeduide perceel bestaat uit vier kadastrale percelen, waarvan twee in de gemeente Nijkerk zijn gelegen ([kadastrale nummers]) en twee in de gemeente Barneveld ([kadastrale nummers]). De percelen die gelegen zijn binnen de gemeente Nijkerk vormen tezamen het in het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" aangeduide bestemmingsvlak waarbinnen één woning is toegestaan.

Op het perceel [perceel] is een woning aanwezig die grotendeels is gelegen op het grondgebied van de gemeente Barneveld ([kadastraal nummer]) en voor een gering deel, dat een oppervlakte van 16 á 24 m2 beslaat, op het grondgebied van de gemeente Nijkerk ([kadastraal nummer]).

3.4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat de gedeeltelijk binnen het bestemmingsvlak gelegen woning maakt dat bij de toetsing aan de bestemmingsplanvoorschriften er vanuit moet worden gegaan dat er binnen het bestemmingsvlak al een woning aanwezig is, zodat een nieuwe woning binnen het bestemmingsvlak niet is toegestaan. Verweerder acht van betekenis dat ingevolge het Barneveldse bestemmingsplan "Buitengebied 2000" op het in Barneveld gelegen gedeelte van het perceel geen woning is toegestaan. Blijkens de bestemmingsregelingen in samenhang bezien is volgens verweerder derhalve één woning op het gehele perceel toegestaan. Verweerder heeft in dit kader voorts betekenis gehecht aan het feit dat de woning een adres en postcode in Nijkerk heeft en in de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) in Nijkerk is geregistreerd.

Verweerder heeft voorts aangegeven niet te willen meewerken aan vergunningverlening met een ontheffing of een projectbesluit, omdat het beleid zich verzet tegen extra burgerwoningen in het buitengebied.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij betwist dat aan de BAG planologische relevantie toekomt. Voorts wijst eiser erop dat in de BAG slechts het in Nijkerk gelegen kleine gedeelte van de woning is geregistreerd. Het in Barneveld gelegen gedeelte van de woning zal in de BAG nog worden geregistreerd en aan de gemeente Barneveld worden toegerekend, aldus eiser. Eiser betoogt dat voor de uitleg van de planvoorschriften dan ook bepalend is waar de woning in hoofdzaak is gelegen, zijnde in de gemeente Barneveld. Nu er geen strijd is met de bestemmingsplanvoorschriften kan een weigering om bouwvergunning te verlenen volgens eiser niet worden gebaseerd op beleid ter wering van burgerwoningen in het buitengebied. Eiser betoogt voorts dat bij hem door ambtenaren van verweerders gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de gevraagde woning vergund zou kunnen worden.

3.5. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of de bestaande woning, nu die slechts voor een gering gedeelte binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" en het daarin aangewezen bestemmingsvlak voor "wonen" is gelegen, voor de uitleg van de planvoorschriften heeft te gelden als een binnen het bestemmingsvlak reeds aanwezige woning. De rechtbank stelt vast dat de geldende bestemmingsplanvoorschriften voor een dergelijke situatie geen specifieke regeling bevatten. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank uit de voorschriften behorende bij de bestemming "wonen" geen eenduidig antwoord op deze vraag worden afgeleid.

De rechtbank stelt vast dat in de toelichting op het bestemmingsplan (blz. 71) onder meer is aangegeven dat nieuwe woningen in beginsel in het gehele buitengebied zijn uitgesloten. Voorts is in bijlage 4 bij de toelichting (te raadplegen via de website van de gemeente Nijkerk) een tabel opgenomen waaruit blijkt dat met de toekenning van de bestemming "wonen" aan het perceel [perceel] geen feitelijke verandering is beoogd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweer in beroep uiteengezet dat in overleg met de gemeente Barneveld is besloten om de bestaande woning op het perceel in het bestemmingsplan van de gemeente Nijkerk op te nemen. In het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" van de gemeente Barneveld is op het in Barneveld gelegen perceelsgedeelte geen woning toegestaan. Zoals verweerder ook heeft aangegeven, staan de beide bestemmingsplannen tezamen dus op het gehele perceel niet meer dan één woning toe. Niet is beoogd om een nieuwe woning toe te staan.

De rechtbank acht genoegzaam aannemelijk dat de planwetgever aldus, zich bewust van de ligging van woningen op de grens tussen de gemeente Nijkerk en de gemeente Barneveld, in overleg met de planwetgever van de gemeente Barneveld heeft gestreefd naar een regeling op grond waarvan op het gehele perceel slechts één woning is toegestaan. Daartoe is beoogd de bestaande woning, hoewel die slechts voor een gering deel in het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van verweerders gemeente is gelegen, op te nemen in dat bestemmingsplan en op die wijze in planologische zin toe te rekenen aan de gemeente Nijkerk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze regeling niet aanvaardbaar zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de planvoorschriften dan ook in deze zin te worden uitgelegd. De rechtbank merkt daarbij op dat een andere uitleg tot het door de planwetgever onbedoelde gevolg zou leiden dat aan de [weg], waar zich meerdere woningen bevinden op de gemeentegrens, ook meerdere nieuwe woningen in het buitengebied gerealiseerd zouden kunnen worden.

Hetgeen door partijen naar voren is gebracht ter zake van de BAG leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Nog daargelaten de vraag in hoeverre aan de BAG betekenis kan toekomen bij de uitleg van planvoorschriften, duiden de gegevens uit de BAG er niet op dat de woning, in planologische zin, in zijn geheel en uitsluitend als behorende tot de gemeente Barneveld moet worden beschouwd. Dat kan evenmin worden afgeleid uit de door eiser genoemde omstandigheid dat de aanslag voor de onroerende zaakbelasting voor de bestaande woning mede door de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld wordt opgelegd.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Niet in geschil is dat het bouwplan ook in strijd is met het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1975", dat van kracht was ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag en het nemen van het primaire besluit door verweerder. Verlening van bouwvergunning is dan ook alleen mogelijk wanneer ontheffing wordt verleend of een projectbesluit wordt genomen.

3.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de benodigde ontheffing of projectbesluit kunnen weigeren op de grond dat een extra burgerwoning in het buitengebied planologisch niet gewenst is. Het geldende bestemmingsplan, waarin extra burgerwoningen in het buitengebied worden geweerd, was ten tijde van het bestreden besluit zeer recentelijk vastgesteld en het beleid tot het weren van woningen in het buitengebied is ook in het streekplan vastgelegd.

3.7. De rechtbank is niet gebleken van gewekte verwachtingen op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn om vergunningverlening niettemin mogelijk te maken door verlening van ontheffing of het nemen van een projectbesluit. Ingevolge vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 november 2010, www.rechtspraak.nl, LJN BO4225) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat door een ambtenaar achter de inlichtingenbalie van de gemeente de suggestie zou zijn gedaan een schetsplan voor een nieuwe woning in te dienen, welke pas zeven weken na indiening is voorgelegd aan de welstandscommissie, hetgeen volgens eiser in de regel pas gebeurt nadat een bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is bevonden, en de omstandigheid dat de welstandscommissie eiser heeft uitgenodigd een bouwaanvraag in te dienen, zijn wat daar verder van zij onvoldoende om het gerechtvaardigd vertrouwen aan te ontlenen dat een bouwaanvraag niet wegens strijd met het bestemmingsplan zal worden geweigerd.

3.8. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 29 maart 2011.