Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5824

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
204811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Autodiefstal. Medelingsplicht.

Kern van het geschil is of Polis Direct op goede gronden weigert over te gaan tot uitkering op grond van de verzekering. Verklaring voor recht dat de als gevolg van de autodiefstal geleden schade is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst. Veroordeling van Polis Direct tot vergoeding van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 204811 / HA ZA 10-1682

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. C. Hofmans te Naarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POLIS DIRECT B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Polis Direct genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2011

- de akte van [eiseres]

- de akte van Polis Direct.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds 26 januari 2009 staat de [de auto] (hierna: de auto) blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) op naam van [eiseres]. De in 2001 gebouwde auto is in 2009 door haar echtgenoot [echtgenoot van eiseres] ingevoerd vanuit Duitsland.

2.2. [eiseres] heeft begin 2009 telefonisch een verzekering voor de auto afgesloten bij Polis Direct. Aan het eind van het telefoongesprek heeft Polis Direct vier vragen aan [eiseres] gesteld, die [eiseres] naar waarheid moest beantwoorden. Polis Direct heeft de cd met de geluidsopname van dit gesprek ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd. De gestelde vragen zijn:

‘Is aan u of een andere belanghebbende bij deze verzekering ooit een verzekering geweigerd (…)?

‘Is de afgelopen vijf jaar schade vergoed (…)?

‘Bent u of een andere belanghebbende verzekerde bij deze verzekering strafrechtelijk veroordeeld geweest in de afgelopen 8 jaar?’, en

‘Heeft u een geldig Nederlands rijbewijs?’

2.3. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de ‘Voorwaarden autoverzekering model s&d 0110’ van Polis Direct van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 1.11 Wat niet is verzekerd

Elk recht op schadevergoeding vervalt als u een onjuiste of onvolledige voorstelling van zaken heeft gegeven.

Verder bestaat geen recht op schadevergoeding als (…)

2.4. Op 19 maart 2009 heeft [eiseres] aangifte gedaan van diefstal van de auto in Berlijn, Duitsland. Daarvan is door de politie te Berlijn een proces-verbaal opgemaakt.

2.5. [eiseres] heeft deze diefstalschade bij Polis Direct geclaimd.

2.6. Polis Direct heeft Schade- en OnderzoeksBureau “Hoofddorp” B.V. (hierna: het onderzoeksbureau) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de diefstal van de auto in Berlijn. Het onderzoeksbureau komt in haar rapportage van 26 juni 2009, onder meer, tot de volgende conclusie:

Op grond van het door ons ingestelde onderzoek hebben wij vooralsnog geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door verzekeringnemer G. [eiseres] en haar echtgenoot [echtgenoot van eiseres] afgelegde verklaring en de ingediende claim terzake de diefstal van de onderhavige auto.

Zoals eerder al vermeld achten wij het wel opmerkelijk dat zowel [eiseres] als haar echtgenoot ons geen enkele informatie konden verstrekken van de persoon die de onderhavige auto voor hen gekocht zou hebben, noch van hun eigen familieleden en vrienden waar zij in Berlijn verbleven zouden hebben dan wel anderszins contact mee hebben gehad, zoals namen, adressen en telefoonnummers. In verband hiermee hebben wij de verklaring van zowel G. [eiseres] als van [echtgenoot van eiseres] omtrent zowel de aankoop van de auto als hun verblijf in Duitsland en de diefstalomstandigheden, op geen enkele wijze kunnen verifiëren.

Van enige negatieve betrokkenheid van G. [eiseres] dan wel van [echtgenoot van eiseres] bij deze diefstal, is ons tot op heden niets gebleken.

2.7. Bij brief van 30 juni 2009 heeft Polis Direct [eiseres] bericht geen dekking te verlenen voor de geclaimde schade. Deze beslissing baseerde Polis Direct op de artikelen 7:928 en 7:930 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiseres] heeft volgens haar bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst met opzet verzwegen dat haar echtgenoot in de periode 2001 tot 2004 in aanraking is geweest met justitie.

2.8. Bij brief van 31 augustus 2009 heeft de advocaat van [eiseres] laten weten daarmee niet in te kunnen stemmen en Polis Direct aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] als gevolg van die beslissing lijdt.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i) voor recht zal verklaren dat de schade van [eiseres] als gevolg van de diefstal van de auto op 19 maart 2009 te Berlijn, Duitsland, is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst en Polis Direct zal veroordelen tot betaling aan haar van € 12.000,--, althans een nader door de rechtbank te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2009 althans de dag van de dagvaarding,

ii) Polis Direct zal veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis, van het bedrag van € 952,--, althans subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,

iii) Polis Direct zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Polis Direct toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de verplichting uit de verzekeringsovereenkomst, te weten het verlenen van dekking voor de door haar geleden schade. Stellende dat er is voldaan aan de voor dekking onder de polis gestelde eisen vordert zij nakoming van deze verplichting. Subsidiair stelt zij dat Polis Direct onrechtmatig jegens haar handelt door haar beroep op de verzekeringsovereenkomst niet te honoreren. De door [eiseres] geleden schade bestaat uit het aankoopbedrag van de auto, althans het door de schade-expert van het onderzoeksbureau vastgestelde schadebedrag van € 10.750,-- waarmee zij heeft ingestemd.

3.3. Polis Direct voert verweer. Zij betwist dat [eiseres] heeft bewezen dat de auto gestolen is. Voor zover de rechtbank diefstal van de auto voldoende aannemelijk acht, betwist zij dat zij gehouden is om tot (volledige) uitkering over te gaan. Zij stelt daartoe primair dat [eiseres] de in artikel 7:928 BW neergelegde mededelingsplicht heeft geschonden, hetgeen leidt tot het verval van recht op schadevergoeding. Ook stelt zij dat [eiseres] de in artikel 7:941 lid 2 BW neergelegde inlichtingenplicht niet is nagekomen, waardoor zij schade stelt te hebben geleden. Ten slotte stelt zij dat [eiseres] onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt, hetgeen op grond van artikel 1.11 van de algemene voorwaarden primair leidt tot het verval van recht op schadevergoeding en subsidiair tot een beperking van de schadevergoedingsplicht.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil is of Polis Direct op goede gronden weigert over te gaan tot uitkering op grond van de verzekering.

4.2. Polis Direct stelt zich in deze procedure ten eerste op het standpunt dat [eiseres] de diefstal van de auto niet heeft bewezen. Enkel het proces-verbaal van aangifte is volgens Polis Direct onvoldoende om de diefstal van de auto te kunnen bewijzen, gelet op de vele tegenstrijdigheden en onduidelijkheden in de verklaringen die [eiseres] en haar echtgenoot hebben afgelegd.

4.3. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust de bewijslast van de stelling dat de diefstal heeft plaatsgevonden, in het geval dat de verzekeraar die stelling gemotiveerd heeft betwist, op degene die uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst schadevergoeding ter zake van diefstal van zijn auto vordert. Door de omstandigheid dat direct bewijs van diefstal veelal niet mogelijk is, mogen aan dat bewijs geen al te zware eisen worden gesteld. Voldoende is dat feiten en omstandigheden worden bewezen die aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden (vgl. HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 141).

4.4. Geconstateerd wordt dat [eiseres] aan het onderzoeksbureau de volgende bescheiden heeft overgelegd:

- delen 1A en II van het kentekenbewijs van de auto (het ontbrekende deel zou in de auto zijn achtergebleven)

- het APK rapport van de auto

- een bewijs van aangifte van diefstal (‘Mitteilung des Geschäftszeichens’) van een personenauto op 19 maart 2009 bij de politie te Berlijn, Duitsland

- 3 [sleutels].

Haar echtgenoot heeft 2 overeenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat hij op 19 maart 2009 bij het bedrijf Sixt GmbH & Co. Autovermietung KG in Duitsland een Mercedes Benz C220 heeft gehuurd (met daarop : ‘Uebergabe: 19.03.2009 17.06 BERLIN MITTE’).

Ten behoeve van deze procedure heeft [eiseres] aanvullend een verklaring overgelegd van [2 betrokkenen]. Zij verklaren dat [eiseres] met haar echtgenoot in de nacht van 18 op 19 maart 2009 bij hen in Berlijn heeft gelogeerd en dat zij op 19 maart 2009 constateerde dat haar auto gestolen was. Ook de ouders van [eiseres] bevestigen in een door haar overgelegde verklaring dat de auto, waarin hun dochter regelmatig reed, is gestolen in Duitsland.

4.5. Met inachtneming van hetgeen onder 4.3 is overwogen heeft [eiseres] met de hiervoor opgesomde bescheiden, waarbij het gaat om méér dan enkel de aangifte, in beginsel bewezen dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Dit is alleen anders, indien Polis Direct de betwisting van de diefstal zodanig inhoud geeft, dat er toch gegronde reden bestaat om daaraan te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat Polis Direct daarin niet is geslaagd.

4.6. Polis Direct wijst op enkele tegenstrijdigheden in de verklaringen van [eiseres] en haar echtgenoot, te weten over de vraag of ze bij familie of bij vrienden hebben gelogeerd, over de aankoop van de auto en over de vraag waar en wanneer de huurauto is ingeleverd. Ook wijst Polis Direct op enkele onduidelijkheden, bijvoorbeeld waar de auto zich ten tijde van de diefstal bevond. In de verklaring van [2 betrokkenen] staat dat [eiseres] haar auto in de [straat 1] had geparkeerd, terwijl uit het onderzoeksrapport blijkt dat de diefstal blijkens de aangifte heeft plaatsgevonden op de kruising tussen de [straat 2] met de [straat 3].

4.7. De voornoemde tegenstrijdigheden en onduidelijkheden kunnen echter op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigen dat [eiseres] geen bewijs heeft geleverd van de diefstal van de auto. Daarbij wordt meegewogen dat het onderzoeksbureau van Polis Direct heeft geconcludeerd vooralsnog geen reden te hebben te twijfelen aan de juistheid van de door verzekeringnemer [eiseres] en haar echtgenoot [echtgenoot van eiseres] afgelegde verklaring en de ingediende claim terzake de diefstal van de onderhavige auto. Ten aanzien van de plaats van de gestelde diefstal wordt opgemerkt dat [eiseres] en haar echtgenoot hebben verklaard dat zij de auto tegenover of naast hun flat van [2 betrokkenen] hebben geparkeerd, die in de [straat 2] wonen. Daardoor is niet ondenkbaar dat de auto zich ten tijde van de beweerde diefstal bevond op de kruising tussen de [straat 2] met de [straat 3].

4.8. Het verweer van Polis Direct dat door de twijfels aan het geheel aan verklaringen van [eiseres] en haar echtgenoot ook moet worden getwijfeld aan de gestelde diefstal zelf wordt niet gevolgd.

Schending mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW

4.9. Vervolgens is de vraag aan de orde of [eiseres] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst haar mededelingsplicht heeft geschonden, zoals Polis Direct stelt. De bewijslast hiervan rust – bij voldoende betwisting – op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. in beginsel op Polis Direct, omdat zij zich immers beroept op de rechtsgevolgen van die schending.

4.10. In artikel 7:928 lid 1 BW is bepaald dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.

4.11. Nu Polis Direct aan het eind van het telefoongesprek heeft aangegeven een aantal vragen te stellen, die naar waarheid moesten worden beantwoord, is de situatie deels vergelijkbaar met de in artikel 7:928 lid 6 BW genoemde situatie, waarbij de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst. Met een vragenlijst geeft de verzekeraar te kennen dat die feiten voor hem van belang zijn, maar suggereert daarmee ook dat andere feiten hem niet interesseren. De situatie is echter in zoverre anders, dat Polis Direct de vragen die zij kennelijk relevant vond aan het eind van het telefoongesprek – dat blijkens de ter griffie gedeponeerde opname meer dan een kwartier duurde – in minder dan een minuut snel achter elkaar heeft gesteld, zonder enige nadere toelichting. Dat brengt mee dat de verzekeringnemer weinig tijd krijgt om de relevantie van de vraag en het antwoord daarop tot zich te laten doordringen, in elk geval minder tijd dan bij een schriftelijke vragenlijst.

4.12. Polis Direct stelt in dit verband dat uit het door het onderzoeksbureau verrichte onderzoek is gebleken dat de echtgenoot van [eiseres] in 2001 en 2004 strafrechtelijk is veroordeeld wegens mishandeling en dat hij in 2002 en 2003 vier maal is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, met als gevolg bestuurlijke boetes en een veroordeling tot het volgen van een educatieve maatregel alcohol. [eiseres] had, nu zij wist dat haar echtgenoot de auto ook zou gaan besturen, moeten weten of behoren te begrijpen dat deze haar bekende feiten voor Polis Direct van belang zouden zijn bij de risicobeoordeling, zeker nu Polis Direct bij het aangaan van de overeenkomst expliciet heeft gevraagd naar een eventueel strafrechtelijk verleden van [eiseres] of een andere belanghebbende verzekerde. Polis Direct stelt dat zij de verzekeringsovereenkomst niet zou zijn aangegaan, indien zij op de hoogte was gesteld van het verleden de echtgenoot van [eiseres].

4.13. Artikel 7:928 lid 5 BW bepaalt dat de verzekeringnemer slechts verplicht is feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen. Dat laatste betekent blijkens de Kamerstukken (NvW I, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, p .21) dat de verzekeraar in exacte bewoordingen moet aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent dit verleden voor hem van belang zijn. Alleen met betrekking tot die feiten behoeft de verzekeringnemer mededelingen te doen. De verzekeraar zal in zijn vraag moeten aangeven in welke strafbare feiten hij geïnteresseerd is, en of hij daarbij alleen het oog heeft op strafrechtelijke veroordelingen of wellicht ook in een vrijspraak, een schikking of een maatregel.

4.14. Polis Direct heeft bij het telefonisch stellen van de vraag, of [eiseres] of een andere belanghebbende verzekerde bij deze verzekering in de afgelopen 8 jaar strafrechtelijk veroordeeld is geweest, niet aangegeven welke feiten en omstandigheden omtrent het strafrechtelijk verleden voor haar van belang zijn. Ook heeft zij niet toegelicht dat het verleden van de echtgenoot van [eiseres] mede een rol kan spelen. Gelet daarop en met inachtneming van de onder 4.11 weergegeven wijze van vraagstelling had het voor [eiseres] niet zonder meer duidelijk hoeven zijn dat zij op deze algemene vraag informatie over het hiervoor vermelde strafrechtelijk verleden van haar man en over de aan hem opgelegde bestuurlijke boetes had moeten verstrekken. Ook is nog maar de vraag deze feiten, indien zij deze wel had gemeld, tot een voor haar ongunstiger beslissing zouden hebben geleid, zoals bedoeld in artikel 7:928 lid 4 BW (het relevantievereiste).

4.15. Polis Direct voert verder aan dat [eiseres] op de vraag of zij of een andere belanghebbende verzekerde bij deze verzekering ooit een verzekering is geweigerd had moeten meedelen dat haar man in het verleden is geweigerd bij verzekeringsmaatschappijen, zoals uit onderzoek bleek. De vraag van Polis Direct wordt echter zodanig algemeen en ruim geacht, dat Polis Direct [eiseres] niet zonder meer kan verwijten dat zij dit tijdens het telefoongesprek niet heeft gemeld. Ook bij dit oordeel speelt de wijze van vraagstelling, zoals hiervoor onder 4.11 weergegeven, een rol. Polis Direct heeft verder niet gesteld welke verzekeringen de echtgenoot van [eiseres] dan zouden zijn geweigerd. Ook uit het onderzoek blijkt dit niet. Daardoor kan in het geheel niet worden beoordeeld of die weigering verzekeringen betreft, waarvan [eiseres] had behoren te begrijpen dat deze relevant zouden zijn voor Polis Direct bij het beoordelen van het risico.

4.16. Polis Direct stelt subsidiair dat zij niet gehouden is om tot uitkering over te gaan omdat [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat zij 10.000 kilometer per jaar met de auto verwachtte te gaan rijden en met opzet heeft verzwegen dat er méér met de auto zou worden gereden, dit om een lagere premie te bewerkstelligen. Uit de verklaring van haar echtgenoot blijkt nu dat met de auto in twee maanden tijd ruim 8.000 kilometer is gereden. Polis Direct stelt dat haar echtgenoot met de auto op en neer naar Turkije is gereden. Volgens Polis Direct zou zij de overeenkomst niet, dan wel tegen een hogere premie zijn aangegaan, indien zij had geweten dat er veel meer dan 10.000 kilometer per jaar met de auto gereden zou worden. Polis Direct stelt dat de ruim twee keer zo hoge houderschapsbelasting voor een dieselmotor niet opweegt tegen de lagere brandstofkosten bij het rijden van 10.000 kilometer per jaar, waaraan zij kennelijk – zo begrijpt de rechtbank – de conclusie verbindt dat de auto blijkbaar niet is aangeschaft voor gebruik van 10.000 kilometer per jaar.

4.17. Tijdens het hiervoor al genoemde telefoongesprek heeft Polis Direct inderdaad gevraagd hoeveel kilometer [eiseres] dacht per jaar met de auto te gaan rijden. Toen [eiseres] niet meteen antwoordde, heeft (de medewerker van) Polis Direct aangegeven dat mensen gemiddeld 10.000 kilometer per jaar rijden en heeft zij gevraagd of [eiseres] minder rijdt. [eiseres] heeft vervolgens aangegeven dat zij wel meer rijdt. Daarop heeft Polis Direct geantwoord dat ze ‘even’ gemiddeld 10.000 per jaar aangeeft en dat [eiseres] het gewoon ‘even’ moet aangeven als ze daarboven mocht komen. Door het verloop van dit deel van het gesprek en het gemak waarmee dit aantal kilometers is aangegeven bij het aangaan van de overeenkomst kan niet worden gezegd dat [eiseres] opzettelijk informatie heeft verzwegen en haar mededelingsplicht heeft geschonden, noch dat [eiseres] de te rijden kilometers per jaar goed kon inschatten en het voor haar duidelijk had moeten zijn dat de hoogte van de premie daarvan zou afhangen. Dit zou mogelijk anders zijn geweest, indien Polis Direct een korte toelichting zou hebben gegeven en meer gedetailleerde vragen zou hebben gesteld, zoals bijvoorbeeld over reizen naar het buitenland.

4.18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Polis Direct, tegenover de ontkenning van [eiseres], onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat [eiseres] bij het aangaan van de verzekering haar mededelingsplicht heeft geschonden. Daarbij speelt een rol dat, zoals onder 4.11 al is overwogen, Polis Direct er zelf voor heeft gekozen om bij het telefonisch aangaan van de verzekeringsovereenkomst af te gaan op de antwoorden die zij krijgt op een aantal in een zeer kort tijdsbestek achter elkaar gestelde, algemeen en oppervlakkig geformuleerde vragen, waarbij zij de relevantie van de vraag niet toelicht en bij een ‘nee’ of ‘ja’ ook niet verder doorvraagt.

Schending inlichtingenplicht 7:941 lid 2 BW

4.19. Verder ligt de vraag voor of [eiseres] haar inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 7:941 lid 2 BW is nagekomen en zo dit niet het geval is, wat de rechtsgevolgen daarvan zijn. Ingevolge deze bepaling is de verzekeringnemer / tot uitkering gerechtigde verplicht om de verzekeraar binnen redelijke termijn alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. De bewijslast ter zake van een beroep op niet-nakoming van de inlichtingenplicht rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. in beginsel op Polis Direct.

4.20. Polis Direct stelt dat [eiseres] geen inlichtingen en bescheiden heeft kunnen verschaffen over de aankoop en koopprijs van de auto, zoals een koopovereenkomst, factuur, bankafschrift of ander bewijs van geldopname, zodat niet vastgesteld kan worden of de schade wel € 12.000,-- bedraagt. Daarmee heeft [eiseres] geen bewijs van de beweerdelijke schade en de omvang daarvan geleverd, aldus Polis Direct. Ook verwijt zij [eiseres] dat zij te laat inlichtingen heeft verstrekt aangaande het verblijf in Berlijn en dat zij en haar man niet alleen daarover, maar ook over andere zaken, tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Polis Direct is daarom van mening dat de uitkering op grond van artikel 7:941 lid 3 BW verminderd moet worden met de schade die zij hierdoor leidt.

4.21. Hierover wordt als volgt overwogen. Polis Direct heeft, toen zij twijfels had met betrekking tot de aangifte, het onderzoeksbureau ingeschakeld. De Expertise & Taxatie Groep Hoofddorp heeft in opdracht van het door Polis Direct ingeschakelde onderzoeksbureau geschreven dat de aankoopprijs van de auto in Duitsland tussen de

€ 7.000,-- en € 8.000,-- geweest moet zijn. Op grond daarvan heeft deze Expertise & Taxatiegroep met [eiseres] een akkoord bereikt over de schadevaststelling ter hoogte van € 10.750,--, in welk bedrag een vergoeding is opgenomen voor eventueel in de auto aanwezige accessoires. Polis Direct heeft wel gesteld dat deze schadevaststelling is geschied zonder gehoudenheid van gehele of volledige betaling door Polis Direct, hetgeen ook in de akkoordverklaring is opgenomen. Zij heeft echter niet gesteld en onderbouwd welke schade zij lijdt door het eventuele niet-nakomen door [eiseres] van haar inlichtingenplicht. Kennelijk heeft de door Polis Direct ingeschakelde deskundige tot een schadevaststelling kunnen komen, zodat zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom Polis Direct door de eventuele niet-nakoming door [eiseres] van de inlichtingenplicht schade heeft geleden. Ook heeft Polis Direct niet gesteld en onderbouwd dat zij hierdoor zodanig in een redelijk belang is geschaad, dat het recht van [eiseres] op uitkering vervalt in de zin van artikel 7:941 lid 4 BW.

4.22. Het beroep van Polis Direct op niet-nakoming van de inlichtingenplicht ex artikel 7:941 lid 2 BW kan daarom niet leiden tot het verval van het recht van [eiseres] op uitkering of tot vermindering van de uitkering met door Polis Direct geleden schade.

Verschaffen van een onjuiste of onvolledige voorstelling van zaken in de zin van artikel 1.11 van de algemene voorwaarden

4.23. Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of [eiseres] een onjuiste dan wel onvolledige voorstelling van zaken heeft gegeven als bedoeld in artikel 1.11 van de algemene voorwaarden, zoals Polis Direct aanvoert, en of dit leidt tot verval van het recht van [eiseres] op uitkering uit de verzekering.

4.24. [eiseres] heeft de onderhavige verzekeringsovereenkomst als particuliere verzekeringnemer / consument gesloten. De rechtbank dient volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2010 (NJ 2011, 41, Pénzügyi Lízing / Schneider) ambtshalve te toetsen of het in de onderhavige algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EG van de raad van 5 april 1993, hierna ook: de richtlijn). De rechter dient ingevolge dit arrest, indien nodig, ambtshalve instructiemaatregelen te treffen om dit te kunnen vaststellen.

4.25. In het onderhavige geval bestaat er geen discussie over dat de verzekeringnemer een consument is in de zin van artikel 2 sub b) van de richtlijn, dat de verzekeraar een rechtspersoon is die handelt in het kader van haar privaatrechtelijke beroepsactiviteit, dus een verkoper is in de zin van artikel 2 sub c) van de richtlijn en dat over het beding in artikel 1.11 van de algemene voorwaarden niet afzonderlijk is onderhandeld als bedoeld in artikel 3 onder 1 van de richtlijn. Het onderhavige vervalbeding valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Gelet op dit een en ander bestaat geen noodzaak voor een ambtshalve instructiemaatregel.

4.26. Vervolgens moet ambtshalve worden getoetst of er sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn. Dat laatste volgt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 oktober 2006 (NJ 2007, 201, Mostaza Claro), van 21 november 2002 (NJ 2003, 703, Codifis) en van 27 juni 2000 (NJ 2000, 730, Océano). In die arresten is bepaald dat de aard en het gewicht van het openbare belang, waarop de door de richtlijn aan de consument verschafte bescherming rust, meebrengen dat bedingen in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten ook getoetst dienen te worden op oneerlijkheid (of, naar nationaal recht, op het onredelijk bezwarende karakter daarvan) indien de consument zich niet uitdrukkelijk op de oneerlijkheid of het onredelijk bezwarende karakter van die bedingen heeft beroepen.

4.27. In artikel 3 lid 1 van de richtlijn is bepaald dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Daarvan is in het onderhavige geval, gelet op het navolgende, sprake. Vastgesteld wordt dat het door Polis Direct in artikel 1.11 van de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding veel ruimer is geformuleerd en verder strekkende gevolgen heeft – ten nadele van de consument – dan hetgeen in de artikelen 7:928 en 7:941 BW is bepaald. De voornoemde wetsartikelen zijn dwingend recht. In artikel 7: 943 lid 3 BW is al bepaald dat niet van artikel 7:928 BW kan worden afgeweken ten nadele van de verzekeringnemer of van de uitkeringgerechtigde, indien de verzekeringnemer een particulier is. Ook is daarin bepaald dat niet van artikel 7: 941 lid 1, 2, 4 en 5 BW mag worden afgeweken. Een afwijking van deze bepalingen van dwingend recht is ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar. Daar komt nog bij dat het onderhavige vervalbeding een beding is dat de consument geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de verzekeraar toegezegde prestatie op te eisen in de zin van artikel 6:236 aanhef en onder a BW. Een dergelijk beding is blijkens dat artikel onredelijk bezwarend en daarmee vernietigbaar op grond van artikel 6:233 aanhef en sub a BW. Hoewel [eiseres] geen beroep heeft gedaan op vernietigbaarheid van het vervalbeding, komt de rechtbank op grond van het voorgaande ambtshalve tot het oordeel dat het onderhavige vervalbeding strijdig is met de hiervoor genoemde bepalingen ter bescherming van de particuliere verzekeringnemer / consument en daarom een oneerlijk beding is in de zin van de richtlijn dat [eiseres] niet kan binden.

4.28. Gelet op het voorgaande kan het beroep van Polis Direct op artikel 1.11 van de algemene voorwaarden niet slagen.

Conclusie

4.29. Nu hiervoor is geoordeeld dat [eiseres] voldoende bewijs heeft geleverd van diefstal van de auto en dat het beroep van Polis Direct op verval van het recht op uitkering wegens schending door [eiseres] van de mededelingsplicht, inlichtingenplicht of de algemene voorwaarden niet is geslaagd, moet worden geconcludeerd dat de vordering van [eiseres] toewijsbaar is. De rechtbank acht het daarbij juist om voor de hoogte van het uit te keren schadebedrag aan te sluiten bij het schadebedrag dat al is vastgesteld – en door [eiseres] akkoord is bevonden – door de (indirect) in opdracht van Polis Direct ingeschakelde Expertise & Taxatie Groep Hoofddorp, te weten € 10.750,--. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag zal als niet afzonderlijk bestreden worden toegewezen vanaf 19 maart 2009 tot aan de dag van volledige betaling.

4.30. Polis Direct heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten gemotiveerd weersproken. Volgens Polis Direct moeten de werkzaamheden waarnaar [eiseres] verwijst worden aangemerkt als verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. Daartegenover heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat de door haar gevorderde kosten betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv. een vergoeding plegen in te sluiten. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

4.31. Polis Direct zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- vast recht € 317,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00 )

Totaal € 1.534,93

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de schade van [eiseres] als gevolg van de diefstal van de [de auto], op 19 maart 2009 te Berlijn, Duitsland, is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst die zij met betrekking tot die auto met Polis Direct heeft gesloten,

5.2. veroordeelt Polis Direct om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] te betalen een schadebedrag van € 10.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 maart 2009 tot aan de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Polis Direct in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.534,93, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis, indien deze kosten dan nog niet zijn betaald,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.

Coll. ES