Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5743

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
205080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na aanrijding.

Condicio sine qua non-verband tussen ongeval en klachten c.q. beperkingen. Rechtbank heeft behoefte aan nadere voorlichting door deskundige of de preëxistente verschijnselen ook zonder het ongeval zouden zijn ingetreden en zo ja, op welke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205080 / HA ZA 10-1736

Vonnis van 27 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat dr.mr. J.J.H. Post te Barneveld,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 februari 2001 is aan [eiser] een verkeersongeval overkomen. Hij werd, terwijl hij in de file stilstond op de snelweg A1, van achter aangereden door een busje. De auto van [eiser] is door de klap doorgedrukt op zijn voorganger. Interpolis is de verzekeraar ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) van dat busje. Zij heeft op 28 februari 2001 de aansprakelijkheid van haar verzekerde jegens [eiser] erkend.

2.2. Direct aansluitend aan het ongeval had [eiser] in ieder geval nekklachten. De huisarts van [eiser] heeft op de patiëntenkaart na het ongeval over een consult op 6 maart 2001 genoteerd: “nav. auto ongeval 20/02; houdt nek/schouderklachten (…)”. En bij een consult van 25 mei 2001: “S: houdt onderrugklachten ondanks th bij Wissema. O: pijnlijk laag lumbaal/S1; oorzaak? P: eerst x foto” En op 8 juni 2001: “S: op x-lwk graad 1 anteropositie 13 tov 14 te zien, iom orthopeed; kan zowel degeneratie als traumatisch zijn; advies: driekwartopname. Bij degen: FT of corset, bij traumatisch: naar orthopeed (overlegd met br baard eemland). P: X-lwk, ¾”. Op 3 juli 2001: “S: na overleg verwijzing orthopeed”.

2.3. De klachten van [eiser] zijn aanvankelijk behandeld met twee à drie sessies fysiotherapie, daarna Cesar-therapie tot november 2001 en behandelingen bij een chiropractor. De nekklachten zijn na verloop van tijd verdwenen. De rugklachten zijn echter niet verdwenen.

2.4. Op gezamenlijk verzoek van (de medisch adviseurs van) [eiser] en Interpolis heeft de orthopedisch chirurg J.A.G. van de Laar omtrent [eiser] op 25 augustus 2003 gerapporteerd. Uit dat rapport wordt het volgende geciteerd:

“I. Anamnese:

(…) Per ambulance is hij naar het ziekenhuis De Lichtenberg te Amersfoort gebracht. Hij is op de eerste hulp onderzocht waarbij geen breuken werden vastgesteld. Hij mocht naar huis.

Thuis had hij hevige pijn in zijn nek en rug. Hij kon slecht lopen en de pijn onderin de rug ging gepaard met uitstraling naar de benen. Dat was volgens betrokkene meteen na het ongeval het geval. Hij probeerde zoveel mogelijk in beweging te blijven. Via de huisarts heeft hij fysiotherapie gehad maar dit hielp niet. De nekklachten zijn geleidelijk aan vanzelf verdwenen. (…)

Wat betreft zijn werkzaamheden is betrokkene consultant (logistiek en projectrealisatie). Betrokkene werkt 40 tot 60 uur per week. Na het ongeval heeft hij drie weken niets gedaan maar geleidelijk aan is hij weer begonnen. Hij werkt weer volledig. In zijn werk moet betrokkene veel autorijden, zo’n 70.000 à 80.000 km jaar. (…)

III. Informatie uit de behandelende sector:

Eerste hulpverslag d.d. 20.02.2001.

Betrokkene was betrokken bij een kop/staartbotsing. (…). Er was pijn in de nek. (…)

Brief d.d. 06.08.2001 van L.M. Marting, orthopaedisch chirurg.

Betrokkene is gezien in verband met rugklachten, toegenomen na een auto-ongeval in februari van dit jaar toen hij van achteren werd aangereden. (…)

Conclusie: exacerbatie rugklachten op basis van spondylartrose, preëxistent. (…)

Brief d.d. 11.12.2002 van D.B. van der Schaaf, orthopaedisch chirurg.

Betrokkene werd op 11.09.2002 en 03.12.2002 gezien in verband met lage rugklachten na een auto-ongeval in februari vorig jaar. Hij is destijds van achteren aangereden. Voor die tijd had hij nauwelijks rugklachten. Na het ongeval zijn de klachten invaliderend. (…)

Conclusie: exacerbatie van de lage rugklachten na auto-ongeval met röntgenologisch diffuus degeneratieve LWK. (…)

IV. Beeldvormende diagnostiek:

(…) Conclusie: röntgenologisch is er sprake van een degeneratieve lumbale wervelkolom met een instabiliteit op het niveau L3-L4. (…)

V. Samenvatting:

Het betreft een 60-jarige man die op 20.02.2001 in een file van achteren werd aangereden met vrij hoge snelheid. Daarna was zijn auto total-loss. Direct in aansluiting aan het ongeval had betrokkene pijn in de nek en lage rug met uitstraling in de benen. Bij het bezoek aan de eerste hulp blijkt uit het verslag dat er klachten zijn geweest van nek en hoofd. Geen melding wordt gedaan van lage rugklachten. In ieder geval heeft betrokkene vanwege de aanhoudende klachten enige tijd fysiotherapie gehad zonder effect. Hij is uiteindelijk gezien door twee orthopaedisch chirurgen die spreken over een exacerbatie van lage rugklachten na trauma.

Röntgenologisch werden er degeneratieve afwijkingen aan de LWK vastgesteld. De nekklachten zijn na het ongeval geleidelijk aan spontaan verdwenen. Vervolgens heeft betrokkene een tijdje Cesartherapie gehad, later chiropractie en momenteel krijgt hij sportmassage.

Betrokkene heeft veel klachten van zijn lage rug, die zijn functioneringsniveau beïnvloed, zoals meer in detail verwoord in de anamnese. Met name heeft hij last bij zitten, staan, lopen, fietsen en ook autorijden. Er is nog steeds een tintelend gevoel aan de achterzijde van de benen, soms tot aan de voet.

Bij drukverhogende momenten treedt evenwel geen uitstraling op.

Ten aanzien van sport/hobby’s is hij gestaakt met volleybal en tuinieren. Met name klaagt betrokkene over stijfheid onderin de rug na opstaan. Eén en ander is meer in detail verwoord in de anamnese.

Bij orthopaedisch onderzoek zien wij een licht overgewicht. Er is een insufficiëntie van de buikmusculatuur. Het looppatroon is normaal. De LWK toont een verminderde lumbale lordose en een lichte links convexe thoracolumbale bocht ook zonder torsie. Er is pijn paravertebraal lumbaal met hypertonie. Er is geen duidelijke hakvalpijn. Functioneel is er een traag bewegingsritme met een verminderde flexie en extensie, overigens zonder kurkentrekkerfenomeen. Verder is er een status na enkelfractuur rechts.

Oriënterend neurologisch onderzoek toont geen afwijkingen. Voorts is er een lichte trofische stoornis aan de distale onderbenen.

Röntgenologisch is er sprake van een diffus degeneratieve lumbale wervelkolom met een instabiliteit op niveau L3-L4.

VI. Conclusie:

Op orthopaedisch gebied is er sprake van een instabiliteit op het niveau L3-L4 met pseudoradiculaire uitstraling in het linker been bij diffuus degeneratieve verandering.

VII. Beantwoording van de door u gestelde vragen:

Vraag 1: (…) welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied (…)?

Antwoord: (…) Als diagnose is er op orthopaedisch gebied sprake van een instabiliteit op het niveau L3-L4 met (pseudo)-radiculaire uitstraling in het linker been bij diffuus degeneratieve verandering. (…)

Vraag 2: Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

Vraag 2a: Waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als mogelijk ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?

Antwoord: Uit de gegevens van de behandelende sector blijkt uit het eerste hulpverslag geen lage rugklachten wel nekklachten. Volgens betrokkene zijn de klachten wel degelijk direct na het ongeval ontstaan. Daarnaast blijkt uit het röntgenonderzoek en ook bij de behandelend orthopaedisch chirurg dat er sprake is van preëxistente diffuus degeneratieve afwijkingen in de LWK en dat er sprake is van exacerbatie van lage rugklachen na trauma. Uit de anamnese blijkt dat betrokkene sinds het ongeval in ieder geval dusdanig klachten heeft ontwikkeld dat hij slechter is gaan functioneren en naast pijn gaat het om uitstralende pijn met beperkingen ten aanzien van zitten, staan, lopen, autorijden en bukken. Ten aanzien van de klachten kan worden gesteld dat deze niet aanwezig waren vóór het ongeval.

Wat betreft de röntgenologische bevindingen is er sprake van diffuus degeneratieve afwijkingen in de lumbale wervelkolom die als zodanig preëxistent zijn. Op het niveau L3-L4 wordt op 05.06.2001 door de verslagleggend radioloog een graad I anteropositie van L3 ten opzichte van L4 beschreven. Dit zou nog als degeneratief verschijnsel kunnen worden opgevat, maar de laatste foto’s tonen een dusdanige verschuiving van L3 ten opzichte van L4 bij flexie dat dit als een traumatische instabiliteit moet worden beschouwd.

Vraag 2b: Welke van de huidige klachten en/of restverschijnselen naar uw mening reeds vóór het ongeval d.d. 20.02.2001 bestonden of op enig moment óók zouden (zijn) ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

Antwoord: De klachten zoals betrokkene die thans heeft bestonden niet voor het ongeval d.d. 20.02.2001 in tegenstelling tot de röntgenologische afwijkingen, namelijk de diffuse degeneratieve veranderingen die wel op dat moment bestonden. Gezien de aard van het röntgenonderzoek is het niet uit te sluiten dat betrokkene dergelijke klachten ook zonder ongeval had kunnen krijgen. Ook uit de verslaglegging van de behandelende sector moet worden geconcludeerd dat er bij betrokkene reeds preëxistente rugklachten aanwezig waren, hetgeen ook verklaarbaar is op grond van de vrij uitgebreide en diffuse degeneratieve afwijkingen.

De toename van de klachten zoals die door betrokkene worden beschreven stroken mijns inziens goed met de gevonden afwijkingen, namelijk een instabiliteit op het niveau L3-L4.

De huidige klachten met uitstralende pijn in het been en de röntgenologische instabiliteit zijn naar mijn mening een ongevalgevolg en zou in deze mate niet zijn ontstaan wanneer betrokkene het ongeval niet was overkomen.

Vraag 2c: Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn geweest?

Antwoord: Vervalt.

(…)

Vraag 4b: Acht u het op grond van uw onderzoeksresultaten aannemelijk dat de gevonden beperkingen het gevolg van het ongeval zijn?

Antwoord: Bij betrokkene is er uiteraard sprake van uitgebreide degeneratieve veranderingen in de lumbale wervelkolom die als zodanig klachten kunnen geven zoals betrokkene die thans ook ondervindt ook zonder ongeval. Echter de laatste röntgenfoto’s laten heel duidelijk een instabiliteit zien op het niveau L3-L4 en ik denk dat het redelijk is te veronderstellen, gezien deze bevindingen en de klachten van betrokkene dit als aannemelijk te beschouwen in aansluiting op voornoemd ongeval.”

2.5. Op 10 februari 2004 is [eiser] in het MRI-centrum te Amsterdam gezien door neuroradioloog dr. R.E.M. Hekster voor een MRI-onderzoek. Uit diens verslag van 13 februari 2004 wordt het volgende geciteerd:

“MR LWK verslag

(…) Bij die telling is er een status na hyperflexie fractuur van L2, een anteropositie van L3 op L4. Op alle, op het sagittale vlak afgebeelde niveaus, is sprake van discusdegeneratie en op de meeste niveaus zijn ook reactieve veranderingen, duidelijkst op L5-S1 aan en langs de sluit- en dekplaten aanwezig. In ruglig een volledig verstreken lordose. Blijkens uw verwijzingsgegevens maar voor mij niet goed te begrijpen, zouden er slechts degeneratieve veranderingen aan de wervelkolom zichtbaar zijn. De anteropositie en de fractuur moeten mijns inziens al lang bestaan. Op meerdere niveaus puilt de gedegenereerde discus wat uit maar alleen op L3-4 heeft een en ander, in combinatie met de anteropositie een forse stenoserend effect op de inhoud van de duraalzak. Distaal van deze stenose een sterk geslingerd verloop van de caudacomponenten, (geen uitgezette venen). Het li. facetgewricht L3-4 is “incompleet”, moet in ernstige mate beschadigd zijn geraakt, ook dit is, zover ik kan nagaan niet recent. De stenose op dit niveau is li. veel uitgesprokener dan re. Verder op de meeste niveaus wel wat spondylartrose en flavumhypertrofie, duidelijkst op L2-3, er is een groot wervelhaemangioom li. in het corpus L2.

CONCLUSIE

Status na corpusfractuur L2. Anteropositie, zou best traumatisch kunnen zijn, L3-4 met een ernstige beschadigd li. lokaal facetgewricht en een stenosering, deels door een geconsolideerde HNP, deels door artrose, flavumhypertrofie, met veel meer consequenties voor het li. dan voor het re. wortelcomplex. (…)”

2.6. [eiser] heeft zich op enig moment gewend tot de Alpha Klinik in München. De aan die kliniek verbonden arts H. Dekkers stelde (bij brief van 13 februari 2004) een decompressie-operatie voor. Dat advies van dr. Dekkers, is voorgelegd aan Van de Laar, die daarover op 31 maart 2004 aan de medisch adviseur van [eiser] heeft geschreven:

“(…) kan ik u meedelen dat er kennis werd genomen van het schrijven van collega Dekkers uit München. De MRI-scan was niet ter inzage. Uit zijn verslag blijkt dat er een beduidende stenose is op meerdere niveaus. Echter, dit contrasteert met de anamnese, namelijk een loopafstand van 6 à 7 km. Bij een belangrijke stenose is dit eigenlijk niet mogelijk. Daarnaast is er een instabiliteit door ons geconstateerd die, wat betreft de behandeling, lijnrecht staat tegenover een decompressieoperatie. Vooralsnog kunnen wij de voorgestelde behandeling niet ondersteunen, maar zoals gezegd, de MRI-scan is momenteel niet ter inzage. Derhalve zullen wij deze opvragen en u alsnog berichten.”

2.7. Vervolgens heeft Van de Laar bij brief van 13 april 2004 aan de medisch adviseur van [eiser] bericht:

“(…) Wij hebben de MRI ontvangen en binnen onze groep besproken. De MRI toont een forse spondylose, een hemangioom op L1 (overigens zonder betekenis), maar met name afwijkingen op de niveaus L2-L3, L3-L4, L4-L5 en L5-S1. L4 toont een retropositie ten opzichte van L3 met een ernstige stenose. De stenose op L2-L3 is relatief. Op de niveaus L4-L5 is er een matige discopathie op L5-S1 een vrij forse discopathie.

De door u gestelde vragen zouden als volgt kunnen worden beantwoord.

Vraag 1: Of er inderdaad sprake is van een operatie-indicatie?

Antwoord: Er is ons inziens inderdaad sprake van een operatie-indicatie. Ons voorstel zou uitgaan naar een decompressie op het niveau L2-L4, maar dan in combinatie met een stabiliserende ingreep.

Vraag 2: Wat mogen we ervan verwachten?

Antwoord: Het effect hiervan zou mogen zijn dat niet alleen de pijnklachten zouden moeten verminderen (op grond van enerzijds de instabiliteit op het niveau, L3-L4, maar ook de beenklachten). Nogmaals vinden wij dat het in de brief van collega Dekkers gestelde, namelijk een loopafstand van zes à zeven kilometer in tegenspraak lijkt met de gevonden stenose.”

2.8. Op 1 juli 2004 heeft [eiser] in het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein een operatie (laminectomie) ondergaan.

2.9. Op gezamenlijk verzoek van de partijen heeft voorts de neurochirurg prof. dr. J.A. Grotenhuis op 29 januari 2008 omtrent [eiser] gerapporteerd. Uit diens rapport wordt geciteerd (waarbij de rechtbank de betreffende vragen voorafgaand aan de antwoorden heeft ingevoegd):

“Samenvatting van de voorgeschiedenis

(…)

Hij geeft aan dat hij eigenlijk direct in aansluiting aan deze aanrijding pijn in zijn nek en in zijn rug voelde. Hij gaf verder aan dat hij voor deze periode nooit rugklachten gehad had. De nekpijn is geleidelijk over gegaan maar de rugpijn is gebleven en nam in de periode nadien verder toe en werd erger zodanig dat in eind 2003/begin 2004 functieverlies optrad in de zin van steeds moeizamer gaan lopen en steeds meer klachten bij staan en zitten. Om de klachten te onderdrukken nam hij ’s ochtends en ’s avonds paracetamol.

De klachten waren dusdanig dat hij zelf een MRI scan in Amsterdam heeft laten maken en hij is met deze scan op consult geweest bij Dr. Dekkers, werkzaam in de Alpha Klinik in München (…). Het dringende advies was een operatieve behandeling in München.

Uiteindelijk kwam hij terecht bij de neurochirurg dr. Slooff in het ziekenhuis in Nieuwegein en op 1 juli 2004 is hij geopereerd aan een wervelkanaalstenose L2-L3 en L3-L4.

Na de operatie geeft hij aan dat hij mobieler geworden is en samenvattend vindt hij dat de achteruitgang in functioneren die voor de operatie was ingetreden uiteindelijk is gestopt maar hij heeft nimmer meer het oude niveau bereikt. Ook heeft hij regelmatig pijn. Hij moet voorzichtig opstaan en doet 1 uur oefeningen om op gang te komen en ook ‘s avonds doet hij nog 1 uur oefeningen. Het bukken lukt nog steeds niet goed.

Hij kan hooguit een 15 minuten achtereen zitten en 4 tot 5 kilometer lopen. Het tuinieren dat hij vroeger deed lukt niet meer. In zijn werk als consultant logistiek en projectrealisatie ervaart hij problemen met langdurig autorijden. Voor het ongeval werkte hij landelijk, op dit moment omdat zijn actieradius beperkt is heeft hij zijn werkzaamheden ook beperkt tot het midden van het land.

Lichamelijk onderzoek

(…)

Algemeen intern en neurologisch onderzoek laten geen opvallende zaken zien. Het looppatroon is normaal. Geen Trendelenburggang. Betrokkene kan ook goed op de tenen en hakken lopen.

Bij onderzoek van wervelkolom en extremiteiten vind ik aan de bovenste extremiteiten geen afwijkingen. Ook zijn er symmetrische reflexen. Aan de onderste extremiteiten is er een status na enkelfractuur rechts met een litteken van 9 cm lateraal over het gebied van de onderkant van de fibula. Er is geen verschil in omvang van de onderste extremiteiten.

Proef van Lasègue beiderzijds negatief. KPR is rechts opwekbaar, links niet. APR symmetrisch opwekbaar. Voetzoolreflexen beiderzijds plantair. Intacte sensibiliteit en motoriek.

Bij onderzoek van de wervelkolom staat de wervelkolom in het lood en is het bekken horizontaal. Er is een normale cervicale lordose, thoracale kyfose maar wel een duidelijke verminderde lumbale lordose.

De beweeglijkheid lumbaal is beperkt met een zeer duidelijke beperkte flexie met een Schober index van 10-13 centimeter. Betrokkene beweegt traag bij voorover buigen en achterover leunen. Zowel flexie als extensie worden ook als pijnlijk ervaren. Er is een rustig en goed genezen litteken van 10 centimeter midlumbaal.

De situatie na ongeval

(…)

1.e. Wat is de diagnose op uw vakgebied?(…)

1.e. Neurochirurgische diagnose is instabiliteit op het niveau L3-L4 op basis van een degeneratieve spondylolisthesis bij spondylarthrosis lumbalis en status na interlaminaire decompressie op het niveau L2-L3 en L3-L4.

1.f. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?

1.f. Niet van toepassing.

1.g. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (…)

1.g. De huidige mate van functieverlies (impairment) wordt vastgesteld volgens de richtlijnen van de AMA Guide 5e editie. Bij röntgenonderzoek is er sprake van een spondylolisthesis en volgens de criteria van de AMA guide 5e editie (…) is er sprake van een loss of motion segment integrity.

Conform de in de AMA guide 5e editie beschreven “diagnosis-related estimate” (DRE) methode (…) moet men dit cliassificeren als een DRE lumbale catagorie II hetgeen gewaardeerd wordt met een beperking van 5 tot maximaal 8% voor de gehele mens.

1.h. Welke beperkingen ondervindt cliënt naar uw oordeel? (…)

1.h. De beperkingen die betrokkene subjectief ondervindt zijn verminderde belastbaarheid van de rug en een verminderd vermogen om te bukken en nog maar 15 minuten achtereen kunnen zitten en het 4 tot 5 kilometer kunnen lopen alvorens sterkere klachten optreden. Objectief is er inderdaad een hypertonie van de spieren dat men als een beschermende spasme van de spieren zou kunnen beschouwen en verminderde flexie en extensie. (…)

Hypothetische situatie zonder ongeval

2.a. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval cliënt niet was overkomen?

2.a. De eerder op mijn vakgebied beschreven klachten en afwijkingen zouden zeker ook hebben kunnen ontstaan op enig ander moment als het ongeval de betrokkene niet was overkomen. In de AMA Guide 5e editie, maar ook in het begeleidende Guide Case book 2e editie (…) wordt nog eens duidelijk gesteld dat het zeer uitzonderlijk is dat een spondylolisthesis secundair is aan een ongeval. Daarbij komt het feit dat ook het overige deel van de lumbale wervelkolom diffuus spondylarthrotische, dus degeneratieve, afwijkingen laat zien.

2.b. Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoord (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

2.b. Ik denk wel dat het ongeval daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het symptomatisch worden van de misschien al in ontwikkeling zijde degeneratieve spondylolisthesis.

2.c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (…) en welke beperkingen (…) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

2.c. Als deze afwijking, die bij jonge mensen vaak een congenitale is en op latere leeftijd op basis van degeneratie voorkomt, optreedt dan zal het dezelfde mate van functieverlies geven zoals we ook nu hebben vastgesteld.

2.d. Wilt u zo uitgebreid mogelijk gemotiveerd aangeven waarom de instabiliteit als traumatisch moet worden beschouwd en niet als degeneratief bij het kennelijk ontbreken van directe posttraumatische afwijkingen?

2.d. Mede gezien het ontbreken van direct posttraumatische afwijkingen en in het bijzonder het ontbreken van bijvoorbeeld traumatische afwijking in de pedikel die tot een afschuiving zouden kunnen voeren en ook het ontbreken van indirecte aanwijzingen voor ligamentair letsel beschouw ik deze spondylolisthesis als zijnde hoofdzakelijk van degeneratieve aard waarbij deze nog asymptomatisch was maar mogelijk wel al in ontwikkeling was op basis van de bestaande degeneratie en is dit door het ongeval vervroegd symptomatisch geworden.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht verklaart dat Interpolis aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 20 februari 2001,

2. Interpolis veroordeelt tot betaling van primair € 627.595,47 althans, subsidiair, het bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

3. Interpolis veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het sub 2 toe te wijzen bedrag vanaf 20 februari 2001,

4. Interpolis veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.2. Interpolis voert gemotiveerd verweer dat hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om de begroting van de letselschade die [eiser] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de aanrijding op 20 februari 2001. Tussen de partijen staat vast dat [eiser] toen, terwijl hij stilstond in een file op de snelweg, door een busje met flinke snelheid van achteren is aangereden. Interpolis heeft als WAM-verzekeraar van dat busje de aansprakelijkheid van haar verzekerde jegens [eiser] erkend. Met name de vraag of de rugklachten van [eiser] en de daaruit voortvloeiende beperkingen het gevolg zijn van de aanrijding, heeft de partijen verdeeld gehouden en houdt de partijen nog steeds verdeeld.

4.2. Volgens [eiser] zijn die rugklachten het gevolg van het ongeval. Hij heeft onder verwijzing naar het huisartsenjournaal aangevoerd dat hij voor het ongeval geen last had van rugklachten. Na het ongeval ondervond hij rugklachten die steeds erger werden totdat de verslechtering bij de operatie van 1 juli 2004 tot staan is gebracht. Interpolis heeft aangevoerd dat uit de rapportages blijkt dat bij [eiser] reeds sprake was van aanzienlijke degeneratieve verschijnselen die ook voor het ongeval tot rugklachten hadden geleid of zonder ongeval tot rugklachten zouden hebben geleid. Volgens [eiser] kunnen de rapporten van Van de Laar en Grotenhuis niet tot uitgangspunt voor de schaderegeling worden genomen omdat de deskundigen geen kennis hebben genomen van de uitslag van de MRI-scan, waaruit niet alleen de verschuiving van L3-L4 maar ook een fractuur in L2 en een beschadiging van het linkerfacetgewricht blijkt. Overigens, zo stelt [eiser], zijn zowel Van de Laar als Grotenhuis van oordeel dat het ongeval tot beperkingen heeft geleid en hebben zij beiden een mate van functionele invaliditeit vastgesteld.

4.3. Het verweer van Interpolis is allereerst dat causaal verband tussen de rugklachten en het ongeval geheel ontbreekt. Zij stelt dat [eiser] reeds voor het ongeval rugklachten had, dat hij niet aansluitend aan het ongeval over rugklachten heeft geklaagd en dat uit de medische rapportages blijkt dat sprake was van uitgebreide degeneratieve verschijnselen. Voor het geval de rechtbank haar daarin niet zou volgen, voert Interpolis aan dat bij de begroting van de omvang van de schade moet worden verdisconteerd dat ook zonder ongeval de degeneratieve verschijnselen op een termijn van drie tot vier jaar tot dezelfde klachten en beperkingen zouden hebben geleid.

4.4. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of bij de rapporten van Van de Laar en Grotenhuis bij de verdere beoordeling kunnen worden gebruikt. Beide rapporten zijn op gezamenlijk verzoek van de partijen tot stand gekomen. Dat brengt mee dat de partijen het, behoudens klemmende bezwaren, met die rapporten hebben te doen. Interpolis is van mening dat er geen sprake is van klemmende bezwaren en dat de rapporten tot uitgangspunt moeten dienen voor de beoordeling van de vordering. [eiser] heeft als bezwaar tegen beide rapporten ingebracht dat de rapporteurs geen kennis hebben genomen van de uitslag van de MRI-scan. Alvorens op die kwestie in te gaan, zal de rechtbank allereerst onderzoeken waar een beoordeling van de vordering aan de hand van die rapporten en de overige gegevens toe leidt.

4.5. Allereerst ligt de vraag voor of op grond van die rapporten en de overige in het geding gebrachte gegevens kan worden geoordeeld dat causaal verband, in de zin van condicio sine qua non-verband, ontbreekt. Daartoe zal allereerst ingegaan worden op de stelling van Interpolis dat [eiser] al vóór het ongeval bekend was met rugklachten.

4.6. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] een uitdraai van de patiëntenkaart van zijn huisarts overgelegd. De rechtbank volgt Interpolis niet in haar stelling dat deze incompleet kan zijn. In dat journaal zijn onder de kop ‘contacten niet gekoppeld aan episodes’, consulten genoteerd vanaf januari 1993 tot en met oktober 2010. Verder wordt in dat journaal onder de kop “correspondentie (gesorteerd op datum)’ een samenvatting genoteerd van de ontvangen medische correspondentie vanaf 1995 tot (laatste brief) begin maart 2010. Onder de kop ‘contacten gekoppeld aan episodes’ staat niets vermeld. De rechtbank gaat er van uit dat dat wordt verklaard doordat de contacten chronologisch zijn gepresenteerd en niet per episode (dat wil zeggen: onderwerp) zijn gerangschikt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat de huisarts in zijn uitdraai contacten zou hebben weggelaten.

4.7. De rechtbank kan in de weergegeven contacten vanaf 1993 tot aan het ongeval in februari 2001 geen consulten betreffende rugklachten ontwaren. Dat strookt ook met de brief van de huisarts van 18 februari 2010, waarin deze aan de advocaat van [eiser] heeft medegedeeld dat hem vanaf 1992 geen consulten met betrekking tot rugklachten bekend zijn voor 2001. Daarnaar gevraagd ter comparitie is van de kant van Interpolis uitsluitend gesteld dat het consult op 13 februari 2001 betreffende een pijnlijke bilspier links te maken kan hebben met de rug. Voor het overige heeft zij niet op ruggerelateerde consulten van voor het ongeval gewezen. Interpolis heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [eiser] voorafgaand aan het ongeval reeds klachten aan de rug had, verder gewezen op brieven van Marting, Van der Schaaf en Mauser. De brieven van Marting en Van der Schaaf zijn in het rapport van Van de Laar samengevat (zie pagina’s 5 en 6). Orthopaedisch chirurg Marting spreekt in zijn brief van 6 augustus 2001 van ‘rugklachten, toegenomen na een auto-ongeval in februari van dit jaar toen hij van achteren werd aangereden’ en van ‘exacerbatie rugklachten op basis van spondylartrose, preëxistent’. Van der Schaaf stelt in zijn brief van 11 december 2002 ‘Voor die tijd had hij nauwelijks rugklachten. Na het ongeval zijn de klachten invaliderend.’ en ook van ‘exacerbatie van de lage rugklachten na auto-ongeval met röntgenologisch diffuus degeneratieve LWK’. Zelfs al aangenomen dat die opmerkingen van Marting en Van der Schaaf gebaseerd zijn op de anamnese – [eiser] betwist dat en stelt dat die opmerkingen zijn gebaseerd op onterechte vooronderstellingen – dan nog is die anamese geweest dat [eiser] – in de woorden van Van der Schaaf – voor het ongeval nauwelijks rugklachten had. Dat strookt met het huisartsenjournaal waarin immers geen consult betreffende rugklachten is vermeld. Als [eiser] al eens rugklachten had waren die dus niet van zodanige aard dat hij daarvoor de huisarts heeft bezocht. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank dan ook ervan uitgaan dat [eiser] voorafgaand aan het ongeval niet of nauwelijks rugklachten had en daarvoor niet de huisarts had bezocht.

4.8. Volgens Interpolis is verder van belang dat uit de verslaglegging van de eerste hulp niet blijkt dat [eiser] destijds bij de eerste hulp direct na het ongeval over rugklachten heeft geklaagd. Het is echter naar het oordeel van de rechtbank niet beslissend of [eiser] direct aansluitend aan het ongeval over zijn rug heeft geklaagd. De vraag is of de op zichzelf objectiveerbare afwijkingen aan de rug het gevolg zijn van de aanrijding. Die vraag dient te worden beantwoord na voorlichting door terzake deskundige artsen. Die voorlichting is hier voorhanden in de rapporten van Van de Laar en Grotenhuis. Uit het rapport van Van de Laar blijkt met zoveel woorden dat hij er rekenschap van heeft genomen dat uit het verslag van de eerste hulp niet blijkt dat [eiser] aansluitend aan het ongeval heeft geklaagd over zijn rug. Ook Grotenhuis heeft blijkens de bijlagenlijst bij de expertise-aanvraag van de medische informatie waaruit dat blijkt kennis genomen.

4.9. Uit deze rapporten volgt, anders dan Interpolis bepleit, wel degelijk dat er een oorzakelijk verband (in de zin van condicio sine qua non verband) bestaat tusen het ongeval en de klachten c.q. beperkingen van [eiser]. Van de Laar heeft daarover opgemerkt:

“Als diagnose is er op orthopaedisch gebied sprake van een instabiliteit op het niveau L3-L4 met (pseudo)-radiculaire uitstraling in het linker been bij diffuus degeneratieve verandering.” (pagina 9, vraag 1)

“Wat betreft de röntgenologische bevindingen is er sprake van diffuus degeneratieve afwijkingen in de lumbale wervelkolom die als zodanig preëxistent zijn. Op het niveau L3-L4 wordt op 05.06.2001 door de verslagleggend radioloog een graad I anteropositie van L3 ten opzichte van L4 beschreven. Dit zou nog als degeneratief verschijnsel kunnen worden opgevat, maar de laatste foto’s tonen een dusdanige verschuiving van L3 ten opzichte van L4 bij flexie dat dit als een traumatische instabiliteit moet worden beschouwd.” (pagina 9, vraag 2a)

“De klachten zoals betrokkene die thans heeft bestonden niet voor het ongeval d.d. 20.02.2001 in tegenstelling tot de röntgenologische afwijkingen, namelijk de diffuse degeneratieve veranderingen die wel op dat moment bestonden.

Gezien de aard van het röntgenonderzoek is het niet uit te sluiten dat betrokkene dergelijke klachten ook zonder ongeval had kunnen krijgen. (…)

De toename van de klachten zoals die door betrokkene worden beschreven stroken mijns inziens goed met de gevonden afwijkingen, namelijk een instabiliteit op het niveau L3-L4.

De huidige klachten met uitstralende pijn in het been en de röntgenologische instabiliteit zijn naar mijn mening een ongevalgevolg en zou in deze mate niet zijn ontstaan wanneer betrokkene het ongeval niet was overkomen.” (pagina 10, vraag 2b)

4.10. Grotenhuis heeft opgemerkt:

“De eerder op mijn vakgebied beschreven klachten en afwijkingen zouden zeker ook hebben kunnen ontstaan op enig ander moment als het ongeval betrokkene niet was overkomen. In de AMA Guide 5e editie (…) wordt nog eens duidelijk gesteld dat het zeer uitzonderlijk is dat een spondylolisthesis secundair is aan een ongeval. Daarbij komt het feit dat ook het overige deel van de lumbale wervelkolom diffuus spondylarthrotische, dus degeneratieve, afwijkingen laat zien.” (pagina 7, vraag 2a)

“Ik denk wel dat het ongeval daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het symptomatisch worden van de misschien al in ontwikkeling zijnde degeneratieve spondylolisthesis.” (pagina 7, vraag 2b)

“Mede gezien het ontbreken van direct posttraumatische afwijkingen en in het bijzonder het ontbreken van bijvoorbeeld traumatische afwijking in de pedikel die tot een afschuiving zouden kunnen voeren en ook het ontbreken van indirecte aanwijzingen voor ligamentair letsel beschouw ik deze spondylolisthesis als zijnde hoofdzakelijk van degeneratieve aard waarbij deze nog asymptomatisch was maar mogelijk wel al in ontwikkeling was op basis van de bestaande degeneratie en door het ongeval vervroegd symptomatisch is geworden.” (pagina 8, vraag 2d)

4.11. Van de Laar acht de verschuiving van L3 ten opzichte van L4 dus van traumatische oorsprong. Grotenhuis gaat er van uit dat de spondylolisthesis (volgens Coëlho, Zakwoordenboek der Geneeskunde, 26e druk, een ‘verschuiving of afglijding van wervels in ventrale richting’, rb) hoofdzakelijk van degeneratieve aard is, waarbij deze nog asymptomatisch was, maar mogelijk al wel in ontwikkeling was en door het ongeval vervroegd symptomatisch is geworden. Zelfs als de opvatting van Grotenhuis zou worden gevolgd, dan nog blijkt uit diens rapport dat het ongeval luxerend heeft gewerkt in die zin dat de degeneratieve verschijnselen door het ongeval vervroegd symptomatisch zijn geworden. Ook daarmee is het condicio sine qua non-verband tussen ongeval en klachten c.q. beperkingen gegeven.

4.12. De preëxistente degeneratieve verschijnselen aan de rug doorbreken, zoals hierboven geoordeeld, dus niet het condicio sine qua non-verband tussen het ongeval en de beperkingen van [eiser]. Die preëxistente verschijnselen zijn echter wel van belang bij de begroting van de schade. De vraag is dan of [eiser] – het ongeval weggedacht – dergelijke klachten ook zou hebben gekregen en zo ja, op welke termijn. De beide rapporteurs zijn op dat punt weinig concreet. Van de Laar heeft op vraag 2c geantwoord ‘vervalt’, naar de rechtbank aanneemt omdat hij van oordeel is dat de verschuiving van L3 ten opzichte van L4 een traumatische oorsprong heeft. Grotenhuis heeft daarover niet meer gezegd dan ‘beschouw ik de spondylolisthesis als zijnde hoofdzakelijk van degeneratieve aard waarbij deze nog asymptomatisch was maar mogelijk wel al in ontwikkeling was op basis van de bestaande degeneratie en is dit door het ongeval vervroegd symptomatisch geworden.’

4.13. De rechtbank heeft op dit punt behoefte aan nadere voorlichting. Het komt de rechtbank voor dat het het meest voor de hand ligt dat een deskundigenbericht zal worden gelast op de voet van artikel 194 Rv, waarin aan dr. Grotenhuis enkele nadere vragen zullen worden gesteld. Ook zal dan aan dr. Grotenhuis de vraag kunnen worden gesteld of de uitslag van de MRI-scan iets aan zijn bevindingen verandert, welke vraag ook voor de begroting c.q. de looptijd van de schade van belang zou kunnen zijn.

4.14. De rechtbank denkt aan de volgende vragen:

1. Wilt u kennis nemen van de uitslag van de MRI-scan? Verandert deze uitslag iets aan de bevindingen in uw rapport van 29 januari 2008, meer in het bijzonder aan de antwoorden op de vragen 2a tot en met 2d?

2. Kunt u uw antwoord op vraag 2d – kort samengevat dat de spondylolisthesis ‘door het ongeval vervroegd symptomatisch’ is geworden – meer concretiseren? Kunt u meer concreet aangeven op welke termijn zich zonder ongeval vergelijkbare symptomen zouden hebben voorgedaan? Kunt u aangeven wat de kans zou zijn geweest dat zich in de periode tussen 2001 en 2011 bij [eiser] dergelijke sympomen zouden hebben geopenbaard? Indien sprake is van een toenemende kans, kunt u dat dan zoveel mogelijk concretiseren?

4.15. Voordat daartoe wordt overgegaan, zullen de partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over de persoon (waaronder het specialisme en het aantal) van de deskundige en over de vraagstelling. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen, aan de zijde van [eiser] als eerste.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 mei 2011 voor het nemen van een akte door [eiser] waarin hij zich kan uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2. houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide, mr. C.M.E. Lagarde en mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.