Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5667

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
200624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres in conventie stelt dat de overdracht van de onverdeelde helft in de eigendom van de onroerende zaak van gedaagden in reconventie een paulianeuse handeling was in de zin van artikel 3:45 BW, omdat deze helft om niet aan gedaagde in conventie sub 2 werd overgedragen in een bewust pogen haar verhaalsmogelijkheden op gedaagde in conventie sub 1 te frusteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 200624 / HA ZA 10-976

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagden],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. F.L.L. Vermeeren te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] c.s. genoemd worden. [gedaagde] c.s. worden afzonderlijk aangeduid met [gedaagde] en [gedaagde sub 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 september 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 december 2010

- de akte van [gedaagde] c.s.

- de akte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is gehuwd geweest met [gedaagde]. Het huwelijk is in 2002 door echtscheiding ontbonden. Bij convenant van 12 juli 2002 zijn [eiseres] en [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] tot 1 mei 2011 aan [eiseres] maandelijks een bedrag van € 3.025,00 zou voldoen voor haar levensonderhoud. Dit bedrag werd onderworpen aan de wettelijke indexeringsregeling.

2.2. [gedaagde] heeft op 15 juli 2002 samen met [gedaagde sub 2] een woonhuis aan de [adres] gekocht voor een bedrag van € 510.000,00. Zij werden ieder voor de onverdeelde helft eigenaar en zij wonen samen in dit huis. De woning is bezwaard met een hypothecaire lening van € 575.000,00 bij Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V.

2.3. In de betaling van de alimentatie is achterstand ontstaan. De raadsman van [eiseres] heeft [gedaagde] op 15 en 23 februari 2010 verzocht de ontstane alimentatieachterstand in te lopen.

2.4. Bij notariële akte van verdeling en levering van 29 maart 2010 is de volle eigendom van de woning toegedeeld aan [gedaagde sub 2] onder de verplichting om harerzijds de hypothecaire lening voor haar rekening te nemen, als eigen schuld te voldoen en [gedaagde] voor de voldoening te vrijwaren. Voorts vermeldt de akte dat bij deze verdeling verrekend werd de leenschuld van [gedaagde] aan DEFAM ad € 19.500,00 welke door [gedaagde sub 2] is afgelost en daarnaast is in de akte vermeld: “Overigens heeft de comparante sub 1 ([gedaagde sub 2], rechtbank) een leenvordering met rente op de comparant sub 2 ([gedaagde], rechtbank), in verband met door haar gedane hogere investering in voormelde onroerende zaak in tweeduizend twee”.

2.5. [eiseres] heeft op 13 april 2010 conservatoir beslag laten leggen op de genoemde onroerende zaak.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert samengevat - :

1. voor recht te verklaren dat de rechtshandeling als verwoord in de notariële akte van 29 maart 2010 een paulianeus handelen is als bedoeld in de artikelen 3:45-46 BW;

2. de overeenkomst tussen [gedaagde] en [gedaagde sub 2] van 29 maart 2010 als neergelegd in die akte te vernietigen;

3. [gedaagde] en [gedaagde sub 2] tezamen en ieder voor zich te gelasten de eerdere onverdeelde helft van de onroerende zaak weer op naam van [gedaagde] te stellen;

4. zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag;

5. met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van het geding en het beslag met rente.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] c.s. vorderen samengevat - :

1. voor recht te verklaren dat [eiseres] jegens [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op het aandeel in de woning van [gedaagde sub 2] dat zij in 2002 in eigendom heeft verworven en dat [eiseres] onrechtmatig blijft handelen jegens [gedaagde sub 2] zolang zij dit beslag handhaaft;

2. [eiseres] te veroordelen tot vergoeding aan [gedaagde sub 2] van de door haar als gevolg van het beslag geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dit vonnis;

3. met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

3.5. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eiseres] stelt dat de overdracht van de onverdeelde helft in de eigendom van de onroerende zaak van [gedaagde] aan [gedaagde sub 2] een paulianeuse handeling was in de zin van artikel 3:45 BW, omdat deze helft om niet aan [gedaagde sub 2] werd overgedragen in een bewust pogen haar verhaalsmogelijkheden op [gedaagde] te frustreren.

4.2. Artikel 3:45 lid 1 BW omschrijft een paulianeuse handeling als een onverplichte rechtshandeling, bij het verrichten waarvan de schuldenaar, zijnde in dit geval [gedaagde] als de alimentatieplichtige, wist of behoorde te weten dat daarvan het gevolg zou zijn dat zijn schuldeiser, zijnde in dit geval [eiseres] als de alimentatiegerechtigde, zou worden benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. Indien dit het geval is kan die schuldeiser de vernietiging van die rechtshandeling inroepen. In lid 2 is bepaald dat een meerzijdige rechtshandeling anders dan om niet wegens benadeling slechts vernietigd kan worden, indien ook degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn.

4.3. [gedaagde] c.s. betwisten dat de gewraakte rechtshandeling onverplicht was en om niet geschiedde, alsmede dat [gedaagde] c.s. wetenschap hebben gehad van een mogelijke benadeling van [eiseres]. Dit een en ander kan in dit geschil in het midden blijven, omdat reeds aanstonds kan worden vastgesteld dat [eiseres] feitelijk niet is benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.4. Bij de vraag of sprake was van benadeling van [eiseres] in haar verhaalsmogelijkheden moet worden uitgegaan van de mogelijkheid van verhaal middels gerechtelijke tenuitvoerlegging van haar alimentatieaanspraak. Derhalve moet worden uitgegaan van de mogelijke opbrengst van de onroerende zaak bij executoriale verkoop vrij van huur en gebruik en kan niet worden uitgegaan van de onderhandse verkoopwaarde. Van de netto-opbrengst bij executie moet eerst de hypotheekschuld worden afgetrokken, omdat deze voorrang heeft (artt. 3:277 e.v. BW). De verhaalsmogelijkheid van [eiseres] is derhalve beperkt tot het bedrag dat na aflossing van de hypotheekschuld overblijft.

4.5. De op de onroerende zaak rustende hypotheekschuld bedroeg en bedraagt € 575.000,00. [eiseres] heeft zelf de hypotheekakte overgelegd, waarbij voor een hoger bedrag het recht van hypotheek is verleend, en [gedaagde] c.s. hebben een recent overzicht van Nationale Nederlanden overgelegd, waaruit de openstaande hoofdsom blijkt. [eiseres] heeft dit overzicht op dit onderdeel niet weersproken. Weliswaar kan uit dit overzicht volgen dat Nationale Nederlanden nog een extra zekerheid heeft uit een pandrecht op effecten ter waarde van € 8.341,23, maar gesteld noch gebleken is dat deze extra zekerheid in mindering strekt op het hypotheekrecht.

4.6. Voorts hebben [gedaagde] c.s. overgelegd een taxatierapport van Bato Makelaars te ’s-Hertogenbosch d.d. 11 november 2010. Hierbij is de executiewaarde van de onroerende zaak, vrij van huur en gebruik, getaxeerd op € 525.000,00 per opnamedatum. [eiseres] heeft dit taxatierapport niet weersproken. Zij heeft slechts gesteld dat deze waarde niets zegt voor de toekomst, maar hieraan gaat de rechtbank voorbij, omdat door [eiseres] geen argumenten zijn aangevoerd om aannemelijk te maken dat de executiewaarde intussen relevant hoger is geworden. Met de mogelijkheid van een hogere opbrengst in de toekomst hoeft geen rekening te worden gehouden. De peildatum voor de benadeling is in beginsel de datum waarop over het beroep op artikel 3:45 BW wordt beslist (HR 22 september 1995, NJ 1996, 706), waarbij in dit geval nog aantekening verdient dat de overeengekomen duur van de alimentatieplicht inmiddels per 1 mei 2011 is verstreken.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat de getaxeerde executieopbrengst aanmerkelijk lager is dan de openstaande hypotheekschuld. Er is derhalve geen sprake van een relevante benadeling die de vernietiging van de gewraakte rechtshandeling rechtvaardigt. Dit heeft tot gevolg dat alle vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.

4.8. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 263,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.393,00

in reconventie

4.9. In reconventie heeft [eiseres] niet schriftelijk voor antwoord geconcludeerd. In het comparitievonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank bepaald dat [eiseres] haar conclusie van antwoord ter comparitie kon nemen, dat zij haar schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie had moeten toezenden en dat deze conclusie na de comparitie niet meer genomen kan worden. [eiseres] heeft ter comparitie mondeling willen antwoorden, maar dat kan niet in dit geval. Er is in dit geval immers sprake van zelfstandige vorderingen in reconventie, die niet zonder meer voortvloeien uit het verweer in conventie. Het geschil in conventie gaat over de overgedragen helft van [gedaagde] in de onverdeelde eigendom. De vorderingen in reconventie zien op de (niet overgedragen) helft van [gedaagde sub 2], waarop [eiseres] eveneens, en zulks zonder deugdelijke rechtsgrond, conservatoir beslag heeft laten leggen. De vorderingen van [gedaagde sub 2] dienen te worden toegewezen, nu deze vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

4.10. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op € 452,00 voor salaris van de advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op € 1.393,00,

in reconventie

5.3. verklaart voor recht dat [eiseres] jegens [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op het aandeel in de woning van [gedaagde sub 2] dat zij in 2002 in eigendom heeft verworven en verklaart voor recht dat [eiseres] onrechtmatig blijft handelen jegens [gedaagde sub 2] zolang [eiseres] dit beslag handhaaft,

5.4. veroordeelt [eiseres] tot vergoeding aan [gedaagde sub 2] van de door haar als gevolg van het voormelde beslag geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 452,00,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.