Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5646

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
10/3135
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX1061, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek naar afschot wilde zwijnen op perceelniveau.

Faunabeheereenheid is geen instelling, dienst of bedrijf werkzaam onder verantwoordelijkheid van provincie en informatie die onder Faunabeheereenheid berust valt daarom niet onder de Wob.

Informatie die onder toezichthouders in dienst van provincie berust, wordt geacht ook onder provincie (GS) te berusten. Dat toezichthouders zelf ook bestuursorgaan zijn doet daar niet aan af.

Informatie uit Faunaregistratiesysteem berust slechts onder bestuursorgaan voor zover deze informatie daadwerkelijk door toezichthouders uit het systeem is overgenomen en in documentvorm bij bestuursorgaan berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/201 met annotatie van J.A.F. Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3135

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 21 april 2011.

inzake

Stichting De Faunabescherming, eiseres,

gevestigd te Amstelveen,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 juli 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking van informatie over het afschot van wilde zwijnen, gedeeltelijk afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 3 februari 2011. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door [namen]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H. Holterman en T.H. Dikker. Tevens is ter zitting verschenen P. van Huffelen, werkzaam bij de Stichting Faunabeheereenheid Veluwe.

3. Overwegingen

Bij verzoek van 20 november 2009 heeft eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om gegevens inzake het afschot van wilde zwijnen over het afschotseizoen en gebied waarop het werkplan 2009-2010 van de Faunabeheereenheid betrekking heeft.

De verzochte gegevens hadden onder andere betrekking op:

1. Het actuele jachtveldnummer;

2. De naam van de ontheffinggebruiker, of jachthouder of jachtcombinatie of een relevante topografische naam van het betreffende jachtgebied;

3. Het toegewezen afschot zoals gebruikelijk gesplitst naar leeftijdsgroep en geslacht;

4. Het gerealiseerde afschot zoals gebruikelijk gesplitst naar leeftijdsgroep en geslacht.

Bij het primaire besluit van 16 december 2009 heeft verweerder de gegevens over het afschot van wilde zwijnen na 1 september 2009 aan eiseres verstrekt. De gevraagde gegevens op jachtveldniveau zijn hierbij niet door verweerder aan eiseres verstrekt. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de weigering om (afschot)gegevens op jachtveldniveau te verstrekken.

Aan het bestreden besluit liggen de volgende standpunten van verweerder ten grondslag:

• De gevraagde informatie berust zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob niet bij verweerder maar bij de Stichting Faunabeheereenheid Veluwe (hierna: Faunabeheereenheid). Hierbij heeft verweerder aangevoerd dat de Faunabeheereenheid niet als een, ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob onder verweerders verantwoordelijkheid werkzame instelling, dienst of bedrijf kan worden aangemerkt;

• De bij verweerder werkzame toezichthouders hebben slechts incidenteel en onder bepaalde voorwaarden toegang tot de afschotgegevens op jachtveldniveau;

• Toezichthouders of buitengewoon opsporingsambtenaren zijn formeel zelf bevoegd te besluiten over het al dan niet op grond van de Wob openbaar maken van documenten die bij hen berusten.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft het besluit gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

In artikel 1a, eerste lid en onder a, b en c, van de Wob is bepaald dat deze wet van toepassing is op Onze Ministers en de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van voornoemde organen werkzaam zijn.

In artikel 3, eerste lid, van de Wob is bepaald dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

In artikel 4 van de Wob is bepaald dat, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan wordt verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het, zo is verder bepaald, doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Flora- en Faunawet kunnen Gedeputeerde Staten samenwerkingsverbanden van jachthouders erkennen als faunabeheereenheden ten behoeve van het beheer van diersoorten of de bestrijding van schade aangericht door dieren.

In artikel 68, eerste lid, van de Flora- en Faunawet is bepaald dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, Gedeputeerde Staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74 (…);

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat gedeputeerde staten (…) zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van deze besluiten mededeling doen in de Staatscourant. Een afschrift van deze besluiten sturen zij aan Onze Minister.

In het eerste lid van artikel 104 van de Flora- en Faunawet is bepaald dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren, de bij besluit van Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaren, alsmede de door Onze Minister van Justitie op grond van artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten belaste ambtenaren.

Feiten

Op 28 september 2004 heeft verweerder het onderdeel “grote hoefdieren” in het Faunabeheerplan Veluwe van de Faunabeheereenheid goedgekeurd. In de conclusie van dit beheerplan is de ontheffingsaanvraag geformuleerd. Bij besluit van 22 juni 2005 heeft verweerder aan de Faunabeheereenheid een ontheffing verleend voor de afschot van wilde zwijnen tot 1 februari 2010.

Deze ontheffing is overdraagbaar aan jachthouders/uitvoerders bij wege van genummerde, gedagtekende en op naam gestelde gebruikerstoestemmingen. De jachthouder/uitvoerder kan op zijn beurt deze toestemming, mits deze hiervoor de mogelijkheid biedt, overdragen aan (andere) jachtaktehouders.

De Faunabeheereenheid registreert het afschot in een elektronisch landelijk register genaamd Faunaregistersysteem. Dit register bevat cijfermatige gegevens over afschot op niveau van de faunabeheereenheden, op niveau van wildbeheereenheden en op jachtveld- en perceelniveau.

Overwegingen

Ter zitting is toegelicht dat de toegang tot de gegevens in het Faunaregistersysteem geschiedt via autorisatie voor de voor betrokkene relevante onderdelen. Het bestuur van de Faunabeheereenheid heeft toegang tot alle gegevens. Verweerder en de onder haar werkzame toezichthouders hebben standaard toegang tot het niveau van de wildbeheereenheden, maar niet tot het jachtveld- en perceelniveau. Voor de toezichthouders geldt wel dat als zij voor hun werkzaamheden inzage dienen te hebben in de gegevens van bepaalde jachtvelden of percelen zij desgevraagd toegang tot die gegevens kunnen krijgen.

Nu de gevraagde gegevens in ieder geval onder de Faunabeheereenheid berusten is de eerste vraag die beantwoord moet worden of de Faunabeheereenheid een onder verantwoordelijkheid van verweerder werkzame instelling, dienst of bedrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob is.

Ingevolge vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 oktober 2007, LJN: BB4735) kan namelijk een bestuursorgaan informatie waarover een andere instelling, dienst of bedrijf beschikt, uitsluitend verstrekken indien moet worden aangenomen dat door zo’n organisatie onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan wordt gewerkt.

Verweerder heeft op grond van artikel 29, eerste lid, van de Flora- en Faunawet de Faunabeheereenheid erkend. Deze erkenning heeft echter niet tot gevolg dat er een hiërarchische verhouding tussen verweerder en de Faunabeheereenheid bestaat. Ook is er geen instructiebevoegdheid van verweerder. Voorts is noch uit een wettelijke bepaling noch anderszins een verantwoordelijkheid van verweerder voor de werkzaamheden van de Faunabeheereenheid af te leiden. De Faunabeheereenheid is derhalve aan te merken als een zelfstandig handelend(e) instelling, dienst of bedrijf. Verweerder kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor de afdoening van verzoeken om openbaarmaking van documenten die bij de Faunabeheereenheid berusten. De omstandigheid dat verweerder aan de Faunabeheereenheid een ontheffing onder voorwaarden heeft verleend, maakt dit niet anders, nu hierdoor geen verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob ontstaat.

Eiseres stelt verder dat uit voorwaarde 6 van de verleende ontheffing volgt dat verweerder zelf ook over de gevraagde informatie dient te beschikken. Voor zover verweerder niet over deze gegevens beschikt, zou hij deze bij de Faunabeheereenheid dienen op te vragen. Deze grond slaagt niet. Uit voorwaarde 6 volgt dat de Faunabeheereenheid verslag moet doen naar aard en locatie van het afschot buiten de periode voor populatiebeheer (voorwaarde 4) en – kort gezegd – het gebruik van het geweer tussen zonsondergang en zonsopgang (voorwaarde 6). Dit betreft derhalve andere gegevens dan de afschotgegevens op jachtveld- en perceelniveau, zodat niet gezegd kan worden dat verweerder op grond van de ontheffing over de gevraagde gegevens dient te beschikken en er derhalve ook geen verplichting kan zijn deze op te vragen.

Voorts stelt eiseres dat de gevraagde informatie ook onder de toezichthouders in dienst van verweerder berust. Verweerder stelt daar tegenover dat de toezichthouders zelfstandige bestuursorganen zijn en dat gegevens die mogelijk onder de toezichthouders berusten niet bij hem berusten. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Voor zover de toezichthouders in dienst van verweerder zijn, zijn zij hiërarchisch ondergeschikt aan verweerder, werken zij onder zijn verantwoordelijkheid en zijn zij gehouden overeenkomstig zijn aanwijzingen te handelen. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat informatie die onder deze toezichthouders berust niet onder verweerder berust.

Dat de voor verweerder werkzame toezichthouders eveneens zijn aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb alsmede een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid aanhef en onder c, van de Wob doet aan het voorgaande niet af. In tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft betoogd, ontneemt dit feit niet de bevoegdheid van verweerder, onder wiens verantwoordelijkheid de toezichthouder werkzaam is, om zelf op het Wob-verzoek een besluit te nemen.

Dit wordt ook niet anders indien de toezichthouders aangemerkt zouden moeten worden als een onder verweerder werkzame dienst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Uit deze bepaling kan immers niet de verplichting worden afgeleid dat wanneer die dienst zelf een bestuursorgaan is, zij ook zelf een beslissing op het Wob-verzoek moet nemen. Ook anderszins bestaat voor die conclusie geen grond.

Op grond van het vooroverwogene stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheid van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank ziet hiertoe echter geen aanleiding en overweegt daartoe als volgt.

De vraag die voorligt is of de door eiseres verzochte informatie zich bevindt onder de bij verweerder werkzame toezichthouders.

Zoals hiervoor is aangegeven hebben de toezichthouders standaard slechts een beperkte toegang tot de gegevens die in het Faunaregistratiesysteem zijn geregistreerd, namelijk tot de afschotgegevens op het niveau van faunabeheer- en wildbeheereenheden. De toezichthouders kunnen echter toegang krijgen tot de gedetailleerde (afschot)gegevens op jacht- en perceelniveau als dat voor de uitoefening van hun taak nodig is. In dat geval is, zoals hiervoor is aangegeven, wel sprake van documenten die onder verweerder berusten. Verweerder heeft aangegeven niet te hebben nagevraagd bij de toezichthouders of zij (deels) over de gevraagde gegevens beschikken. Nu dit niet bekend is, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder zal dit dienen te onderzoeken en vervolgens een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn begroot op € 246,96. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de door de gemachtigde van eiseres, mr. H. Aslander, gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 34,60 en voor de door deze gemachtigde opgevoerde verletkosten tot een bedrag van € 212,36, waarbij de rechtbank uitgaat van een verlet van vier uur en het in het Bpb gestelde maximale verlettarief van € 53,09 per uur.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 246,96;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mr. S.W. van Osch-Leysma en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 21 april 2011.