Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5588

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
737872 HA VERZ 11-1029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Verzoek ex artikel 7:685 BW van werknemer. Voorwaardelijk tegenverzoek werkgever. Ontbinding zonder vergoeding. Werknemer kan een overwegend verwijt worden gemaakt met betrekking tot zowel het ontstaan van het arbeidsconflict als de mislukte re-integratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 737872 \ HA VERZ 11-1029 \ PH\392\mvl

uitspraak van 17 mei 2011

beschikking

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. L.H. Toonen en mr. A.E. Thijssen

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting de Gelderse Roos

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. E. Boerma

Partijen worden hierna [werknemer] en De Gelderse Roos genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk tegenverzoek, met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 19 april 2011, waaraan gehecht de brief met een bijlage van de gemachtigde van De Gelderse Roos van 18 april 2011, de brieven met bijlagen van de gemachtigde van [werknemer] van 18 april 2011 en de pleitnotitie van de gemachtigde van [werknemer].

2. De feiten

2.1. [werknemer], geboren op [dag en maand] 1950, is op 16 april 1978 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) De Gelderse Roos. Laatstelijk was [werknemer] werkzaam in de functie psycholoog/psychotherapeut. [werknemer] was tevens opleider psychotherapie en psychodiagnostiek en voorts aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek. Het laatstverdiende salaris bedroeg € 4.414,02 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een 28-urige werkweek.

2.2. Bij brief van 24 juli 2008 heeft De Gelderse Roos aan haar medewerkers een re-organisatie aangekondigd. De door De Gelderse Roos aangeboden specialistische zorg werd heringericht volgens zorgprogramma’s.

2.3. In een e-mail van 26 januari 2009 schrijft [werknemer] aan De Gelderse Roos:

Omdat ik door consequenties van de reorganisatie (o.a. verandering van mijn door de ARBO-adviseur aangepaste werkplek) problemen voorzie voor mijn gezondheid, overweeg ik bij de Gelderse Roos te vertrekken. Graag wil ik hierover deze week met jullie overleggen.

2.4. In een e-mail van 17 februari 2009 schrijft [werknemer] aan De Gelderse Roos:

Allereerst waardeer ik het serieus nemen van mijn zorgen rond kamer en werkplek. Nadat dit knelpunt door jullie voortvarend is opgelost, blijf ik echter twijfelen of ik het enthousiasme en de energie heb om de komende jaren de reorganisatie mede vorm te geven. Graag wil ik met jullie een gesprek om te verkennen of het voor jullie mogelijk is mij te steunen bij gehele of gedeeltelijke uittreding om zo plaats te maken voor jonge collega’s die door een vacaturestop niet aan het werk komen.

2.5. [werknemer] en De Gelderse Roos hebben nadien gesproken over een afvloeiingsregeling voor [werknemer]. Daarover is geen overeenstemming bereikt.

2.6. In een e-mail van 17 november 2009 schrijft de heer [X] (hierna: [de heer X]) van De Gelderse Roos aan [werknemer]:

Per 01-01 gaat er het nodige veranderen in de aansturing psychodiagnostiek. Graag wil ik dit met je bespreken en toelichten. Kun je even langs komen.

2.7. Op 23 november 2009 heeft het in de e-mail van 17 november 2009 bedoelde gesprek plaatsgevonden. In het gesprek deelt [de heer X] aan [werknemer] mee dat hij voornemens is de taak aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek weg te halen bij [werknemer]. In een e-mail van 14 december 2009 schrijft [de heer X] daarover een [werknemer]:

Ik heb hierbij aangegeven dat kwa kennis jij excelleert en je veel in huis hebt maar kwa omgang onhandig ben. Dit heb ik ingebracht om hierover met elkaar te kunnen reflecteren. Dit werd door jou niet herkend. Dit is voor mij de reden om je opnieuw uit te nodigen om te bezien hoe het komt dat ik jou als onhandig in het contact zie en jij het niet herkent voordat ik verdere besluiten neem over de aansturing van het diagnostisch centrum.

2.8. Op 14 januari 2010 heeft opnieuw een gesprek tussen [de heer X] en [werknemer] plaatsgevonden.

2.9. In een e-mail van 18 januari 2010 schrijft [werknemer] aan [de heer X]

Hierbij verzoek ik je de door jou genomen beslissing, mondeling medegedeeld in ons gesprek 14-1-2010 jl. betreffende de wijziging van cq. ontslag uit mijn functie als aandachtsfunctionaris/coördinator en jarenlange coördinator psychodiagnostiek van Gelderse Roos (…) en de (nog niet genoemde) datum van ingang mij deze week schriftelijk te doen toekomen. Ik moet uiteraard in deze gewichtige zaak op korte termijn mijn adviseurs degelijk kunnen raadplegen.

2.10. In een e-mail van dezelfde dag schrijft [de heer X] aan [werknemer]:

Zoals ik gezegd heb was ik niet op de hoogte dat taak van aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek is vastgelegd in een bijlage bij jouw arbeidscontract. Voordat ik mijn besluit ga vastleggen wil ik eerst weten wat de status is van jouw arbeidscontract in deze en wat daar de implicaties van zijn.

2.11. [werknemer] heeft nadien herhaalde malen schriftelijk om een definitief besluit van De Gelderse Roos met betrekking tot zijn taken aangaande de afdeling psychodiagnostiek verzocht.

2.12. Op 19 februari 2010 heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Vanaf 8 maart 2010 heeft [werknemer] voor 50% zijn werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis hervat.

2.13. Op 1 april 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [Y], directeur van De Gelderse Roos (hierna: [de heer Y]), [werknemer] en de heer [Z] (hierna: [de heer Z]), externe vertrouwenspersoon van De Gelderse Roos door wie [werknemer] zich liet bijstaan.

2.14. Op 9 april 2010 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. [de heer Y] schrijft naar aanleiding van dit gesprek in een brief van 13 april 2010 aan [werknemer]:

(…)

Uit de mailwisselingen is bij mij het beeld ontstaan dat u vooral gepoogd heeft duidelijk op schrift te krijgen wat er in de gesprekken besproken was, maar dat er van een gesprek tussen medewerker en leidinggevende onvoldoende sprake was. Ook heb ik aangegeven dat, ondanks dat de leidinggevende in de mails de besproken onderwerpen heeft weergegeven, ik van mening ben dat dit onvoldoende is.

(…) (…)

De directie heeft in het gesprek aangegeven de voorkeur te hebben niet met u verder te gaan ten aanzien van de toegevoegde taak ‘aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek’. Daarnaast heb ik aangegeven dat wij uw dienstverband met de organisatie respecteren in de volledige omvang qua uren. Ik wil graag met u op een constructieve wijze bekijken op welke wijze wij de ontstane situatie kunnen oplossen. Uw suggestie om uw dienstverband te ontbinden en te schikken met een afkoopsom, heb ik als een niet reële optie van de hand gewezen.

(…)

2.15. Op 18 april 2010 heeft [werknemer] zich weer volledig ziek gemeld. Sindsdien heeft [werknemer] niet meer gewerkt.

2.16. Vanaf 11 augustus 2010 heeft De Gelderse Roos de betaling van loon aan [werknemer] stopgezet.

2.17. Op verzoek van [werknemer] heeft op 14 september 2010 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden.

2.18. [werknemer] heeft De Gelderse Roos op 9 november 2010 gedagvaard in kort geding. De kantonrechter in Wageningen heeft in een vonnis van 2 december 2010 (716200 VV EXPL 10-8091) geoordeeld dat De Gelderse Roos vanaf 11 augustus 2010 tot 11 oktober 2010 het loon aan [werknemer] diende te betalen, doch dat de loonstop vanaf 11 oktober 2010 terecht was nu [werknemer] onvoldoende heeft ingespannen in het kader van de re-integratie in het eerste spoor.

2.19. De Gelderse Roos betaalt sinds 13 januari 2011 weer loon aan [werknemer], die thans arbeidsongeschikt is als gevolg van een netvliesloslating.

2.20. [werknemer] heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof in Arnhem heeft in een arrest van 5 april 2011 (200.080.374) geoordeeld dat de door [werknemer] opgeworpen grieven niet slagen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter in stand gelaten.

3. Het verzoek

3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met De Gelderse Roos te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in een verandering van de omstandigheden. [werknemer] verzoekt de arbeidsovereenkomst op het eerst mogelijke tijdstip te ontbinden onder toekenning van een vergoeding van € 389.932,92 bruto.

3.2. [werknemer] onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt.

[werknemer] voert aan dat De Gelderse Roos het dienstverband van [werknemer] wenst te beëindigen zonder de daarvoor geldende wachtgeldregeling in acht te nemen. Om dat te bereiken heeft De Gelderse Roos, zo voert [werknemer] aan, het [werknemer] zo moeilijk mogelijk gemaakt om op een goede manier te functioneren. De Gelderse Roos heeft aangekondigd een aanzienlijk deel van de functie van [werknemer], het coördinatorschap van de psychodiagnostiek, af te zullen nemen zonder openheid te geven of de reden daarvan op organisatorisch vlak (de in 2008 ingezette reorganisatie) of in de persoon van [werknemer] is gelegen. Ondanks aandringen van zijn kant is [werknemer] onnodig lang geen duidelijkheid geboden over de - eenzijdige - functiewijziging en wanneer deze zijn beslag zal krijgen. [werknemer] kwalificeert deze handelwijze van De Gelderse Roos als een ‘uitrookscenario’ of ‘loopgravenoorlog’ of ‘de tactiek van de verschroeide aarde’.

[werknemer] is door De Gelderse Roos onder een brievenstorm bedolven. Tegen zijn uitdrukkelijk verzoek in is door De Gelderse Roos niet louter met zijn gemachtigde gecommuniceerd. Eén brief is zelfs door een P&O-medewerker bij hem thuis bezorgd.

[werknemer] is van de gehele gang van zaken ziek geworden. De Gelderse Roos is haar re-integratieverplichtingen onvoldoende nagekomen door enkel te stellen dat [werknemer] diende te re-integreren op het eerste spoor, terwijl de in dat kader door De Gelderse Roos aangeboden werkzaamheden naar het oordeel van [werknemer] niet passend waren.

[werknemer] wijst erop dat hij thans arbeidsongeschikt is en daarom, en mede gezien zijn leeftijd, weinig kansen heeft op de arbeidsmarkt. [werknemer] wijst er voorts op dat hij bijna 33 jaar naar tevredenheid bij De Gelderse Roos heeft gewerkt.

4. Het verweer en voorwaardelijk tegenverzoek

4.1. De Gelderse Roos voert gemotiveerd verweer.

De Gelderse Roos betwist dat zij het dienstverband met [werknemer] wenst te beëindigen. De expertise van [werknemer] is binnen De Gelderse Roos juist zeer welkom. Vanuit [werknemer] kwam het initiatief om te overleggen over een mogelijk einde van het dienstverband. Daarover is geen overeenstemming bereikt. Vervolgens heeft [werknemer] disproportioneel gereageerd op het voornemen van De Gelderse Roos om een beperkt deel van de taken van [werknemer], die van aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek, aan een ander op te dragen omdat [werknemer] door zijn wijze van communiceren daarvoor minder geschikt wordt geacht. De Gelderse Roos voert aan dat haar dat vrij staat. Over de (personele invulling van) de afdeling psychodiagnostiek zijn nog altijd geen definitieve beslissingen genomen. [werknemer] heeft zich nimmer bereid getoond om op constructieve wijze te overleggen over de invulling van de taken van [werknemer] binnen De Gelderse Roos. In plaats daarvan heeft [werknemer] de aanval gekozen. Dat is niet aan De Gelderse Roos te wijten.

[werknemer] heeft in het kader van de re-integratie zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat De Gelderse Roos hem diende te laten re-integreren in het tweede spoor. De Gelderse Roos wijst in dat kader op het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het hof.

De Gelderse Roos wijst erop dat [werknemer] een eigen bedrijf heeft waarmee hij inkomsten genereert.

4.2. Hoewel De Gelderse Roos mogelijkheden ziet om [werknemer] te laten terugkeren, ziet zij

in dat [werknemer] niet bereid is terug te keren bij De Gelderse Roos. De Gelderse Roos berust daarom in het verzoek van [werknemer] tot ontbinding, maar meent dat op vorenstaande gronden aan [werknemer] geen vergoeding toekomt. Om die reden doet De Gelderse Roos een voorwaardelijk tegenverzoek. Indien [werknemer] zijn verzoek intrekt, verzoekt De Gelderse Roos ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding aan [werknemer].

5. De beoordeling

5.1. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek of het tegenverzoek verband houdt met een opzegverbod.

5.2. [werknemer] heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De Gelderse Roos berust in dat verzoek, zodat de kantonrechter tot ontbinding zal overgaan. Met betrekking tot het al dan niet toekennen van een vergoeding aan [werknemer] en de eventuele hoogte daarvan, acht de kantonrechter van belang enerzijds het ontstaan van het arbeidsconflict tussen De Gelderse Roos en [werknemer] en anderzijds de gang van zaken met betrekking tot de re-integratie.

Arbeidsconflict

5.3. De kantonrechter is, anders dan [werknemer], niet van oordeel dat de kiem van het tussen De Gelderse Roos en [werknemer] gerezen arbeidsconflict ligt in de door De Gelderse Roos in juli 2008 aangekondigde re-organisatie (door De Gelderse Roos omschreven als de eerste fase). Uit de nadien door [werknemer] aan De Gelderse Roos gezonden e-mails (van 29 januari en 17 februari 2009) volgt dat [werknemer] twijfelde of hij zijn dienstverband bij De Gelderse Roos zou voortzetten. Uit de berichten volgt echter geenszins, en ook overigens is dat niet gebleken, dat de reden daarvoor was gelegen in de omstandigheid dat [werknemer] aannam dat (die fase van) de re-organisatie zijn functie op een voor hem onaanvaardbare wijze zou aantasten.

5.4. Uit de e-mails volgt juist een tweestrijd bij [werknemer] zelf over het wel of niet voortzetten van zijn dienstverband. [werknemer] geeft aan mogelijk niet de energie en het enthousiasme te kunnen vinden om de re-organisatie mede vorm te geven. [werknemer] en De Gelderse Roos zijn ook daadwerkelijk in overleg getreden over afvloeiing van [werknemer]. Dat heeft niet tot resultaat geleid, naar De Gelderse Roos stelt omdat [werknemer] een afvloeiingsvergoeding voor ogen had die de mogelijkheden van De Gelderse Roos vele malen oversteeg. Door [werknemer] is dat niet bestreden.

5.5. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt daar de (eerste) oorzaak van het latere arbeidsconflict. [werknemer] had vergaande plannen voor een afscheid van De Gelderse Roos, maar bleef uiteindelijk ‘gewoon’ in functie. Vervolgens begint in november 2009 de discussie over de uitoefening van de functie aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek. Dat is het begin van het arbeidsconflict. Op 23 november 2009 is voor het eerst is gesproken over de mogelijkheid, althans het voornemen, van [de heer X] om die taak bij een ander neer te leggen. Uit de e-mail van [werknemer] van 18 januari 2010 volgt dat [werknemer] reeds kort na de aanvang van de discussie een afwijzende houding heeft ingenomen

5.6. Het is het begin van wat [werknemer] zelf (terecht) als een ‘queeste’ heeft gekwalificeerd. [werknemer] heeft onophoudelijk, op hoge toon, aangedrongen op definitieve besluitvorming over wat hij vanaf dat moment als een functiewijziging of zelfs gedeeltelijk ontslag heeft aangemerkt, waaraan op grond van de toepasselijke CAO een wachtgeldregeling zou zijn gekoppeld. Dat [werknemer] de mededelingen van ([de heer X] namens) De Gelderse Roos aldus kon opvatten, acht de kantonrechter onvoldoende aannemelijk. Uit de berichten van de zijde van De Gelderse Roos volgt dat aan de omvang van het dienstverband van [werknemer] niet zal worden getornd, zodat van een (gedeeltelijk) ontslag geen sprake is. Naar het oordeel van de kantonrechter is evenmin aannemelijk dat sprake was van opheffing van een functie of bedrijfsonderdeel. Het gaat over de wijziging van de invulling van één van de diverse taken van [werknemer]. Daarover wilde De Gelderse Roos graag met [werknemer] in gesprek.

5.7. Die toch niet ongebruikelijk discussie tussen werkgever en werknemer over de invulling van (taken binnen) een functie is, naar het oordeel van de kantonrechter voornamelijk door toedoen van [werknemer], vervolgens ontaard in een arbeidsconflict met een (steeds) grote(re) omvang. Het is in beginsel aan een werkgever om de organisatie op de door haar gewenste wijze te organiseren. De Gelderse Roos achtte [werknemer] klaarblijkelijk minder geschikt voor de functie aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek. Niet is gebleken dat De Gelderse Roos in redelijkheid niet tot dat inzicht heeft kunnen komen.

5.8. Van belang waren wel de, tussen partijen in geschil zijnde, vragen hoeveel van de door [werknemer] gewerkte uren de functie van aandachtsfunctionaris/coördinator betrof en of het De Gelderse Roos zonder meer vrij stond die taak, gezien de vermelding daarvan in een aanhangsel van de functieomschrijving, aan een ander op te dragen. Die elementen, alsmede het totale takenpakket van [werknemer] en diens functioneren binnen De Gelderse Roos, hadden nader kunnen worden onderzocht en tussen partijen kunnen worden besproken. De Gelderse Roos zag daar gezien haar mededelingen ook de noodzaak van in en stond open voor overleg met [werknemer]. Daarbij is ook de waarde die [werknemer] voor De Gelderse Roos had en kon hebben benadrukt.

5.9. [werknemer] is echter - zo volgt uit het dossier - niet het gesprek, maar de strijd met De Gelderse Roos aangegaan, heeft iedere suggestie van De Gelderse Roos gezien als een poging om zonder vergoeding afscheid van hem te kunnen nemen en is zijn ‘queeste’ begonnen om die veronderstelde verborgen agenda van De Gelderse Roos aan te tonen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het voorlopig getuigenverhoor, dat, zoals [werknemer] ook erkend, geen concrete aanwijzingen van een vooropgezet plan bij De Gelderse Roos heeft opgeleverd.

5.10. De kantonrechter is van oordeel dat die houding van [werknemer] niet los kan worden gezien van de eerdere mislukte pogingen om overeenstemming te bereiken over (een vergoeding in het kader van) het einde van het dienstverband. Uit de stellingen van partijen over de inhoud van de diverse gevoerde gesprekken alsmede uit de over en weer gewisselde e-mails volgt dat van een open houding van [werknemer] geen sprake was. [werknemer] lijkt reeds in een vroeg stadium overtuigd te zijn geraakt van de onhoudbaarheid van zijn dienstverband bij De Gelderse Roos en de noodzaak van een afscheid, terwijl niet aannemelijk is dat een door De Gelderse Roos gegeven concrete aanleiding bestond om daarvan uit te gaan.

5.11. Tekenend voor het ontbreken van bereidwilligheid bij [werknemer] is dat het in april 2010 overnemen van de gesprekken door [de heer Y] van [de heer X], die zoals De Gelderse Roos heeft erkend in ieder geval in de verslaglegging tekortgeschoten is, geen enkele verandering in de benadering van [werknemer] heeft gebracht en (dus) niet in de aard en inhoud van de communicatie tussen partijen. In feite is nimmer inhoudelijk het gesprek gevoerd over de toekomstige werkzaamheden van [werknemer] bij De Gelderse Roos.

5.12. [werknemer] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door De Gelderse Roos met opzet procedures zijn vertraagd en informatie is achtergehouden om [werknemer], zoals hij het noemt, ‘eruit te werken’. Onvoldoende onderbouwd is dat De Gelderse Roos eerder (en) meer duidelijkheid had kunnen en moeten verschaffen. [werknemer] meent dat hij sinds medio 2008 op die duidelijkheid heeft moeten wachten, doch hiervoor is geoordeeld dat de discussie over de functie aandachtsfunctionaris/coördinator psychodiagnostiek eerst eind 2009 een aanvang heeft genomen. Voorts is op dit punt van belang de onweersproken omstandigheid dat de afdeling psychodiagnostiek nog immer niet definitief is vormgegeven. Tenslotte is van belang dat de houding van [werknemer] er juist (mede) de oorzaak van was dat over de inhoud van zijn functie geen duidelijkheid kon worden gegeven. Het gesprek daarover kwam, zoals hiervoor weergegeven, immers maar niet op gang.

5.13. Ook overigens is onvoldoende aannemelijk geworden dat door De Gelderse Roos ‘tactieken’ zijn gehanteerd om [werknemer] tegen te werken. [werknemer] noemt in dat kader als voorbeeld dat post, ondanks uitdrukkelijk verzoek van [werknemer], door De Gelderse Roos niet aan zijn gemachtigde is verstuurd maar bij hem thuis is afgeleverd. Begrijpelijk is dat [werknemer] daarover geërgerd was, doch dat rechtvaardigt niet – ook niet in het licht van het gehele conflict – zijn reactie daarop. [werknemer] heeft daarop, en dat is een rode draad door het conflict, ‘overgereageerd’.

5.14. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het ontstaan en escaleren van het arbeidsconflict tussen [werknemer] en De Gelderse Roos in overwegende mate aan [werknemer] kan worden verweten.

Re-integratie

5.15. Met betrekking tot de re-integratie is in kort geding en in appel reeds geoordeeld. Op dit punt zijn in deze procedure geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd, behoudens de opmerking van [werknemer] dat in genoemde procedures ten onrechte is aangenomen dat geen mediation heeft plaatsgevonden. [werknemer] voert aan, en De Gelderse Roos erkent dat ook, dat drie mediation bijeenkomsten hebben plaatsgevonden.

5.16. [werknemer] heeft echter aan die door hem aangevoerde omstandigheid geen conclusie verbonden. Gelet op het oordeel van de kantonrechter in kort geding (met name r.o. 4.3-4.5) en het hof in appel (met name r.o. 5.9-5.11) is de kantonrechter van oordeel dat het uitgangspunt dat geen mediation heeft plaatsgevonden niet van wezenlijk belang is geweest bij de beoordeling in kort geding en/of in appel. Evenmin aannemelijk is dat de, zonder overeenstemming geëindigde, mediation in deze procedure van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de houding van partijen in het kader van de re-integratie. [werknemer] voert dat ook niet aan.

5.17. Nu de in kort geding en in appel vastgestelde feiten, behoudens voornoemd element van mediation, tot uitgangspunt kunnen worden genomen en (dus) de beoordeling in die procedures, leidt dat tot het oordeel in deze procedure dat [werknemer] in het kader van de – mislukte – re-integratie een overwegend verwijt treft. Zowel in kort geding als in appel is immers door geoordeeld dat [werknemer] onvoldoende heeft meegewerkt aan een re-integratie in het eerste spoor en zich ten onrechte, terwijl niet vaststond dat re-integratie in het eerste spoor onmogelijk was, op het standpunt heeft gesteld dat re-integratie in het tweede spoor diende plaats te vinden.

5.18. Daarmee heeft [werknemer] het in kort geding en appel geschetste wettelijk kader voor re-integratie, dat zowel voor werkgever als werknemer dwingende verplichtingen met zich brengt, doorkruist hetgeen maakt dat hem een overwegend verwijt treft.

Slotsom

5.19. Hiervoor is geoordeeld dat [werknemer] in overwegende mate een verwijt treft van het ontstaan van het arbeidsconflict tussen hem en De Gelderse Roos. Voorts is geoordeeld dat [werknemer] ten onrechte onvoldoende heeft meegewerkt aan de re-integratie in het eerste spoor. Die elementen zijn uitgangspunt bij de beoordeling of aan [werknemer] een vergoeding wordt toegekend en maken dat aan [werknemer] in beginsel geen vergoeding toekomt.

5.20. De gevolgen van het arbeidsconflict voor (de gezondheid van) [werknemer], hoe ernstig voor hem ook, doen daaraan niet af, mede omdat op grond van vorenstaande het verwijt daarvan niet worden gelegd bij De Gelderse Roos. Ook de lengte van het dienstverband van [werknemer] en diens leeftijd leiden niet tot een ander oordeel, gezien de verwijtbaarheid aan de zijde van [werknemer] en mede vanwege de omstandigheid dat [werknemer] reeds sinds 18 april 2010, derhalve inmiddels meer dan een jaar, niet heeft gewerkt en gedurende een groot deel van die periode door De Gelderse Roos wel is doorbetaald.

5.21. De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van plan de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 16 juni 2011, waarbij geen plaats is voor een vergoeding voor [werknemer]. Zowel het verzoek als het voorwaardelijke tegenverzoek zullen in die zin worden toegewezen. Nu geen vergoeding wordt toegekend, krijgt [werknemer] de gelegenheid het verzoek in te trekken.

5.22. De kantonrechter compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter

6.1. stelt [werknemer] en De Gelderse Roos in de gelegenheid het verzoek, respectievelijk het voorwaardelijk tegenverzoek, uiterlijk op 30 mei 2011 in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffier van de rechtbank, sector kanton, locatie Wageningen, postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

als het verzoek of het voorwaardelijke tegenverzoek niet wordt ingetrokken:

6.2. ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 16 juni zonder toekenning van een vergoeding aan [werknemer];

6.3. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

als het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek worden ingetrokken:

6.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.