Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5216

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/1741, 10/1742 en 10/1743
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Niet terugwijzen, omdat eiser niet in zijn belangen wordt geschaad indien de rechtbank de zaak inhoudelijk afdoet. IB/PVV 2005, 2006 en 2007. Ambtshalve opgelegde aanslagen. Omkering bewijslast. Redelijke schatting. Bij de door eiser in beroep overgelegde jaarrekeningen dienen vraagtekens te worden geplaatst wat betreft de betrouwbaarheid, controleerbaarheid en juistheid, zodat eiser daarmee niet overtuigend heeft aangetoond dat en in hoeverre de door verweerder opgelegde aanslagen onjuist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1515
V-N 2011/37.24.24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 10/1741, 10/1742 en 10/1743

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 19 mei 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV), boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente opgelegd:

- voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [000].H.56), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.999 (na verrekening van verliezen uit voorgaande jaren tot een bedrag van € 1), een verzuimboete van € 794 en € 3.006 aan heffingsrente;

- voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [000].H.66), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 515.000, een verzuimboete van € 794 en € 39.520 aan heffingsrente;

- voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [000].H.76), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.180, een verzuimboete van € 113 en € 1.565 aan heffingsrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2010 het bezwaar voor het jaar 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft verweerder de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en de verzuimboete verminderd tot € 158.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2010 heeft verweerder het bezwaar voor het jaar 2006 gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 237.220, de beschikking heffingsrente verminderd met € 17.378 en de verzuimboete gehandhaafd.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2010 heeft verweerder het bezwaar voor het jaar 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft verweerder de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.180, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 279 en de verzuimboete gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij onderscheiden brieven van 10 mei 2010, ontvangen door de rechtbank op 12 mei 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2011 te Arnhem. Namens verweerder zijn daar verschenen [gemachtigde] en [A]. Eiser is niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brieven, verzonden op 16 februari 2011 aan [X], [A-straat 1] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brieven in ontvangst zijn genomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de uitnodigingen om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres zijn aangeboden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiser is gehuwd en heeft met zijn gezin tot 7 september 2006 ingeschreven gestaan op een adres in [Q] (Friesland). Vanaf die datum zijn zij ingeschreven in [Z].

2.2 Verweerder heeft eiser bij brieven van respectievelijk 31 mei 2007, 14 januari 2008 en 20 januari 2009 aangemaand de aangiften voor 2005, 2006 respectievelijk 2007 in te dienen. Verweerder heeft binnen de aanmaningstermijnen geen aangiftes ontvangen. Vervolgens zijn ambtshalve de aanslagen IB/PVV 2005, 2006 en 2007 met dagtekening 27 maart 2008, 3 november 2009 respectievelijk 25 november 2009 opgelegd.

2.3 Eiser heeft – door alsnog elektronisch aangiftes in te dienen – op 28 juni 2009 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2005, op 16 november 2009 tegen de aanslag IB/PVV 2006 en op 26 november 2009 tegen de aanslag IB/PVV 2007.

2.4 Op verzoek van de medewerker van verweerder die was belast met de aanslagregeling IB/PVV 2006 is een boekenonderzoek ingesteld. Nadat voor de jaren 2005 tot en met 2007 de aanslagen ambtshalve zijn vastgesteld, is het onderzoek uitgebreid naar de juistheid van de gegevens die zijn aangeleverd ten behoeve van onder meer de IB/PVV 2005 tot en met 2007. In het rapport van 16 maart 2010 waarin de bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd staat onder meer het volgende vermeld:

" 2.1 Verloop onderzoek

(…)

Op 29 april 2009 heb ik een bezoek gebracht aan het woon/bedrijfsadres van de heer en mevrouw [X]. (…) Daar heb ik gesproken met mevrouw [Y]. (…) Ik heb gevraagd naar aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting. Mevrouw [Y] stelde dat zij nergens wat van af wist omdat haar man al dat soort zaken regelt. (…) Ik heb met mevrouw [Y] afgesproken dat ik op 7 mei terug zou komen met dezelfde vragen. Zij zou zorgen dat dan de antwoorden voorhanden waren.

Op 7 mei 2009 heb ik wederom een bezoek gebracht (…). De heer [X] was niet aanwezig. (…) Ik heb ook gevraagd naar het bedrijf in Friesland. Mevrouw [Y] was daar mede-ondernemer. Ze wist nergens wat van. (…) De huidige adviseur zou de heer [B] (…) zijn.

Op 8 mei 2009 heb ik gebeld met de heer [B]. (…) Hij stelde heel duidelijk dat hij niet de adviseur was.

Op 11 mei nogmaals een bezoek gebracht aan de familie [X]. (…) Gesproken met mevrouw [Y]. (…)

Op 12 mei 2009 gebeld met mevrouw [Y]. Ze zegt dat haar man de volgende week vrij neemt om aan de administratie te gaan werken. (…)

Omdat er op dit moment van de familie [X] geen initiatieven lijken te komen om aan de fiscale verplichtingen te voldoen is besloten om voor 2006 toch maar ambtshalve aanslagen op te leggen. Besloten is het ambtshalve inkomen vast te stellen op € 515.000, zijnde de verkoopprijs van een (gedeelte) van de onderneming te [Q] (Friesland).

Op 11 en 16 november 2009 worden er aangiften ontvangen (…) welke als bezwaarschrift (…) zijn aangemerkt.

(…) In december heb ik daarom nogmaals contact opgenomen met de familie [X]. Inmiddels zou er een administratie zijn. De broer van de heer [X] heeft deze samengesteld. (…) Ik heb de heer [C] gebeld en met hem afgesproken dat ik de administratie (…) bij hem op zou halen zodat hij de administratieve verwerking van de gegevens mondeling toe zou kunnen lichten. (…)

Op 2 februari ben ik naar de heer [C] in [R] geweest om de administratie op te halen. (…) Aangekomen te [R] was daar geen administratie aanwezig. Volgens mededeling van de heer [C] had zijn broer de spullen de donderdag ervoor meegenomen naar [Z]. (…)

Op 3 februari heb ik gebeld met mevrouw [Y]. (…) 's Middags heb ik de administratie (…) opgehaald. De heer [X] overhandigde mij een doos met mappen en papier. (…) De heer [X] zei niet te weten wat er precies in de doos zat. Het enige wat hij wist te melden was: "Alles wat er is zit in de doos". (…)

Op 8 februari 2010 heb ik de doos weer terug gebracht naar de heer [X]. Ik heb hem medegedeeld dat ik hier niets mee kon.

2.2 De administratie

Het doornemen van de doos met mappen en papieren leverde het volgende op:

- Aangetroffen een map met aanslagen, aanmaningen, dwangbevelen etc, allemaal van de Belastingdienst.

- Aangetroffen een map met aanmaningen, dwangbevelen en andere invorderingsstukken betreffende een groot aantal crediteuren.

Uit deze map werd niet duidelijk welke crediteuren uiteindelijk wel of niet betaald zijn.

- Aangetroffen werd een map met allerlei inkoop- en kostenbonnen.

Uit deze map werd niet duidelijk welke van deze bonnen wel of niet betaald zijn. Er is geen link gelegd met de aanwezige bankafschriften. In deze map zat ook een envelop met kassabonnetjes. Deze zouden de omzet van de winkel in [Z] weergeven. De bonnen betroffen alleen zogenaamde X-afslagen. Er zijn geen Z-afslagen aangetroffen.

Er is geen kasboek bijgehouden voor de winkelontvangsten. Er zijn ook negatieve aanslagen aangetroffen op de verschillende bonnetjes. Niet duidelijk is waarop deze betrekking hebben.

- Aangetroffen is een map met bankafschriften van de Friesland bank. Het betreft de volgende rekeningen:

Nummer [001], ten name van Maatschap [X] en [Y]. Het eerste afschrift in 2005 is nummer 11 d.d. 2-3-2005. De rest van de afschriften van 2005 tot en met 31 december is aanwezig. Het eerste afschrift van 2006 is nummer 1, het laatste afschrift is van 31 december. De afschriften met de nummers 60 tot en met 103 ontbreken. Het saldo op afschrift 59 is € 164.774,25; het saldo op afschrift 104 is € 93.615,49. Van 2007 waren de afschriften van 1 januari tot en met 25 juli aanwezig, de rest ontbreekt.

Nummer [002], ten name van [E] CV. Het eerste afschrift in 2005 is nummer 34 d.d. 25-2-2005. De rest van de afschriften van 2005 tot en met 12 december is aanwezig. Het saldo op 12 december 2005 bedraagt € 12.077,93; het saldo op 1 januari 2006 bedraagt € 6.484,91. 2006 lijkt redelijk compleet.

Er is ook een bankrekening bij de Rabobank onder nummer [003]. Het nummer heb ik overgenomen van een overschrijving. Er zijn geen bankafschriften aangetroffen.

- Voor het overige zaten er stapels losse papieren verdeeld over 3 plastic tassen in de doos.

Conclusie

De aangetroffen stukken zijn administratieve bescheiden. De stukken zijn kennelijk niet verwerkt tot een administratie waaruit de rechten en verplichtingen van de onderneming kunnen worden afgeleid, althans een dergelijke administratie is door mij niet aangetroffen. Het instellen van een boekenonderzoek is hierdoor niet mogelijk.

(…)

2.4 Rechtsvorm onderneming

Er is fiscaal gezien sprake van een viertal ondernemingen, te weten:

1. [E] CV (…). De beherend vennoot is de heer [X]. De commandiet is (…) [C], de broer van [X], met een commanditair vermogen van € 100. [C] is begin 2005 uit de CV getreden, waarna deze feitelijk als éénmanszaak van de heer [X] is verder gegaan. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit het houden van plm. 80.000 mestkuikens op contractbasis. De activa van de onderneming bestonden onder andere uit de erfverharding, 2 kuikenstallen, de inventaris van de 2 stallen, de pluimveerechten en een auto. (…)

2. Maatschap [X] en [Y] (…). De maten in deze maatschap zijn de heer [X] en zijn echtgenote mevrouw [Y]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit het houden van plm. 200 schapen en de exploitatie van de landbouw/weidegrond. De activa van de onderneming bestonden onder andere uit inventaris, auto's en de veestapel. (…)

3. Eénmanszaak [X] (…). In feite betreft het hier het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit het ter beschikking stellen van dit vermogen aan de CV en de maatschap. De activa bestonden uit gebouwen en landerijen. (…)

4. Maatschap [X]-[Y] h/o [D] (…). De bedrijfsactiviteit bestond uit de exploitatie van een outletstore (…).

2.5 Bedrijfsbeëindiging

De agrarische ondernemingen te [Q] zijn begin 2006 beëindigd. (…) Medio 2006 is men verhuisd naar [Z] en is daar een outletstore begonnen (…).

3. Beëindiging agrarische activiteiten

3.1 Verkoop [A-straat 2] [Q] 2006

De activa van de éénmanszaak, de maatschap en de CV zijn begin 2006 verkocht. Ik heb de beschikking over de notariële acte van levering van een deel van de onroerende zaken. Deze akte heb ik opgevraagd bij de kopende partij, in verband met de verdeling van de opbrengsten over de verschillende activa. Ik heb de acte niet aangetroffen bij de stukken van [X]. Daar zat wel een notariële afrekening bij. De boekwaarden komen van de stukken die door de heer [C] zijn opgemaakt.

De opbrengsten zijn:

1. In de éénmanszaak:

verkoopprijs boekwaarde boekwinst landbouwvrijstelling

Gebouwen (woning) 40.000 32.250 7.750

Ondergrond 20.000 0 20.000

Mestquotum

Landerijen 662.050 178.617 483.433 483.433

722.050 210.867 511.183 483.433

(…)

2. In de CV (toe te rekenen aan dhr. [X]):

verkoopprijs boekwaarde boekwinst

Erfverharding 0 6.850 -6.850

stal I 90.000 73.000 17.000

stal II 85.000 70.300 14.700

Inventaris I 45.000 11.325 33.675

Inventaris II 45.000 11.675 33.325

Pluimveerechten 133.000 0 133.000

Bemiddelingskosten -11.750 178.617 -11.750

386.250 173.150 213.000

3.2 Overige stakingsopbrengsten 2006

De overige activa op de meegeleverde balans zijn ook "weg". Of die zijn verkocht of achtergebleven is voor mij niet te achterhalen. Het gaat om onder andere de inventaris van de maatschap, auto's en de veestapel van de maatschap. De veestapel van de maatschap zou bestaan uit schapen. De waardering per 1-1-2006 is € 30.335. Er wordt in de stukken geen opbrengst opgegeven. Dit is vreemd. De auto's worden alleen maar afgeschreven naar nul. Er is geen opbrengst verantwoord.

(…)

5. Inkomstenbelasting

Mijn voorstel is om de belastbare winst voor 2005 vast te stellen op nihil. (Dit is de winst na aftrek van de winstfaciliteiten). Voor 2007 stel ik hetzelfde voor.

Voor het jaar 2006 stel ik voor om in verband met de realisatie van een toch behoorlijke boekwinst deze boekwinst als belastbare winst vast te stellen. (…) Daarbij kan rekening worden gehouden met de landbouwvrijstelling. Dit betekent dat de winst in 2006 voor de heer [X] moet worden vastgesteld op € 511.183 (winst éénmanszaak) verminderd met de landbouwvrijstelling ad € 483.433 en vermeerderd met de boekwinst in de CV ad € 213.100, in totaal dus € 240.850.

Daar kan nog van af de stakingsaftrek van € 3.630, zodat de belastbare winst € 237.220 is. Mijn voorstel is om de normale winst gelijk te stellen aan het bedrag van de zelfstandigenaftrek, zodat dit per saldo op nul uitkomt. (…)

5.1 Dhr. [X]

2005 2006 2007

Aangegeven belastbaar inkomen -53.958 5.589 -64.768

correctie 53.959 231.631 83.948

Vast te stellen 1 237.220 19.180

Het bedrag in 2005 is zo vastgesteld dat er na 2005 geen te verrekenen verliezen meer zijn.

Het bedrag in 2007 is zo vastgesteld dat de winst nihil is, het loon is € 8.307 en de uitkering uit kapitaalverzekering is

€ 10.873. De ingehouden loonheffing in 2007 bedraagt € 1.451.

(…) "

2.5 Verweerder heeft vervolgens de bezwaren inzake de jaren 2005 en 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Ambtshalve zijn de aanslagen IB/PVV 2005 en 2007 overeenkomstig het rapport van 16 maart 2010 verlaagd. Het bezwaar inzake 2006 is deels gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2006 is overeenkomstig het rapport verlaagd.

3. Geschil

3.1 Ten aanzien van het jaar 2005 is in geschil is of het bezwaar terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Indien wordt geoordeeld dat het bezwaar ontvankelijk had moeten verklaard, is de hoogte van de aanslag IB/PVV 2005 in geschil.

3.2 Ten aanzien van het jaar 2006 is in geschil of de aanslag IB/PVV 2006 tot een juist bedrag is opgelegd.

3.3 Ten aanzien van het jaar 2007 heeft verweerder ter zitting verklaard dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. In geschil is verder of – indien de rechtbank de zaak zelf kan afdoen – de aanslag IB/PVV 2007 terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ambtshalve aanslag IB/PVV 2005 (AWB 10/1741)

4.1 Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, welke termijn ingevolge artikel 6:8 van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt voorts dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de indiener redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest.

4.1.1 In dit geval is de bezwaartermijn geëindigd op 7 mei 2008. Eiser heeft niet betwist dat het bezwaar na afloop van de termijn is ingediend, namelijk doordat hij alsnog elektronisch aangifte heeft gedaan in 2009. Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geoordeeld. Voor zover hij in dit verband heeft gesteld dat de administratie alle jaren door zijn echtgenote is gevoerd en dat pas in de zomer van 2009 aan het licht is gekomen dat zij die wegens haar beweerdelijke gezondheidstoestand niet heeft bijgehouden, levert dat geen verschoonbaarheid op. Eiser is zelf verantwoordelijk voor (de controle op) het tijdig indienen van een bezwaarschrift en daar kan het beweerdelijk falen van zijn echtgenote niet aan afdoen. Gelet hierop, is het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Ambtshalve aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 (AWB 10/1742 en 10/1743)

4.2 Niet meer in geschil is dat verweerder het bezwaar voor het jaar 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat reeds hierom het beroep inzake 2007 gegrond is. In beginsel dient de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen (de terugwijsregel). Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat eiser niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41 130, LJN: AX7330). De rechtbank stelt vast dat verweerder ambtshalve het bezwaar heeft beoordeeld. Daarnaast heeft eiser, net als bij de beroepen inzake 2005 en 2006, inhoudelijke en gemotiveerde gronden tegen de hoogte van de aanslag IB/PVV 2007 aangevoerd. Gelet hierop, en gelet op de samenhang van de verschillende jaren, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in zijn belangen wordt geschaad indien ook zijn beroep inzake 2007 inhoudelijk wordt beoordeeld. De rechtbank zal de zaak daarom niet terugwijzen maar zelf in de zaak voorzien.

4.3 Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechtbank het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart, indien de vereiste aangifte niet is gedaan of indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van de artikelen 52 en 47 van de AWR, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.3.1 Artikel 47, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.3.2 Artikel 52, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Ingevolge artikel 52, vierde lid, AWR, voor zover hier van belang, zijn administratieplichtigen verplicht gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

4.3.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval drie gronden zijn aan te wijzen op basis waarvan artikel 27e van de AWR van toepassing is. Hoewel daartoe aangemaand, heeft eiser geen aangiften ingediend. Daarnaast kan volgens verweerder op basis van de bevindingen van de controleambtenaar zoals neergelegd in het rapport van 16 maart 2010 (weergegeven in 2.4 van deze uitspraak), worden geconcludeerd dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 52 van de AWR rustende administratieplicht en tot slot heeft eiser – doordat hij slechts een doos met ongeordende stukken heeft overgelegd – evenmin voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR.

4.3.4 Eiser heeft de bevindingen en de conclusie van de controleambtenaar, dat geen sprake is van een administratie waaruit de rechten en verplichtingen van de ondernemingen blijken, niet weersproken. In zijn beroepschrift heeft eiser in dit verband gesteld dat zijn echtgenote de administratie voerde en dat pas in de zomer van 2009 duidelijk is geworden dat zij die administratie niet heeft bijgehouden. Zoals hiervoor al overwogen, kan de beweerdelijke ziekte of geestesgesteldheid van de echtgenote van eiser, voor zover al – gelet op de verklaringen van de echtgenote tegenover de controleambtenaar – zou kunnen worden aangenomen dat zij daadwerkelijk de administratie heeft gevoerd, niet afdoen aan de verantwoordelijkheid van eiser voor (de controle op) het voeren van de administratie van zijn bedrijven. Evenmin kunnen die stellingen van eiser ertoe leiden dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in dit geval disproportioneel zou moeten worden geoordeeld. Uit het nader beroepschrift blijkt dat kennelijk al einde 2005 een aanvraag tot faillietverklaring van (de bedrijven van) eiser en diens echtgenote is ingediend, hetgeen het moment was dat eiser niet langer vertrouwde op de door zijn echtgenote gevoerde boekhouding. Dat in 2010 nog steeds, in strijd met artikel 52 van de AWR, geen administratie over de jaren 2005 tot en met 2007 aanwezig was, dient dan ook aan eiser te worden toegerekend. Gelet hierop, en nu eiser evenmin heeft betwist dat hij niet tijdig, ondanks daartoe te zijn aangemaand, de aangiften IB/PVV 2006 en 2007 heeft ingediend, ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan artikel 27e van de AWR. Of eiser heeft voldaan aan artikel 47 van de AWR behoeft daarom geen bespreking meer.

4.3.5 Uit het voorgaande vloeit voort dat eiser overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 onjuist zijn.

4.4 Eiser heeft in beroep jaarrekeningen over 2005, 2006 en 2007 overgelegd. Daarin is, voor zover van belang, de winst voor 2006 berekend op € 11.211 en voor 2007 op negatief € 39.760. Volgens eiser dienen de aanslagen overeenkomstig deze jaarrekeningen te worden vastgesteld.

4.4.1 Verweerder heeft ten aanzien van deze stukken gesteld dat de juistheid en betrouwbaarheid daarvan moet worden betwijfeld. Daarbij wijst verweerder in zijn algemeenheid op de omstandigheid dat eiser zelf tegenover de controleambtenaar heeft aangegeven dat alles wat hij aan administratie bezat in de doos zat die hij op 3 februari 2010 heeft afgegeven. Volgens het rapport kon op basis van die stukken geen administratie worden samengesteld zodat zonder nadere verklaring van eiser onduidelijk is op basis van welke bescheiden de in beroep overgelegde jaarrekeningen zijn samengesteld. Daardoor kunnen de jaarrekeningen ook niet worden gecontroleerd. Meer in het bijzonder heeft verweerder nog op de volgende onduidelijkheden en ongerijmdheden gewezen die zonder nadere verklaring van eiser volgens verweerder afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de jaarstukken:

(a) in 2006 levert "overige inventaris" van de CV met boekwaarde € 1.450 een verlies op van € 10.105;

(b) de "huur landerijen" bedraagt in het gehele jaar 2005 € 5.000 en in een deel van het jaar 2006 € 24.702 en daarnaast staat er tegenover de huur geen opbrengst;

(c) de "energiekosten stallen" bedragen in heel 2005 € 14.822 en in een deel van 2006 € 79.910;

(d) er zijn "rentelasten Belastingdienst" ten laste van de winst gebracht;

(e) de stand van de rekening van de CV met nummer [002] bedraagt op 31 december 2005 € 12.978 en volgens de controlerend ambtenaar op 1 januari 2006 € 6.484,91, die daarbij heeft opgemerkt dat het laatste afschrift dat door eiser is overgelegd dateert van 12 december 2005;

(f) van de maatschapsactiva zijn "overige inventaris" en "auto" voor exact de boekwaarde verkocht;

(g) blijkens de resultatenrekening van de maatschap is de opbrengst van de verkoop van de activa € 1.450, terwijl blijkens de toelichting op de balans van de maatschap de "overige inventaris" en de "auto" voor

€ 1.000 en € 1.950 staan geboekt;

(h) de "opbrengsten veehouderij" van de maatschap bedragen € 899, waarvan € 393 "opbrengst schapen" volgens de toelichting op de resultatenrekening, terwijl op 1 januari 2006 de schapen voor € 30.335 op de balans staan;

(i) [D] heeft geen liquide middelen op de balans staan;

(j) [D] heeft blijkens de balans geen schulden aan crediteurs, zoals leveranciers;

(k) verlies op inkopen van 125,3% is ongebruikelijk, zelfs voor een startende onderneming;

(l) volgens de jaarrekening bedroegen de inkopen van [D] € 6.338, maar volgens de door eiser ingediende aangifte € 15.463;

(m) per 31 december 2007 heeft [D] een "Vordering uit [E] CV" ten bedrage van € 216.000 en een "Vordering omzetbelasting voorgaande jaren" ten bedrage van € 24.065 op de balans staan, die ook afkomstig is van de CV.

4.4.2 De rechtbank stelt voorop dat eiser de in het rapport van 16 maart 2010 neergelegde bevindingen, waaronder de bevindingen over de administratie, niet heeft betwist. Reeds hierom dienen - zonder nadere verklaring van eiser die ontbreekt - vraagtekens te worden geplaatst bij de betrouwbaarheid, controleerbaarheid en juistheid van de thans in beroep overgelegde jaarstukken. Dit wordt versterkt door de onduidelijkheden en ongerijmdheden die verweerder naar voren heeft gebracht. Op zichzelf beschouwd hoeven die wellicht niet tot verwerping van de jaarrekeningen te leiden, maar in onderlinge samenhang bezien en in samenhang met de omstandigheid dat in februari 2010 de administratie en een groot deel van de bescheiden ontbraken, bestaat voldoende aanleiding voor het oordeel dat eiser met de door hem overgelegde jaarrekeningen niet overtuigend heeft aangetoond dat en in hoeverre de ambtshalve opgelegde aanslagen onjuist zijn. De rechtbank wijst dan nog met name op de door verweerder genoemde grote verschillen in kosten (onder b en c), het niet aansluiten van het banksaldo van rekeningnummer [002] (onder e), de verantwoorde verkoopopbrengsten van de maatschap van de "overige inventaris", de "auto" en "opbrengst schapen" (onder f en h), het ontbreken van liquide middelen en schulden aan crediteurs bij de winkel (onder i en j) en de vordering per 31 december 2007 van de CV op de balans van [D] (onder m). Tot slot wijst de rechtbank erop dat de samensteller van de jaarrekeningen in de begeleidende brief bij de jaarrekeningen heeft vermeld dat die zijn samengesteld op basis van de door eiser verstrekte gegevens en dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van die gegevens en van de daarop gebaseerde jaarrekeningen volledig bij eiser berusten.

4.4.3 De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat eiser niet in zijn bewijslast is geslaagd. De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.

4.5 Verweerder is bij de uitspraken op bezwaar uitgegaan van het rapport van 16 maart 2010. Daarin is de belastbare boekwinst wegens staking van de CV en de éénmanszaak, rekening houdend met de landbouwvrijstelling en aftrek van de stakingsaftrek van € 3.630, gesteld op € 237.220. De normale winst is gelijk gesteld aan het bedrag van de zelfstandigenaftrek, zodat die per saldo nihil is. Voor 2007 is in het rapport de winst eveneens op nihil gesteld en is verder rekening gehouden met loon (en daarop ingehouden loonheffing) en een uitkering uit een kapitaalverzekering.

4.5.1 Eiser heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat ten onrechte geen rekening is gehouden met alle overige opbrengsten en kosten. Eiser heeft deze kosten evenwel niet, althans onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat ook al zou sprake zijn van ten onrechte niet meegenomen kosten dan nog niet vaststaat dat de aanslag te hoog is, omdat door verweerder geen rekening is gehouden met de waarschijnlijke opbrengst van de schapen, mestrechten en wellicht nog andere activa waarvan geen opbrengsten zijn verantwoord en waarvan niet duidelijk is geworden wat daarmee is gebeurd. Ook ten aanzien van 2007 heeft eiser niet concreet onderbouwd waarom verliezen tot een bedrag van € 39.760 in aanmerking zouden moeten worden genomen. Gelet hierop, is de schatting van verweerder voor zowel 2006 – behoudens het hierna volgende – als 2007 redelijk.

4.5.2 Verweerder heeft ter zitting erkend dat de landbouwvrijstelling, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004 (nrs. 38.650, 39.115, 39.116, 39.751, 39.752 en 39.963, met LJN: AO9022, AO9023, AO9024, AO9025, AO9026 en AO9028) en het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 8 maart 2006 (nr. CPP2005/3338M), nog van toepassing is op het verschil tussen de WEVAB en de boekwaarde van de ondergrond van de woning ten tijde van de verkoop. Eiser lijkt zich blijkens de jaarrekeningen op het standpunt te stellen dat het gaat om het volledige bedrag van € 20.000, verweerder heeft dit ter zitting evenwel betwist. Nu geen van beide partijen de WEVAB heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze in goede justitie vaststellen op € 10.000. Dit bedrag dient nog in mindering te worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2006. Het beroep is in zoverre gegrond.

Heffingsrente (AWB 10/1742 en 10/1743)

4.6 Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente voor 2006 dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag IB/PVV 2006. Voor 2007 bestaat geen aanleiding om de ambtshalve in de uitspraak op bezwaar vastgestelde aanslag IB/PVV 2007 te verlagen, zodat de rechtbank de heffingsrente overeenkomstig de uitspraak op bezwaar kan vaststellen.

Verzuimboetes (AWB 10/1742 en 10/1743)

4.7 Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de verzuimboetes aangevoerd. Uit de door verweerder overgelegde schermprintjes blijkt dat in 2006 sprake is van een vierde verzuim. Gelet hierop, acht de rechtbank de opgelegde verzuimboete passend en geboden. Hetzelfde geldt voor de in 2007 vanwege een eerste verzuim opgelegde boete.

Conclusie

4.8 De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat het beroep inzake 2005 ongegrond is. Het beroep inzake 2006 is gegrond en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de aanslag vast te stellen berekend naar een belastbaar inkomen werk en woning van (€ 237.220 -/- € 10.000 =) € 227.220 en zal verweerder opdragen de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen. Het beroep inzake 2007 is eveneens gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en de aanslag en beschikking heffingsrente te handhaven zoals deze na ambtshalve vermindering zijn vastgesteld.

5. Proceskosten

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor het jaar 2005, met nummer AWB 10/1741, ongegrond;

- verklaart het beroep voor het jaar 2006, met nummer AWB 10/1742, gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot 2006 met uitzondering van de boetebeschikking;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2006 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 227.220;

- bepaalt dat verweerder de beschikking heffingsrente 2006 dienovereenkomstig vermindert;

- verklaart het beroep voor het jaar 2007, met nummer AWB 10/1743, gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot 2007;

- handhaaft de aanslag IB/PVV 2007, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking zoals deze na ambtshalve vermindering zijn vastgesteld;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. N. Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 19 mei 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.