Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3321

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/5094
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges bouwvergunning. Bouwkosten windturbine. NEN 2631. Bouwkosten en inrichtingskosten. De rotorbladen met toebehoren worden als bouwkosten aangemerkt, omdat deze het bouwwerk zelf betreffen en van belang zijn voor de ruimtelijke inpassing. De inpandige onderdelen, zoals de generator en de tandwielkast, behoren tot de bedrijfsinstallaties en worden tot de inrichtingskosten gerekend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/800 met annotatie van P. de Bruin
FutD 2011-1101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/5094

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 mei 2011

inzake

[X] B.V., thans [Y] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Buren, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiseres is bij schriftelijke kennisgeving van 18 juni 2009, verzonden op 25 juni 2009, een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 90.950,60 voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het plaatsen van vier windturbines.

Met dagtekening 24 juli 2009, ontvangen door verweerder op 27 juli 2009, heeft eiseres tegen deze kennisgeving bezwaar ingediend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2009 het bedrag aan leges gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 december 2009, ontvangen door de rechtbank op 17 december 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011 te Arnhem.

Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en [B], bijgestaan door mr. [gemachtigde] en mr. [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], [D] en [E].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Op 24 oktober 2007 heeft eiseres een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend bij de gemeente Buren. Het betreft een bouwproject van 4 windturbines in de gemeente Buren.

In de aanvraag heeft eiseres vermeld dat de afmetingen van de windturbines zullen liggen binnen de volgende bandbreedtes:

minimum maximum

ashoogte windturbine 78 meter 90 meter

rotordiameter 70 meter 90 meter

tiphoogte 113 meter 135 meter

Het maximaal te genereren vermogen van de turbine zal liggen in de 2-3 MW-klasse.

Als voorbeeld zijn bij de bouwaanvraag tekeningen opgenomen van een [F] V90 turbine met een rotordiameter van 90 meter en een ashoogte van 80 meter en 90 meter. De in de bouwaanvraag opgegeven aanneemsom is gebaseerd op de op dat moment geldende prijzen voor de [F] V90 voorbeeldturbine. Eiseres is daarbij uitgegaan van een werktuigenvrijstelling en heeft de bouwkosten geraamd op € 4.000.000.

Verweerder heeft per e-mail van 16 november 2007 aan eiseres een onderbouwing van de bouwkosten gevraagd.

Eiseres heeft daarop per e-mail van 26 november 2007 aan verweerder bericht dat de fabrikant [F] voor een V80-model uitgaat van een richtprijs van € 2.000.000 en voor een V90-model van € 3.000.000.

Verweerder heeft de bouwkosten geraamd op € 12.000.000 en is daarbij uitgegaan van de richtprijzen voor een V90-3.0 MW op 80 meter ashoogte.

3. Geschil

In geschil is of de aanslag bouwleges tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of, en zo ja welke, onderdelen van een windturbine tot inrichtingskosten moeten gerekend en niet tot de bouwkosten behoren.

Volgens eiseres behoren tot de bouwkosten alleen de kosten van de mast, de gondel en de hoofdas. De kosten van de overige onderdelen, zoals de rotorbladen, tandwielkast en generator, zijn volgens eiseres inrichtingskosten en behoren niet tot de bouwkosten te worden gerekend.

In haar nader stuk concludeert eiseres tot een vermindering van de heffingsgrondslag tot € 5.069.000 (4 x € 1.267.250) en vermindering van de aanslag leges tot € 52.448,90.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle onderdelen van een windturbine tot de bouwkosten behoren. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval de rotorbladen met toebehoren tot de bouwkosten behoren.

Verweerder heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat bij de raming van de bouwkosten van een te laag bedrag is uitgegaan. Verweerder bepleit thans dat, indien onderdelen niet tot de bouwkosten worden gerekend, de totale kosten per windturbine € 3.876.000 bedragen.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De verordening op de heffing en invordering van leges 2007 van de gemeente Buren luidt

- voor zover van belang - als volgt:

“Hoofdstuk 5 Bouwvergunningen

Onderdeel 5.1 Bouwkosten

Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Als de bouwkosten lager worden geraamd dan volgens de afdeling Vergunning & Handhaving aannemelijk wordt geacht, kan worden gevraagd om een gespecificeerde kostenopgave. Als die opgave niet wordt geleverd of niet aannemelijk wordt gemaakt hoe de bouwkosten zijn geraamd, worden de bouwkosten gecorrigeerd aan de hand van actuele kosten-kengetallen.

In de verordening wordt verwezen naar het normblad NEN 2631. Hierin staat, voor zover van belang:

“3.2 Bouwkosten

Bouwkosten zijn de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de realisering van een bouwproject tot en met de oplevering van het gebouw of de gebouwen, dan wel ten behoeve van verbouwingen.

Bouwkosten dienen te worden onderscheiden in kosten aan:

1. het gebouw of gebouwen, en

2. het terrein.

De bouwkosten, zowel van het gebouw of de gebouwen als van het terrein, dienen te worden verdeeld in kosten voor:

- bouwkundige werken;

- installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties);

- vaste inrichtingen.

Toelichtingen

1. Kosten van voorzieningen op het terrein betreffen werken die niet zijn verricht tijdens het bouwrijp maken van het terrein, bij voorbeeld:

- het aanleggen van buitenriolering en water-, gas- en elektrische leidingen;

- het aanbrengen van wegen, parkeerplaatsen, beplantingen en afscheidingen.

2. De installaties kunnen zich bevinden in het gebouw of op het terrein, in beide gevallen geheel of gedeeltelijk ten behoeve van het gebouw en/of terrein.

Ingeval de installaties zowel ten behoeve van het gebouw als van het het terrein functioneren, ongeacht de plaats waar de installaties zich bevinden, verdient het aanbeveling, indien mogelijk, de kosten hiervan te onderscheiden naar de kosten voor het gebouw en voor het terrein.

(…)

3.3 Inrichtingskosten

Inrichtingskosten zijn de kosten die worden gemaakt om het gebouw of de gebouwen, overeenkomstig zijn of hun bestemming, te kunnen gebruiken.

Inrichtingskosten dienen te worden onderscheiden in kosten naar:

1. het gebouw of de gebouwen, en

2. het terrein.

De inrichtingskosten, zowel van het gebouw of de gebouwen als van het terrein, dienen te worden verdeeld in kosten van:

- bedrijfsinstallaties;

- losse inrichtingen;

- bouwkundige werken en/of installatietechnische werken ten behoeve van bedrijfsinstallaties en losse inrichtingen.

Toelichting

Inrichting omvat de middelen zoals vast en los meubilair, bedrijfsinstallaties enz. binnen en buiten het gebouw, nodig voor het functioneren van het bedrijf, voorzover niet contractueel betrekking hebben op de in 3.2 genoemde vaste inrichtingen.”

De rechtbank stelt voorop dat moet worden uitgegaan van € 3.000.000 per windturbine. Verweerder heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kosten per windturbine hoger moeten worden geraamd dan de schatting die ten grondslag ligt aan de aanslag leges. Bij deze schatting is uitgegaan van de richtprijzen van de fabrikant. Bij het kennelijke ontbreken van actuele kosten-kengetallen voor windturbines van het type dat eiseres wil plaatsen is dat naar het oordeel van de rechtbank een goed uitgangspunt.

Ten aanzien van het betoog van verweerder dat thans de aanneemsom bekend had moeten zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens artikel 5.1 van de Verordening wordt onder bouwkosten verstaan de aanneemsom of een raming van de bouwkosten. Hieruit volgt dat er voor eiseres geen verplichting bestaat om ten behoeve van de legesheffing met een aanneemsom te komen.

De rechtbank is van oordeel dat het in het normblad NEN 2631 gemaakte onderscheid tussen bouwkosten en inrichtingskosten niet goed toepasbaar is op een zo specifiek bouwwerk als een windturbine. Enerzijds is duidelijk dat sprake is van een energie-opwekkingscentrale, die op een mast moet worden geplaatst, anderzijds kan de mast niet los worden gedacht zonder de energiecentrale.

Ten aanzien van de rotorbladen met toebehoren is de rechtbank van oordeel dat deze onderdelen, hoewel ze onderdeel zijn van de installatie gericht op het opwekken van energie, zodat gezegd kan worden dat deze onderdelen dienen om het bouwwerk overeenkomstig de bestemming te kunnen gebruiken, toch niet als inrichtingskosten kunnen worden aangemerkt. De kosten van deze onderdelen betreffen immers het bouwwerk waarvoor de bouwvergunning is aangevraagd zelf. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat deze onderdelen van belang zijn voor de ruimtelijke inpassing van de windturbine, die in het kader van de verlening van de bouwvergunning wordt getoetst.

Een redelijke uitleg brengt naar het oordeel van de rechtbank voorts met zich dat de inpandige onderdelen, zoals de generator en de tandwielkast, wel tot de bedrijfsinstallaties, en derhalve tot de inrichtingskosten, moeten worden gerekend.

Het vorenstaande betekent dat de bouwkosten moeten worden verminderd met de kosten van de generator en de tandwielkast. De bouwkosten moeten dan worden geraamd op € 1.974.350 per windturbine, zodat de totale bouwkosten, en derhalve de grondslag voor de heffing, € 7.897.400 bedragen. Voor zover verweerder een beroep heeft willen doen op interne compensatie door te stellen dat de kosten hoger hadden moeten zijn, wordt dit afgewezen, omdat - zoals hiervoor al overwogen – niet aannemelijk is gemaakt dat van te lage kosten per windturbine is uitgegaan.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert aanslag leges tot een bedrag uitgaande van bouwkosten van € 7.897.400;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 mei 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.