Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3303

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
05/600196-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een 31-jarige man, is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens witwassen van 4,7 miljoen euro. Tevens is dit geld verbeurdverklaard. Verweer dat er sprake zou zijn geweest van een onrechtmatige aanhouding, die tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05600196-09

Datum zitting : 04 december 2009, 08 april 2010, 29 april 2010, 21 januari

2011, 05 april 2011 en 07 april 2011.

Datum uitspraak : 21 april 2011.

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1979 te Amsterdam,

adres [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 09 september 2009, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten (een) (grote) geldbedrag(en), "in een tas: 4.602.200, - euro, 100.000 Deense Kronen en 9.000 Amerikaanse dollars en/of "in de woning [adres]: 101.640,- euro, 720 euro, 790 euro, 2.950 euro, 185 euro, 600 euro, 1.001 Amerikaanse dollars, 47.000 Deense kronen, 6.680

Marokkaanse dollars en/of "in een voertuig (kenteken [x]): 5.000 euro, althans enig(e) (grote) geldbedrag(en), ontvangen van één of meer (vooralsnog) onbekend(e) perso(o)n(en),

en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en),

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 04 december 2009, 08 april 2010, 29 april 2010, 21 januari 2011, 05 april 2011 en 07 april 2011 ter terechtzitting onderzocht. Met uitzondering van de zittingen op 29 april 2010 en 05 april 2011 is verdachte verschenen. Als raadsman van verdachte is aanwezig mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Gevoerde verweren

Onrechtmatig verkregen bewijs

Met betrekking tot de staande houding van verdachte op 9 september 2009 merkt de raadsman het volgende op.

Naar aanleiding van een in Frankrijk aangetroffen vrachtauto met drugs is vanuit Frankrijk het verzoek gekomen om doorzoekingen te verrichten in het pand [adres] in Amsterdam. Men ziet verdachte vervolgens voor zijn woning [adres] te Amsterdam. Vervolgens wordt verdachte staande gehouden. Enige grond om verdachte staande te houden, het ging namelijk alleen om een doorzoeking, was er niet. Dit houdt in dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding en al hetgeen daaruit als bewijs naar voren is gekomen moet worden uitgesloten tot het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar aanleiding van onder meer een in Frankrijk onderschept drugstransport van 1780 kilo hasj is op 9 september 2009 een tactische actie, primair gericht op het doorzoeken van de woningen van de broers [broer verdachte] en [verdachte], ingezet. Nadat de politie in de woning [adres] te Amsterdam, onder meer het adres waar verdachte stond ingeschreven, was binnengetreden bleek dat verdachte daar niet woonde maar een koopwoning aan de [adres] te Amsterdam had. Aangekomen bij de [adres] te Amsterdam zien verbalisanten een persoon zonder tas de woning binnengaan. Na enige tijd komt deze persoon weer naar buiten met een zwarte sporttas. Met toestemming van de dienstdoende officier van justitie is deze persoon, naar later bleek verdachte, aangehouden terzake overtreding van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en 3 jo 11a van de Opiumwet.

Gelet op de verdenking voortvloeiend uit de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de staande houding op rechtmatige grondslag plaatsgevonden. Het verweer van verdachte wordt dus verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 september 2009 te 09.50 uur wordt verdachte ter hoogte van perceel [adres] te Amsterdam aangehouden. Onder hem wordt een groot geldbedrag in beslaggenomen te weten: in een tas € 4.602.200,--. 100.000 Deense Kronen en $ 9.000,--, in de woning [adres]: geldbedragen te weten € 101.640,--, € 720,--, € 790,--, € 2.950,--, € 185,- € 600,--, $ 1.001,--, 47.000 Deense Kronen en 6.680 Marokkaanse dollars. In een voertuig wordt vervolgens nog een geldbedrag van € 5.000,-- aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie:

Op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen. De door verdachte genoemde verklaring van de herkomst van het geld acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

Het standpunt van verdachte:

Het standpunt van verdachte komt er kort gezegd op neer, dat, hoewel hij de schijn tegen heeft, er geen sprake is van crimineel geld. De aangetroffen geldbedragen zijn aan hem geleend door [naam zakenman], een Marokkaanse zakenman. De lening strekte tot schadeloosstelling van een aantal schuldeisers ter zake van een mislukt verdovende middelen transport. Verdachte vraagt daarom vrijspraak.

Indien de rechtbank een ander oordeel heeft, is verdachte subsidiair van mening dat de behandeling moet worden aangehouden om de volgende redenen.

- Het horen van de getuige [zakenman]. Het had namelijk op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen, conform het gestelde in een uitspraak van de Hoge Raad NJ 2010.456), nader onderzoek te doen verrichten.

- Het horen van de voormalige Minister van Justitie (X0. Deze getuige kan bevestigen dat [naam zakenman] meermalen met hem gesproken heeft over het probleem dat het geld in Nederland in beslag is genomen.

- Het horen van de CIE verbalisanten aangezien de weergave van de feiten uiteen loopt.

- Tot slot verzoekt de raadsman dat de rechtbank het Openbaar Ministerie opdracht geeft de in beslag genomen 500 euro biljetten nader te onderzoeken. Uit dat onderzoek zal namelijk blijken dat alle in beslag genomen biljetten zijn uitgegeven voor november 2008.

Beoordeling van de standpunten:

Op 09 september 2009 wordt verdachte op straat aangetroffen met in een tas een grote hoeveelheid geld in diverse valuta. Namelijk Euro’s, Deense Kronen, Dollars en Marokkaanse Dollars (Dirhams). Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte wordt, verspreid liggend in die woning geld in verschillende valuta aangetroffen. Ook in de auto van verdachte wordt een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte toegegeven dat hij zich in het verleden met drugshandel, het vervoeren van een grote hoeveelheid hasj, heeft beziggehouden. Deze bezigheid speelde zich af in 2005.

Over de periode 2001 tot en met 2008 heeft verdachte een bedrag van € 109.569,-- aan bruto inkomsten aan de belastingdienst opgegeven. De partner van verdachte, [partner verdachte] heeft in de periode 2001 tot en met 2008 een bruto inkomen opgegeven van € 57.962,--. In oktober 2006 heeft verdachte zijn woning aan de [adres] te Amsterdam gekocht voor een bedrag van € 317.500,--. De door verdachte afgesloten hypotheek betreft een bedrag van € 268.000,--. Bij de aanvraag tot het verkrijgen van voornoemde hypotheek heeft verdachte opgegeven een bruto jaarinkomen te genieten van in totaal € 55.728,--. De opgave door verdachte aan de fiscus is in 2005 € 29.917,-- en in 2006 € 17.868,-- aan jaarinkomen. Zijn partner heeft in 2005 een bruto inkomen genoten van € 14.610,-- en in 2006 van € 15.015,--. Bij de doorzoeking werden enkele facturen en afleverbonnen aangetroffen van de Mediamarkt gedateerd 19 juni 2007. De tenaamstelling is de heer [verdachte] [adres], [woonplaats]. Op genoemde datum zijn goederen geleverd tot een bedrag van € 3.148,--. Volgens de paspoortgegevens van [partner verdachte] is zij gedurende de periode juli 2006 / juli 2009, 7 keer naar Marokko geweest en 1 keer naar Gambia. Tot slot wordt in de woning van verdachte een taxatierapport van een Rolex horloge met een getaxeerde waarde van € 13.500,-- aangetroffen. Het taxatierapport dateert van 19 oktober 2006.

Tijdens de doorzoeking van de auto van verdachte wordt in een schoudertas een notitie aangetroffen waarop vermeld inkomsten over de maanden april, mei, juni en juli met een gemiddelde.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met name drugsgeld contant wordt bewaard en vervoerd, ook in grote hoeveelheden. De omstandigheid dat Euro’s, Dirhams, Deense kronen en US Dollars zijn aangetroffen wijst op drugsactiviteiten in het bijzonder de aanwezigheid van 9000 biljetten van 500 euro. Dat sprake is van het vermoeden van drugsgeld wordt ondersteund door de in de auto van verdachte gevonden notitie met inkomsten vermelding. Dat het hierbij zou gaan, zoals verdachte heeft verklaard, om de inkomsten van een coffeeshop is niet aannemelijk geworden. Tenslotte heeft verdachte, zoals hierboven vermeld, een uitgaven patroon dat niet gedekt wordt door de hem opgegeven legale inkomsten. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden op welke legale wijze verdachte zijn hypotheek, het bedrag van € 49.500 dat niet door de hypotheek wordt gedekt, alsmede zijn luxe uitgaven heeft bekostigd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat het onder verdachte aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat het vermoedelijk drugsgeld betreft.

Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Daarbij mag in het bijzonder worden verlangd dat verdachte van meet af aan daarvoor een verklaring geeft en dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst heeft genoemd.

Het verklaren door verdachte

Verdachte heeft zich van meet af aan beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter zitting van 8 april 2010 wordt namens verdachte verklaard dat hij het onder hem in beslag genomen geld geleend heeft van [naam zakenman]. Op 24 september 2010 wordt de getuige [naam zakenman] gehoord. Ter terechtzitting van 21 januari 2011 geeft verdachte geen nadere informatie. Pas op het moment dat het verdachte uitkomt ligt er een verzoek van de raadsman van verdachte aan de politie om verdachte te horen. Dat is kort voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte. Verdachte heeft dus niet van meet af aan een duidelijke verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven. In tegendeel, pas 1,5 jaar na zijn aanhouding en na kennisneming van andere informatie geeft verdachte zijn lezing over de herkomst van het geld.

Concreet en verifieerbaar

Verdachte stelt het geld te hebben geleend van [zakenman] omdat hij onder zware dreiging dringend geld nodig had. Die dreigementen waren het gevolg van het niet inlossen van schulden als gevolg van een aan verdachte verweten mislukt drugstransport in 2005 waarbij 3.600 kilo hasj verloren is gegaan.

Het geheel rond de beweerde geldlening zou, met uitzondering van [zakenman], zijn geregeld en uitgevoerd door mensen van wie geen dan wel onvoldoende gegevens worden verschaft. Van de betrokkene, die een hoofdrol met betrekking tot de totstandkoming van de lening zou hebben gespeeld de heer [zakenman], weet verdachte in Nederland noch in Marokko een adres.

De mensen die verdachte bedreigen en bij wie hij de beweerde schuld zou hebben, worden door verdachte aangeduid met “A” en “B”. De geldschieters die verdachte in eerste instantie uit de brand zouden hebben geholpen door de schuld van verdachte aan “A” in te lossen, worden aangeduid als “D” en “E”. Al deze personen blijven ongeïdentificeerd. In Marokko zou het geld in een kluis bij een vertrouwenspersoon zijn opgeslagen. Ook wie deze persoon zou zijn blijft onduidelijk aangezien verdachte daar geen nadere mededeling over wil doen. Tot slot stelt verdachte dat het geld uiteindelijk door een koerier, “een vrouw met een hoofddoek met haar zoon” naar Nederland is gebracht. Ook de identiteit van deze personen blijft in het ongewisse. Dit alles maakt dat de door verdachte gegeven verklaring niet of nauwelijks verifieerbaar is.

Dat er door [zakenman] mogelijk geld is verschaft, betekent nog niet dat dit geld bestemd was voor verdachte en evenmin dat het door [zakenman] verschafte geld hetzelfde geld is dat op 9 september 2009 in het bezit van verdachte was. Er is niets wat daarop wijst. In tegendeel, de wijze waarop het geld is aangetroffen, in een sporttas, verspreid in de woning van verdachte, in zijn auto en in diverse valuta’s, wijst er veeleer op dat dit geld juist niet van [zakenman] afkomstig is , immers het was [zakenman] er om te doen Marokkaanse Dollars (Dirhams) om te wisselen in Euro’s om daar in Europa over te kunnen beschikken.

De geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte

Gelet op wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet geloofwaardig. Daarbij neemt de rechtbank ook mee dat de lezingen die door verdachte worden geschetst niet consistent zijn. Zo wordt ter terechtzitting d.d. 08 april 2010 namens verdachte opgemerkt dat verdachte en [naam zakenman] op 27 juli 2007 een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan waarbij [zakenman] verdachte een bedrag van ongeveer € 5.000.000,-- ter beschikking heeft gesteld. Later, wanneer [zakenman] wordt gehoord, blijkt dat er geen sprake was van een geldlening maar dat [zakenman] in Europa wilde kunnen beschikken over Euro’s. Verdachte bevestigd die latere lezing van [zakenman] en stelt dat “die overeenkomst” als een formaliteit moet worden gezien. Niet alleen is verdachte niet consistent in zijn verklaring, ook [zakenman] is niet consistent. In eerste instantie laat [zakenman] via zijn advocaat weten dat sprake zou zijn van een overeenkomst van geldlening, kennelijk om daarmee te bewerkstelligen dat hij rechthebbende op het onder verdachte inbeslaggenomen geld is. Vervolgens, wanneer [zakenman] gehoord wordt door de rechter-commissaris, blijkt dat hij in verband met een mogelijke investering in Luxemburg wilde kunnen beschikken over Euro’s. De stelling die door de verdediging wordt neergelegd, dat het voor [zakenman] niet mogelijk is gelden zonder een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst, over te maken naar het buitenland acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook zonder direct te kunnen beschikken over Euro’s kan [zakenman] overeenkomsten aangaan waarbij het ook vanuit Marokko mogelijk is om op korte termijn gelden vanuit Marokko over te boeken naar buitenlandse bankrekeningen. Waarom persé deze kunstgrepen moesten worden toegepast met het zeer grote risico dat het geld tijdens het transport vanuit Marokko verloren zou gaan, blijkt uit niets.

Tenslotte is onbegrijpelijk dat verdachte, die stelt ernstig te worden bedreigd, pas in juli 2009 het geld ontving dat al vanaf 2008 voor hem klaar lag en hij kennelijk - na ontvangst van de gelden - ook geen aanstalten maakte zijn schuld (deels) te betalen.

De conclusie is dus dat niet aannemelijk is geworden dat het onder verdachte in beslag genomen geld niet van enig misdrijf afkomstig is.

3a. Subsidiair verzoek van de raadsman

De raadsman heeft subsidiair, zo de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht het onderzoek te heropenen voor het doen verrichten van nader getuigenverhoor en nader onderzoek.

De rechtbank verwerpt de door de raadsman gedane subsidiaire verzoeken. Voor wat betreft de opgegeven getuigen dient de rechtbank na te gaan of het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk is dat deze getuigen moeten worden gehoord.

Voor wat betreft de getuige [zakenman] ziet de rechtbank geen noodzaak tot het horen van deze getuige. Verdachte geeft bovendien geen enkele informatie over de woon- of verblijfplaats van deze getuige. Het verwijt van verdachte aan het Openbaar Ministerie dat zij nalatig is geweest op basis van de door verdachte verstrekte informatie, nader onderzoek te doen verrichten is dan ook onterecht.

Het horen van de heer [X] acht de rechtbank eveneens niet noodzakelijk, gelet op de motivering van het verzoek dat [X] beweerdelijk met [zakenman] zou hebben gesproken over het in Nederland in beslag genomen geld.

Het horen van de beide CIE-verbalisanten acht de rechtbank evenmin noodzakelijk nu het door [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal een duidelijke weergave bevat van wat op 3 december 2009 met verdachte is besproken.

Tot slot verzoekt de raadsman dat de rechtbank de officier van justitie opdracht geeft de bankbiljetten nader te onderzoeken aangezien uit dat onderzoek zou moeten blijken dat alle bankbiljetten zijn uitgegeven voor november 2008 wat een bevestiging zou zijn voor de stelling van verdachte.

Ook dit verzoek honoreert de rechtbank niet. Ook al zou het zo zijn dat uit het door de officier van justitie in te stellen onderzoek blijkt dat de bankbiljetten zijn uitgegeven voor november 2008, laat dat onverlet wat hier voor is overwogen met betrekking tot de criminele herkomst van het geld.

3b. De bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij, op 09 september 2009, te Amsterdam een voorwerp, te weten grote geldbedragen, "in een tas: 4.602.200, - euro, 100.000 Deense Kronen en 9.000 Amerikaanse dollars en "in de woning [adres]: 101.640,- euro, 720 euro, 790 euro, 2.950 euro, 185 euro, 600 euro, 1.001 Amerikaanse dollars, 47.000 Deense kronen, 6.680

Marokkaanse dollars en "in een voertuig (kenteken [x]): 5.000 euro, ontvangen van één of meer ) onbekend(e) perso(o)n(en),

En heefthij, verdachte verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemde geldbedragen en genoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte wist,

dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf.

Wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Witwassen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 maart 2011.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De strafmaat dient met name te worden bepaald door het enorme bedrag waar het om gaat. Witwassen vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Voor wat betreft de strafmaat is het moeilijk aansluiting te vinden bij andere zaken. Verdachte ontkent, ruimte voor een voorwaardelijk deel van de op te leggen straf is er niet, mede omdat verdachte eerder al tot een voorwaardelijke straf is veroordeeld.

De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot het in beslag genomen geld vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring.

Het standpunt van verdachte

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Er is geen strafmaat verweer gevoerd op de eis van de officier van justitie.

Beoordeling van de standpunten

Onder verdachte is een zeer groot geldbedrag aangetroffen. Zoals de officier van justitie opmerkte vormt witwassen een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Verdachte is eerder veroordeeld voor een mislukt transport van een zeer grote hoeveelheid hasj. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het onder verdachte in beslag genomen geld wederom drugsgeld. Ondanks een eerdere forse veroordeling gaat verdachte onverstoorbaar door met deze illegale drugshandel, kennelijk omdat het een lucratieve en winstgevende onderneming is.

Gelet op de grote hoeveelheid geld die onder verdachte in beslag is genomen evenals de omstandigheid dat verdachte zich kennelijk niets gelegen is aan een eerdere veroordeling, is de rechtbank van oordeel dat een straf, conform de eis van de officier van justitie, in deze passend en geboden is.

De onder verdachte in beslag genomen geldbedragen dienen te worden verbeurd verklaard nu deze geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten:

€ 4.602,200,--; € 101.640,--; € 720,--; € 790,--; € 2.950,--; € 185,--; € 600,--; € 5.000,--;

Deense Kronen 100.000; Deense Kronen 47.000,--;

Marokkaanse Dirhams 6.680,--;

$ 9.000,--; $ 1.001,--.

Aldus gewezen door:

mrs. H.P.M. Kester (voorzitter), A.M. van Gorp en J.A.P. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2011.