Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3235

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
05/800003-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer spreekt een 26-jarige militair vrij van het medeplegen van poging tot doodslag, maar veroordeelt de militair voor het samen met een ander plegen van openlijk geweld tegen een man in de Nieuwjaarsnacht van 2011 in het uitgaansleven van Groningen. De militair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De militair heeft diverse trappen tegen het hoofd van het slachtoffer gegeven terwijl hij zich niet kon verweren omdat hij tegen de grond werd gehouden door de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/800003-11

Datum zitting : 28 maart 2011, 18 april 2011

Datum uitspraak : 2 mei 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [...] 1985 te [plaats],

verblijvende : Militair Penitentiair Centrum, Wolweg 10, Stroe.

rang/rrn : Korporaal der 1e klasse, [rangnummer],

ingedeeld bij : [x].

Raadsman: mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Groningen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] tegen de grond heeft gedrukt en/of

gedrukt gehouden en/of (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met geschoeide

voet tegen/in/op het hoofd/gezicht heeft geschopt en/of getrapt en/of

gestampt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Groningen met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Grote Markt, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld

bestond uit het tegen de grond werken en/althans ten val brengen van die [slachtoffer]

en/of het (tegen de grond gedrukt) (vast)houden van die [slachtoffer] en/of het

in/tegen/op het gezicht/hoofd schoppen/trappen/stampen van die [slachtoffer];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 18 april 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem.

De officier van justitie, mr. J. Stikkelman, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het navolgende.

De officier van justitie heeft bepleit dat verdachte moet worden veroordeeld voor het hem primair tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een poging tot doodslag nu de aard van het uitgeoefende geweld, namelijk het met geschoeide voet trappen tegen de zijkant van het hoofd, van een zodanige intensiteit is geweest dat daarbij een behoorlijke kans op het intreden van de dood aanwezig was, vooral nu er in het gezicht is getrapt terwijl aangever, [slachtoffer], op de grond lag.

De militaire kamer overweegt dat niet gebleken is van kwaad opzet bij verdachte om aangever dood te trappen. Ten aanzien van het door de officier van justitie aanwezig geachte voorwaardelijk opzet overweegt de militaire kamer het volgende.

Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat verdachte op de desbetreffende nacht van 1 januari 2011 sneakers droeg. waarvan de zool dusdanig flexibel is dat de schoen door verdachte kan worden dubbel gevouwen. De camerabeelden gemaakt door cameratoezicht van de regiopolitie Groningen, noch de getuigenverklaringen waaronder de verklaring van aangever geven aanleiding te veronderstellen dat verdachte met zoveel kracht heeft getrapt dat er sprake was van een behoorlijke kans op het intreden van de dood. Daarbij komt dat aangever tengevolge van de trappen tegen zijn hoofd naar eigen zeggen slechts hoofdpijn en wat rode striemen/strepen in het gezicht heeft overgehouden, waarvoor hij geen noodzaak heeft gezien een (huis)arts te bezoeken.

Derhalve kan niet worden vastgesteld of door het trappen tegen het hoofd van aangever, de aanmerkelijke kans op diens dood bestond en dat verdachte door het trappen tegen het hoofd van aangever die aanmerkelijke kans had voorzien en heeft aanvaard. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat er bij het handelen van verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van aangever is geweest en zal verdachte daarom vrijspreken van het hem primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het navolgende.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het samen met medeverdachte, [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]), plegen van openlijk geweld tegen aangever nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

De militaire kamer acht aannemelijk dat er geen vooropgezet plan aanwezig was tussen verdachte en medeverdachte om gezamenlijk geweld te plegen tegen aangever.

De militaire kamer is echter wel van oordeel dat,wel sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte].

[medeverdachte], heeft verklaard nadat hij aangever tegen de grond had gewerkt en deze op zijn rug lag hij op aangever is gaan zitten om hem te kalmeren en dat hij daartoe geprobeerd heeft de armen van aangever vast te pakken. Op de camerabeelden is inderdaad te zien dat op tijdstip 4:36:14 uur [medeverdachte] bovenop aangever zit en deze naar de grond drukt door hem met twee armen op de schouders te drukken. Vervolgens is te zien dat verdachte aan komt rennen. Verdachte heeft verklaard dat hij "tussenbeide" wilde springen en uit de camerabeelden blijkt inderdaad dat verdacht om 4:36:15 uur een sprong maakt in de richting van [medeverdachte] en aangever. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet bewust kan herinneren dat hij de eerste twee schoppen heeft uitgebracht, maar uit de camerabeelden is af te leiden dat verdachte een beweging met zijn voet maakt waardoor het hoofd van aangever naar rechts en vervolgens naar links beweegt. Vervolgens is om 4:36:18 en 4:36:21 uur te zien dat verdachte nog tweemaal zijn rechterbeen richting het hoofd van aangever beweegt waardoor het hoofd van aangever van rechts naar links beweegt. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat hij voelde dat er 2 tot 3 keer tegen zijn hoofd werd getrapt. Zowel getuige [getuige1] als getuige [getuige2] hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte minimaal 3 keer tegen het hoofd van aangever trapte. Daarbij is naar het oordeel van de militaire kamer vast komen te staan dat verdacht daadwerkelijk 3 trappen tegen het hoofd van aangever heeft gegeven terwijl deze op de grond lag.

Tevens is op de camerabeelden te zien dat het gezicht van [medeverdachte] steeds op aangever is gericht terwijl hij bovenop hem zit. Om 4:36:16 uur is te zien dat aangever zijn rechterarm richting het been van [verdachte] uitstrekt en probeert vast te pakken terwijl [medeverdachte] de

linkerarm van aangever vasthoudt. Verdachte pakt vervolgens de rechterhand van aangever vast en duwt deze weg terwijl [medeverdachte] de rechterarm van aangever met zijn rechterhand vastpakt. Uit de camerabeelden komt naar het oordeel van de militaire kamer naar voren dat [medeverdachte], terwijl hij bovenop aangever zit, aangever steeds onder controle probeerde te houden en het hem onmogelijk maakte zich te verdedigen tegen de trappen die verdachte hem gaf. Dat wordt tevens ondersteund door de getuige verklaring van getuige [getuige1] en [getuige2].

De verdediging stelt dat uit de verklaringen van [medeverdachte] volgt dat deze nooit heeft gemerkt dat verdachte zich in het gevecht mengde en dat er reeds daarom geen sprake kan zijn van een bewuste samenwerking. Deze stelling wordt door de militaire kamer verworpen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] met zijn gezicht steeds dicht bij het hoofd van aangever was op het moment dat aangever werd getrapt en zijn hoofd daardoor steeds van links naar rechts bewoog. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte nadat hij de eerste trap had gegeven [medeverdachte] bij zijn schouder heeft aangeraakt en dat verdachte een arm van aangever heeft vastgepakt terwijl [medeverdachte] de andere probeerde te controleren. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat aangever verbaal heeft gereageerd op de trappen .ln deze omstandigheden acht de militaire kamer het uitgesloten dat [medeverdachte] niet heeft gemerkt dat verdachte zich in het gevecht tussen [medeverdachte] en aangever heeft gemengd.

De militaire kamer is gelet op bovenstaande van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte intensief hebben samengewerkt om openlijk geweld tegen aangever, [slachtoffer], te plegen, en dat daarbij daarom sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem subsidiair ten laste gelegde.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 01 januari 2011 te Groningen met een ander op

de openbare weg, de Grote Markt, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld

bestond uit het tegen de grond werken enen het (tegen de grond gedrukt) (vast)houden van die [slachtoffer] en het tegen het hoofd trappen van die [slachtoffer];

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 3 januari 2011 en

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 31 januari 2011, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

In de Nieuwjaarsnacht van 2011 heeft verdachte zich in het uitgaansleven in Groningen schuldig gemaakt aan openbare geweldpleging gericht tegen een persoon. Terwijl zijn vriend boven op aangever zat, is hij op hen beide toegerend en heeft hij aangever diverse trappen tegen zijn hoofd gegeven terwijl aangever vast tegen de grond werd gehouden door zijn vriend waardoor het slachtoffer werd belet zichzelf te kunnen ontrekken, dan wel zich te kunnen verdedigen tegen de situatie.

Hoewel de intentie van de medeverdachte initieel was gericht op het op afstand houden en het tot kalmte brengen van het latere slachtoffer omdat deze opdringerig was tegen de vriendin van verdachte, is de situatie, mogelijk onder invloed van alcohol, geëscaleerd toen verdachte op hen is komen toe rennen en is begonnen met trappen tegen het hoofd van aangever.

Dit is een ernstig feit.

Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen het gevoel van veiligheid van uitgaanspubliek in het algemeen aangetast, ook heeft hij door zijn handelen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast. Dat verdachte de medeverdachte in een vechtpartij verwikkeld zag, rechtvaardigt dat nog niet het tot driemaal toe tegen het hoofd trappen van het slachtoffer terwijl deze weerloos op de grond lag. In deze context kan dan ook gesproken worden van zinloos geweld, iets wat de militaire kamer verdachte ernstig aanrekent.

De militaire kamer neemt in de beoordeling mee dat het aandeel van de verdachte van ernstigere orde is dan het aandeel van de medeverdachte, nu verdachte daadwerkelijk tegen het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt met alle risico's van dien.

Gelet hierop is dan ook geen andere straf passende dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De militaire kamer neemt ten gunste van de verdachte in de beoordeling mee dat verdachte nog nooit voor soortgelijke delicten is veroordeeld en dat de recidivekans op soortgelijk delictgedrag door Reclassering Nederland als laag wordt ingeschat.

Alles afwegende is de militaire kamer van oordeel dat kan worden volstaan met een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak al met al een gevangenisstraf passend is voor de duur van 150 dagen waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is daarmee gelijk aan het voorarrest

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 141 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijfig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 28 (achtentwintig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op hetz bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. A.T.M. Vrijhoeven, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van M.H. van de Pol, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 mei 2011.