Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3224

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
05/801003-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer spreekt een militair in de rang van kolonel vrij van poging tot zware mishandeling, gepleegd tegen zijn partner, maar veroordeelt de militair voor het viermaal plegen van "eenvoudige mishandeling" tegen die partner. De militair wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij is de militair een behandelingsverplichting opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/801003-10

Datum zitting : 18 april 2011

Datum uitspraak : 2 mei 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [...] 1963 te Zeist,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang/rnr : Kolonel/ [rangnummer]

ingedeeld bij : Staf Commando Landstrijdkrachten te Utrecht.

Raadsman: mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op enig moment in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met

31 oktober 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan zijn levensgezel

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en/of tegen de grond heeft

geslagen en/of op [slachtoffer] is gaan zitten met zijn, verdachtes knieën, op de

(boven)armen van [slachtoffer] en/of [slachtoffer] meerdere malen althans eemaal met kracht

in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 15 oktober 2010 tot en met

31 oktober te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), op de grond heeft gegooid en/of tegen de grond

heeft geslagen en/of op [slachtoffer] is gaan zitten met zijn, verdachtes knieën, op

de (boven)armen van [slachtoffer] en/of [slachtoffer] meerdere malen althans eenmaal met

kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks in de nacht van 12 op 13 december 2010 te Rijen, gemeente

Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel althans een persoon

(te weten [slachtoffer]), meerdere malen [slachtoffer] met kracht met beide handen bij

het hoofd heeft vastgepakt en/of in het hoofd heeft geknepen en/of meerdere

malen althans eenmaal met kracht in het gezicht en/of (een) wang(en) heeft

geknepen en/of meerdere malen althans eenmaal met kracht aan de/een

mondhoek(en) heeft getrokken en/of met kracht aan de haren heeft getrokken

en/of met kracht in en/of bij een/de bovenarm(en) heeft vastgepakt en/of

geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 11 december 2010 althans in de periode van 11 december

2010 tot en met 12 december 2010 te Breda opzettelijk mishandelend zijn

levensgezel althans een persoon (te weten [slachtoffer]), met kracht in de

borsten heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 19 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend zijn

levensgezel een persoon (te weten [slachtoffer]), meerdere malen althans eenmaal

tegen een/de be(e)n(en) heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 april 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een behandelverbod bij FPK De Waag dan wel bij ene soortgelijke instelling, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslis¬sing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

De militaire kamer is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de aan verdachte tenlastegelegde gedragingen, zoals omschreven in zowel het primaire als het subsidiare deel, bewezen kunnen worden verklaard maar dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangeefster tegen de grond heeft geslagen en dat verdachte aangeefster meerdere malen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt.

De militaire kamer is voorts met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat, gelet op de gedragingen die de militaire kamer bewezen acht, niet bewezen kan worden dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het pogen toe te brengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, maar worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ontkent dat hij aangeefster aan haar hoofdharen en aan haar mondhoeken heeft getrokken. De raadsman heeft hierover aangevoerd dat niet uitgesloten kan worden dat de lichte verwonding aan de binnenkant van haar bovenlip is ontstaan door het knijpen in haar gezicht, en niet door het trekken aan de mondhoeken. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de medische verklaring waarin gesteld wordt dat de hematomen passen bij letsel dat wel wordt omschreven als “fingertip bruising”.

De militaire kamer overweegt dat de geneeskundige verklaring betreffende aangeefster, opgemaakt door een forensisch geneeskundige van de GGD Brabant- Zuidoost melding maakt van het feit dat in de mond, in de bovenlip en in de rechtermondhoek het slijmvlies beschadigd en rood geïrriteerd is. De hematomen waarvan hij spreekt van “fingertip bruising” zien niet op bovengenoemde beschadigingen en irritaties in de mond, maar zien op de hematomen aangetroffen op de armen en borsten van aangeefster. Daarnaast acht de militaire kamer de verklaring van aangeefster betrouwbaar nu er geen redenen zijn gerezen om te twijfelen aan de verklaring van haar. De militaire kamer acht dan ook niet aannemelijk dat, zoals de raadsman dat gesteld heeft, de beschadiging van het slijmvlies en de roodheid in de rechtermondhoek is ontstaan door het knijpen in het gezicht en acht bewezen dat verdachte aangeefster aan de mondhoeken heeft getrokken. Daarnaast acht de militaire kamer bewezen, gezien de verklaring van aangeefster, dat verdachte haar met kracht aan haar hoofdharen heeft getrokken. De militaire kamer acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft erkend aangeefster in de borsten te hebben geknepen maar heeft aangevoerd dat hij daarbij niet de intentie had om kracht te zetten en om haar pijn te doen. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte daarbij dan ook geen opzet had op het toebrengen van letsel en/of pijn. Wel acht de raadsman bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het plegen van het tenlastegelegde feit.

De militaire kamer is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het knijpen in de borst letstel en/of pijn kan veroorzaken. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte, gelet op de aard van de gedraging – het met kracht knijpen in de beide borsten- opzet heeft gehad op het veroorzaken van het toebrengen van letsel en/of pijn, en acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4

Verdachte heeft bekend het hem tenlastegelegde feit te hebben begaan. De raadsman heeft aangevoerd dat echter niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat aangeefster enig letsel aan het schoppen/trappen tegen de benen heeft overgehouden.

De militaire kamer overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft geschopt terwijl ze beide naast elkaar bovenaan een trap zaten. Aangeefster heeft hierover verklaard dat verdachte haar toen tegen haar rechteronderbeen schopte en dat ze daardoor behoorlijke blauwe plekken heeft overgehouden. Het is naar het oordeel van de militaire kamer dan ook voldoende aannemelijk dat aangeefster door het trappen van verdachte tegen haar benen pijn heeft ondervonden alsook letsel, in de vorm van blauwe plekken heeft opgelopen. De militaire kamer acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op enig tijdstip in de periode van 15 oktober 2010 tot en met

31 oktober 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer]), op de grond heeft gegooid en op [slachtoffer] is gaan zitten met zijn, verdachtes knieën, op de (boven)armen van [slachtoffer] en [slachtoffer] meerdere malen met

kracht in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij in in de nacht van 12 op 13 december 2010 te Rijen, gemeente

Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel (te weten [slachtoffer]), met kracht met beide handen bij het hoofd heeft vastgepakt en meerdere malen in de wangen heeft

geknepen en eenmaal met kracht aan demondhoek heeft getrokken en met kracht aan de haren heeft getrokken en met kracht bij de bovenarmen heeft vastgepakt en

geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 11 december 2010 te Breda opzettelijk mishandelend zijn

levensgezel (te weten [slachtoffer]), met kracht in de borsten heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 19 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend zijn levensgezel een persoon (te weten [slachtoffer]), meerdere malen tegen de be(e)n(en) heeft geschopt waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling

Ten aanzien van de feiten 2 ,3 en 4 telkens:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 13 december 2010; en

- een Pro Justitia rapportage opgemaakt door [psychiater] psychiater, gedateeerd 6 april 2011, betreffende verdachte; en

- een Pro Justitia rapportage opgemaakt door drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, gedateeerd 13 april 2011, betreffende verdachte; en

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 4 april 2011, betreffende verdachte.

De raadsman heeft verzocht bij de stafmaat bepaling rekening te houden met de persoonlijke gevolgen welke deze strafzaak voor verdachte heeft gehad en heeft de militaire kamer verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden zoals geïndiceerd door Reclassering Nederland.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan mishandelingen gepleegd tegen zijn levensgezel zowel gepleegd in openbare gelegenheden als in de huiselijke sfeer. Verdachte heeft daarbij de vrouw waarvan hij heeft aangegeven zielsveel te houden pijn en/of letsel toegebracht. Gezien de lichamelijke overmacht die verdachte op het slachtoffer heeft, heeft zij zich daarbij niet steeds kunnen verdedigen en heeft zij zich genoodzaakt gezien dit gedrag van verdachte tot op bepaalde hoogte te tolereren.

Dit zijn ernstige feiten.

Huiselijk geweld houdt meer in dan het toebrengen van pijn/en of letsel in lichamelijk zin aan de partner. Ook in emotionele zin wordt er door dergelijk gedrag enorme schade aangebracht bij het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn gedrag dan ook het risico genomen dat hij meer kapot zou maken dan hem lief is.

In het voordeel van verdachte spreekt dat hij onderkend heeft dat hij zijn agressie niet onder alle omstandigheden kan reguleren en dat hij reeds begonnen is met diverse begeleidings-trajecten en behandelingen. Verdachte heeft daarnaast spijt betuigd ten opzichte van het slachtoffer en is voornemens om de relatie met haar te herstellen. Het slachtoffer is daartoe bereid en is reeds met verdachte gezamenlijk in therapie.

De militaire kamer neemt voorts ter beoordeling van de stafmaat mee dat in de Pro Justitia rapportages opgemaakt door [psychiater] psychiater, gedateerd 6 april 2011 en door drs. [psycholoog], GZ- psycholoog, gedateeerd 13 april 2011, betreffende verdachte wordt geadviseerd verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van het tenlastegelegde nu dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van enig licht pathologische persoonlijkheidskenmerken behorende tot het spectrum van de narcistische en de borderline stoornis in combinatie met een partner- relatieprobleem.

De militaire kamer zal dit advies overnemen en tot het hare maken en tezamen met het advies van Reclassering Nederland aan verdachte een deels voorwaardelijke straf opleggen met daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden.

Ten aanzien van de persoonlijke gevolgen van deze strafzaak voor verdachte is de militaire kamer van oordeel dat het zich bewust is van het feit door deze strafzaak verdachte uit zijn functie als Commandant Opleidingen NLDA is ontheven en 4 maanden door zijn werkgever is geschorst. Ook is de militaire kamer zich bewust van het feit dat nadere rechtspositionele maatregelen tegen verdachte niet uitgesloten kunnen worden. Desalniettemin is de militaire kamer van oordeel dat dergelijke gevolgen ter beoordeling van de werkgever zijn en dat deze gevolgen in deze zaak, niets af kunnen doen aan de aan verdachte op te leggen straffen en/of maatregelen.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de militaire kamer aan verdachte daarom en werkstraf opleggen met een deels voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld een proeftijd en bijzondere voorwaarden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 300 en 304 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een werkstaf voor de duur van 80 ( tachtig) uren

Bepaalt dat van deze werkstraf 40 ( veertig) uren niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij, de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook als dat inhoudt een meldingsgebod waartoe veroordeelde zich voorshands dient te melden bij Reclassering Nederland, te [adres], telefoonnummer [x], voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht;

- Veroordeelde dient mee te werken aan een behandeling bij forensisch- psychiatrische polikliniek de Waag te Utrecht, of een andere, nader door Reclassering Nederland aan te wijzen instantie, voor zover en voor zolang dit binnen de proeftijd door de behandelaar(s) in samenspraak met de reclassering nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, te weten 10 (tien) uren zijnde 5 (vijf) dagen.

Heft op de met ingang van 16 december 2010 geschorste voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.T.M. Vrijhoeven, als voorzitter,

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr.F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van M.H.van de Pol, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 mei 2011.