Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3209

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
05/508264-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft op 29 april 2011 een 48-jarige man uit Elst schuldig bevonden aan poging tot doodslag, vernieling van een deur, een woninginbraak, het bezit van amfetamine en een winkeldiefstal. Met name de poging tot doodslag, waarbij de man een huisgenoot met een klauwhamer tweemaal op het hoofd heeft geslagen, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Voor deze feiten is in zijn algemeenheid een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats.

Gedragsdeskundigen zijn het er echter over eens dat de man gezien zijn persoonlijkheidsproblematiek en zijn afhankelijkheid van alcohol en drugs een intensieve klinische behandeling nodig heeft om de kans op recidive te verkleinen. De man ondergaat nu binnen het kader van zijn voorlopige hechtenis een behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen, die succesvol lijkt te zijn. Hierdoor is uitzicht ontstaan op een structurele verbetering van de man, waardoor het herhalingsgevaar sterk afneemt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf in dit geval zijn doel voorbij schiet. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een duur gelijk aan de voorlopige hechtenis, te weten 284 dagen, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen met een proeftijd van twee jaar en de voorwaarden dat de man zijn huidige behandeling zal afronden en zich verder zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promiss II

Parketnummers : 05/508264-09, 05/508311-09, 05/512401-09, 05/700892-10, 05/700809-10 en

05/701925-10

Data zittingen : 16 maart 2010, 25 juni 2010, 17 september 2010, 3 december 2010,

7 januari 2010 en 15 april 2011

Datum uitspraak : 29 april 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 10 juni 1962 te Almelo,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

thans verblijvende in de Forensische Psychiatrische Kliniek te Assen.

Raadsman : mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer 05/508264-09:

hij op of omstreeks 14 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een klauwhamer, in elk geval met een hard voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, met een klauwhamer op diens hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Onder parketnummer 05/508311-09:

hij op of omstreeks 15 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, opzettelijk en wederrechtelijk een deur in een woning gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam toebehoorder], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft ingetrapt/ingeschopt althans heeft geforceerd en aldus dat goed heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Onder parketnummer 05/512401-09:

hij op of omstreeks 2 oktober 2009 te Arnhem, tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een fles wijn en/of een strip lood en/of een metalen handvat en/of een (lege) fles melk en/of een of meer sleutel(s) van (een) fiet(s) (te weten twee fietssleutels), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam toebehoorder], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten door het doorbreken van het raam van het souterrain van voornoemde woning, althans door het groter maken van een reeds bestaand gat in het raam van het souterrain van voornoemde woning en/of (vervolgens) het door het ontstane gat naar binnen klimmen in voornoemde woning).

Onder parketnummer 05/700892-10:

hij op of omstreeks 6 januari 2010 te Wolfheze, gemeente Renkum, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,4 gram en/of 0,74 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Onder parketnummer 05/700809-10:

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een flesje parfum (merk Hugo Boss, winkelwaarde 52,05 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (een) winkelbedrijf (van) Bijenkorf (locatie Ketelstraat 45), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een flesje parfum (merk Hugo Boss, winkelwaarde 52,05 euro), geheel of ten dele toebehorende aan (een) winkelbedrijf (van) Bijenkorf (locatie Ketelstraat 45), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk dat flesje parfum heeft gepakt en/of de parfum uit het doosje heeft gehaald en/of het flesje parfum in zijn, verdachtes, jaszak heeft gestopt en/of (vervolgens) in de richting van de uitgang van de winkel is gelopen, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Onder parketnummer 05/701925-10 is aan verdachte voorts, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Verdachte op of omstreeks 10 maart 2010 te Arnhem op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op, in of nabij de Nieuwe Kade, openlijk harddrugs heeft gebruikt of ten behoeve van dat gebruik openlijk voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 15 april 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzittingen van 16 maart 2010 en 25 juni 2010 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

De officier van justitie, mr. J.E.R. Osinga, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 05/701925-10

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie het beleid voert niet te vervolgen voor het voorhanden hebben van een hoeveelheid harddrugs van een halve gram of minder voor eigen gebruik. Bij verdachte is een hoeveelheid op heroïne gelijkende stof aangetroffen. Niet duidelijk is geworden hoeveel van die stof is aangetroffen. Gelet hierop kan het best zijn dat het openbaar ministerie heeft vervolgd in strijd met haar eigen beleid, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid kan leiden, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting niet gereageerd op het hiervoor weergegeven betoog van de verdediging.

De rechtbank overweegt dat in deze zaak geen sprake is van een vervolging op grond van de Opiumwet, maar op grond van een overtreding van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Arnhem, zodat het beleid waar de verdediging kennelijk op doelt in dit geval geen toepassing vindt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in deze zaak.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Onder parketnummer 05/508264-09, primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, heeft verdachte [slachtoffer] (hierna ook te noemen: [slachtoffer]) met een klauwhamer op het hoofd geslagen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden in die zin dat verdachte [slachtoffer] meermalen met de klauwhamer heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte slechts één klap met een klauwhamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte één of meermalen heeft geslagen met de klauwhamer en neemt daartoe het navolgende in overweging.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] een beste klap heeft gegeven en dat de andere klappen niet helemaal lukten. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem twee keer met de hamer op zijn hoofd sloeg. Getuige [getuige] heeft verklaard dat ze naar boven ging toen ze gestommel hoorde. Ze zag dat [slachtoffer] al een bebloed hoofd had. Vervolgens zag ze dat verdachte [slachtoffer] één keer met een hamer op zijn hoofd sloeg. Gezien de verklaringen van verdachte en van [slachtoffer] gaat de rechtbank er van uit dat het bebloede hoofd dat door getuige [getuige] is waargenomen, het resultaat was van een eerste klap van verdachte. Vervolgens viel de door getuige [getuige] waargenomen klap. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake was in ieder geval twee klappen met de klauwhamer.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat geweld tegen het hoofd een fatale afloop tot gevolg kan hebben. Zulks geldt temeer indien dit geweld wordt uitgeoefend met een hard voorwerp als een klauwhamer. Door meermalen te slaan op het hoofd van [slachtoffer] heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge van die handelingen zou komen te overlijden. Het opzet van verdachte was derhalve in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gericht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde

heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een klauwhamer meermalen op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Onder parketnummer 05/508311-09:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte was op 15 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, in een woning geleg[adres] aanwezig, waar hij met kracht tegen een deur heeft geduwd. Daardoor is een metalen onderdeel van het slot van de deur verbogen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op genoemd adres een deur heeft vernield.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de door aangever opgegeven schade aan de deur al vóór genoemde datum bestond en dat verdachte op 15 juni 2009 slechts tegen die deur heeft geduwd, waardoor hooguit het slot is beschadigd.

Beoordeling door de rechtbank

De aangever heeft verklaard dat de deur zijn eigendom is, dat het slot uit de betreffende deur lag en dat er schade aan de deur en de deurpost was. Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 juni 2009 de desbetreffende deur uit het slot heeft geduwd. Hierdoor was een metalen onderdeel van die deur verbogen. De rechtbank is van oordeel dat een beschadiging van de deur mede inhoudt een beschadiging van het slot van die deur.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 15 juni 2009 te Elst, gemeente Overbetuwe, opzettelijk en wederrechtelijk een deur in een woning geleg[adres], geheel toebehorende aan [naam toebehoorder], heeft geforceerd en aldus dat goed heeft beschadigd

Onder parketnummer 05/512401-09:

Er is ten aanzien van dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant1] van de politie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2009043961, gesloten op 4 oktober 2009, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen, waaronder;

- het proces-verbaal van aangifte, met nummer 2009043961-1;

- het proces-verbaal van aanhouding, met nummer 2009043961-2;

- het proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2009043961-10;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer 2009043961-6.

- de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 april 2011.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 2 oktober 2009 te Arnhem, tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een fles wijn en een strip lood en een (lege) fles en sleutels van fietsen (te weten twee fietssleutels), geheel of ten dele toebehorende aan [naam toebehoorder], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, en inklimming (te weten door het groter maken van een reeds bestaand gat in het raam van het souterrain van voornoemde woning en (vervolgens) door het ontstane gat naar binnen klimmen in voornoemde woning).

Onder parketnummer 05/700892-10:

Er is ten aanzien van dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant2] van de politie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal met zaaknummer 2010010739, gesloten op 29 januari 2010, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen, waaronder;

- het proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2010002659-4;

- het aanvullend proces-verbaal, met nummer 2010010739-11;

- het proces-verbaal Opiumwet, met nummer 2010002659-5;

- de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 april 2011.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 6 januari 2010 te Wolfheze, gemeente Renkum, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,74 gram, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Onder parketnummer 05/700809-10:

Er is ten aanzien van dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant3] van de politie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2010015712, gesloten op 11 februari 2010, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen, waaronder;

- het proces-verbaal van aangifte, met nummer 2010015712-1;

- het aangifteformulier winkeldiefstal, gedateerd 11 februari 2010;

- de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 april 2011.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde

heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 11 februari 2010 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een flesje parfum (merk Hugo Boss, winkelwaarde 52,05 euro), geheel toebehorende aan (een) winkelbedrijf (van) Bijenkorf (locatie Ketelstraat 45)

Onder parketnummer 05/701925-10:

De feiten

De rechtbank neemt het onderstaande als vaststaand in aanmerking nu dit volgt uit de bewijsmiddelen en verder ook niet ter discussie heeft gestaan.

Verdachte bevond zich op 10 maart 2010 te Arnhem op de weg de Nieuwe Kade en gaf daarbij iets over aan een andere daar aanwezige persoon.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 2.4.4, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Arnhem.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte is onderworpen aan een onrechtmatige fouillering aan het lichaam en kleding. Verder is niet gebleken dat de bij verdachte aangetroffen stof heroïne is. Voorts heeft verdachte niet openlijk harddrugs gebruikt, dan wel voorwerpen of stoffen daartoe voorhanden gehad, aldus de verdediging.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de door verbalisanten uitgevoerde fouillering overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is aangetroffen bij de poort van de Boei te Arnhem terwijl hij iets overgaf aan een andere persoon. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat op die plaats veelvuldig verdovende middelen werden gebruikt dan wel drugsgerelateerde handelingen plaatsvonden; een feit dat ook bij de politie ambtshalve bekend was.

Gezien de waarnemingen van de verbalisanten op die bewuste locatie is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld betreffende overtreding van de APV van Arnhem dan wel enig in de Opiumwet strafbaar gesteld misdrijf. Derhalve hebben de verbalisanten verdachte rechtmatig aangehouden op grond van overtreding van de APV van Arnhem, waarna zij hem wilden overbrengen naar het bureau van politie te Arnhem ter voorgeleiding.

Bij aanhoudingen terzake van dergelijke feiten bestaat altijd potentieel gevaar voor de veiligheid van de verbalisanten, bijvoorbeeld door de mogelijke aanwezigheid van naalden, zodat zij ter afwending van dat gevaar, op grond van artikel 8 derde lid van de Politiewet, bevoegd waren een onderzoek aan de kleding van verdachte te verrichten.

De rechtbank volgt dan ook niet de verdediging in haar betoog dat de uitgevoerde veiligheidsfouillering onrechtmatig was, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van bewijsuitsluiting.

De verbalisanten hebben bij de fouillering een op heroïne gelijkende stof aangetroffen. De rechtbank is evenwel niet gebleken dat deze stof is onderzocht, ook niet met een zogenaamde MMC-test, om te bevestigen dat deze stof heroïne, dan wel een andere harddrug, betrof. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op de Nieuwe Kade harddrugs heeft gebruikt of ten behoeve van het gebruik hiervan voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad. De enkele verklaring van verdachte dat sprake was van heroïne is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit ten laste gelegde feit.

De beslissing dat verdachte hetgeen wel bewezen is verklaard, heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/508264-09:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 05/508311-09:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen.

Ten aanzien van parketnummer 05/512401-09:

Diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Ten aanzien van parketnummer 05/700892-10:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van parketnummer 05/700809-10:

Diefstal.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 05/508264-09 heeft de verdediging gesteld dat verdachte heeft geslagen uit noodweer. Hiertoe is aangevoerd dat [slachtoffer] reeds enige tijd verdachte treiterde. Toen verdachte op de bewuste dag uit de douche kwam, heeft [slachtoffer] verdachte met pepperspray bespoten. Terwijl verdachte pepperspray in zijn ogen had, is verdachte naar zijn kamer gegaan. Hij werd gevolgd door [slachtoffer]. Hierdoor was een noodweersituatie ontstaan. Omdat verdachte zich niet meer kon onttrekken aan deze noodweersituatie, heeft verdachte zich verdedigd door te slaan met de klauwhamer. Hij heeft slechts één klap gegeven. Deze klap was een proportioneel verdedigingsmiddel gezien het aangerande rechtsbelang.

Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat, voor zover sprake zou zijn van disproportionaliteit, verdachte een beroep toekomt op noodweerexces nu het voortdurende getreiter en het misplaatst superioriteitsgevoel van het slachtoffer hebben gemaakt dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke zelfverdediging heeft overschreden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van noodweer(exces). Van een noodweersituatie was geen sprake. Voorts is de handeling van verdachte niet proportioneel, nu hij had kunnen weglopen.

Beoordeling door de rechtbank

Tegenover de politie heeft verdachte op 15 juni 2009 verklaard dat [slachtoffer] hem gigantisch irriteerde en dat hij hem gewoon niet meer wilde spreken. Daarbij heeft verdachte verder verklaard dat [slachtoffer] bleef doorgaan met zijn verhalen en dat hij het, helemaal was. Verdachte heeft toen een klauwhamer gepakt die op zijn kamer lag Daarmee heeft verdachte vervolgens op het hoofd van [slachtoffer] geslagen en heeft hem gezegd: “houd je kop nu eens”. Verdachte heeft verklaard dat hij na de klap ineens pepperspray in zijn ogen kreeg.

De rechtbank volgt verdachte in deze verklaringen afgelegd tegenover de politie. Deze verklaringen zijn afgelegd op de dag na het incident en verdachte verklaart hierin uitvoerig en gedetailleerd over het incident en over zijn emoties op dat moment. Deze verklaring vindt gedeeltelijk bevestiging in het feit dat de politie verdachte kort daarop aantreft met een heldere vloeistof in zijn gezicht.

Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen verdachte alvorens verdachte een klauwhamer pakte en hij hiermee [slachtoffer] sloeg. Voor zover verdachte bedoelt dat hij zich diende te verdedigen tegen de (verbale) treiterijen van de zijde van [slachtoffer], volgt de rechtbank hem hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat verbale treiterijen, hoe vervelend ook, in casu geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed opleveren. Nu geen sprake is van een noodweersituatie, behoeft het betoog omtrent noodweerexces geen bespreking.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 maart 2011;

• rapporten van pro justitia psychiatrisch onderzoeken betreffende verdachte, opgesteld door [psychiater] psychiater, gedateerd 16 augustus 2010 en 4 maart 2011;

• een rapport van een pro justitia psychologisch onderzoek betreffende verdachte, opgesteld door [psycholoog], psycholoog, gedateerd 17 augustus 2010;

• reclasseringsadviezen van [deskundige], werkzaam bij Iriszorg, gedateerd 11 november 2009, 13 november 2009, 26 augustus 2010, 18 november 2010, 15 december 2010 en 23 maart 2011.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 460 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Tevens is gevorderd dat als bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd een verplichte behandeling in de FPK te Assen voor de duur van 2 jaren, alsmede reclasseringstoezicht voor de duur van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend is. Voorts is aangegeven dat geen reden bestaat om een proeftijd voor de duur van 3 jaren op te leggen. Verzocht is een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De beoordeling van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vernieling van een deur, een woninginbraak, het bezit van amfetamine en een winkeldiefstal. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt een poging doodslag door het slaan met een klauwhamer op het hoofd van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte met name dit laatste feit zwaar aan. Maar ook de overige feiten getuigen van weinig respect voor (het bezit van) anderen. Voor deze feiten is in zijn algemeenheid een langdurige gevangenisstraf geïndiceerd.

De deskundigen zijn het er over eens dat verdachte gezien zijn persoonlijkheidsproblematiek en zijn afhankelijkheid van middelen een intensieve klinische behandeling behoeft om de kans op recidive te verkleinen. De vele behandelingen, waaronder opnames, die verdachte in het verleden heeft ondergaan, mochten niet baten. Verdachte ondergaat thans binnen het kader van zijn voorlopige hechtenis een behandeling bij de FPK te Assen. Uit het reclasseringsrapport van 23 maart 2011 blijkt dat deze behandeling naar wederzijdse tevredenheid aanslaat. Hierdoor is uitzicht ontstaan op een structurele verbetering van de omstandigheden van verdachte. In het kader van deze behandeling zou het zeer onwenselijk zijn indien verdachte alsnog een detentie moet ondergaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf zijn doel voorbij schiet. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor een duur gelijk aan de voorlopige hechtenis.

De rechtbank hecht grote waarde aan voortzetting en afronding van de behandeling bij de FPK te Assen door verdachte. Daarom zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als stok achter de deur met daaraan te verbinden voorwaarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proeftijd langer dan 2 jaren op te leggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 45, 57, 91, 287, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 464 (vierhonderd vierenzestig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 180 (eenhonderd tachtig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet verdachte zich melden bij reclassering Iriszorg gevestigd aan de Weerdjesstraat 10 te Arnhem en bereikbaar op telefoonnummer [x]. Hierna zal hij zich gedurende de proeftijd van 2 jaren blijven melden zo frequent als dit deze periode door reclassering Iriszorg nodig wordt geacht.

- Verdachte dient zich te laten behandelen bij de FPK te Assen voor een duur welke maximaal gelijk is aan de duur van de proeftijd, dan wel zoveel korter als de kliniek of reclassering nodig acht. Binnen het kader van deze behandeling dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen en afspraken van deze kliniek.

Aldus gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. M.G.J. Post en mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2011.