Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3203

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
11/345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen omdat de afwijzing van het verzoek tot verwijzing naar de meervoudige kamer een inhoudelijke beslissing van de gewraakte rechter betreft, waarvan de juistheid niet ter beoordeling aan de wrakingskamer voorligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

zitting houdende te Arnhem

Wrakingskamer

Zaaknummer: 11/345

Beschikking van 18 april 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Zeist,

verzoeker tot wraking,

tegen

mr. P.C. Quak, in zijn hoedanigheid van rechter.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de politierechterzitting van 18 april 2011 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- het schriftelijke verweer van mr. Quak van 18 april 2011;

- de aantekeningen van de griffier.

Bij de mondelinge behandeling is verschenen de officier van justitie mr. J.G. Kolkman. Verzoeker is niet verschenen. Mr. Quak heeft laten weten niet te zullen verschijnen

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Quak als rechter in de zaak met parketnummer 16/440712-10 tegen verzoeker als verdachte.

2.2. Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat mr. Quak partijdig is omdat hij weigert de zaak, die complex is, te verwijzen naar de meervoudige kamer.

2.3. Mr. Quak heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

2.4. Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer het onderzoek ter zitting gesloten en mondeling uitspraak gedaan, waarbij het verzoek tot wraking is afgewezen. Hieraan is de volgende motivering ten grondslag gelegd.

3. De beoordeling

3.1. Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief moet worden afgeleid dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat mr. Quak partijdig is omdat hij weigert de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer. De afwijzing van het verzoek tot verwijzing naar de meervoudige kamer betreft echter een inhoudelijke beslissing van mr. Quak. De juistheid van die beslissing ligt niet ter beoordeling voor aan de wrakingskamer. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat mr. Quak bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat mr. Quak afwijzend op het verzoek van verzoeker heeft beslist kan de rechtbank geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid afleiden. Daarom moet het wrakingsverzoek worden afgewezen.

3.3. De officier van justitie heeft gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om op het wrakingsverzoek te reageren. Zij heeft de rechtbank verzocht om in de beschikking te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.P.M. Kester-Bik, L. van Gijn en J.J. Catsburg in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.D. Crezée en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2011. De motivering is op schrift gesteld op 27 april 2011.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.