Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3123

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
205736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kern van het geschil in conventie is de vraag of gedaagde, zoals BFS stelt, een valse aangifte heeft gedaan en van diefstal van de BMW geen sprake is. Indien dit niet het geval is en de aangifte juist blijjkt te zijn, is van een onrechtmatige daad van gedaagde jegens BFS geen sprake.

De rechtbank concludeert dat een valse aangifte is gedaan en dat sprake is van onrechtmatig handelen door gedaagde jegens BFS. Vordering in reconventie tot terugbetalling van de inruilwaarde van de Mercedes afgeweezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205736 / HA ZA 10-1847

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BMW FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. K. van der Meulen te Zevenaar,

tegen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.K. Rack te Ouderkerk aan de Amstel.

Partijen zullen hierna BFS en [eiser] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 maart 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. BFS heeft op 10 april 2007 met Lift XS B.V. (hierna: Lift XS) een financial leaseovereenkomst (hierna: de leaseovereenkomst) gesloten, waarbij aan Lift XS een bedrag van € 37.448,32 is geleend en waarbij ten behoeve van BFS tot zekerheid op de BMW [type] met kenteken [kenteken] (hierna: de BMW) een bezitloos pandrecht is gevestigd. [eiser] heeft de leaseovereenkomst namens Lift XS ondertekend.

2.2. Lift XS had via Turien & Co Assuradeuren (hierna: Turien) bij Zurich Schade een motorrijtuigenverzekering afgesloten ten behoeve van de BMW.

2.3. Op 8 juni 2008 heeft [eiser], destijds bestuurder van Lift XS, aangifte gedaan van diefstal van de BMW.

2.4. Lift XS heeft aanspraak gemaakt op uitkering van gelden uit hoofde van de motorrijtuigenverzekering.

2.5. Turien heeft op 11 juni 2008 onderzoeksbureau I-Tek B.V. (hierna: I-Tek) opdracht gegeven een onderzoek te doen naar de omstandigheden waaronder de diefstal zou hebben plaatsgevonden en om gegevens te verzamelen ten behoeve van de vaststelling van de schade. Op 10 juli 2008 heeft I-Tek een rapport uitgebracht. In dit rapport staat voor zover van belang vermeld:

2.1 Bezoek/interview verzekerde

Op 23 juni 2008 bezocht ik, [betrokkene] (onderzoeker van I-Tek, rechtbank), verzekerde ([eiser], rechtbank) (...) Kort samengevat werd door verzekerde het navolgende verklaard.

(...)

- Verzekerde had ten behoeve van zijn werkzaamheden bij BMW dealer [dealer] in Velp op 16 april 2007 een BMW aangeschaft voor een bedrag van € 52.970,- (...). Het betrof een occasion.

- Volgens verzekerde werd een Mercedes [type] ingeruild.

- (...)

- Volgens verzekerde had hij op zaterdag 7 juni 2008 normaal gewerkt en was met de BMW ook weggeweest.

- Op 7 juni 2008 was verzekerde omstreeks 22.00 uur naar de ‘[bar]’ gegaan, gevestigd op de [adres] te [woonplaats]. Verzekerde kwam wel vaker in deze bar.

- Verzekerde zou zijn BMW halverwege op de [adres] hebben geparkeerd en rondom hebben afgesloten.

- Verzekerde was in verband met te veel alcoholgebruik op 8 juni 2008 omstreeks 1.00 uur lopend naar huis gegaan.

- (…)

- Verzekerde constateerde op 8 juni 2008 omstreeks 9.00 uur dat de BMW niet meer op de [adres] stond geparkeerd. (...)

- Verzekerde had op 8 juni 2008, omstreeks 10.45 uur aangifte gedaan bij de politie te [woonplaats]. (...)

- Volgens verzekerde had hij de BMW nimmer uitgeleend aan anderen en had hij ook de BMW sleutels nimmer uitgeleend.

- Volgens verzekerde was het juist, dat er bij BMW dealer [dealer] in Velp nog openstaande nota’s stonden. Verzekerde was vaak in het buitenland en was derhalve niet in staat geweest om de nota’s tijdig te betalen. (...)

2.2 Kentekenbewijs en sleutels

Verzekerde kon het kentekenbewijs niet overhandigen. De delen 1A en 1B lagen in de als ontvreemd opgegeven BMW.

Door verzekerde werden de drie originele BMW sleutels ter beschikking gesteld, waarvan één portemonneesleutel. In de andere twee sleutels was een geïntegreerde afstandsbediening aanwezig ten behoeve van het inschakelen van het alarm en de centrale portiervergrendeling. (...)

6.1 Bezoek BMW dealer [dealer] te Velp

Op 23 juni 2008 werd door mij, [betrokkene], informatie ingewonnen bij BMW dealer [dealer] in Velp.

Met behulp van de zogenaamde keyreader werd vastgesteld, dat de door verzekerde overgelegde originele reservesleutel op 24 mei 2008 te 00.53 uur nog was gebruikt. (…)

Vervolgens bleek dat de door verzekerde overgelegde originele gebruikerssleutel op 2 juni 2008, omstreeks 09.50 uur voor het laatst was gebruikt. (…)

Volgens opgave van verzekerde en volgens hetgeen was vermeld in de politieaangifte zou de BMW in de nacht van 7 op 8 juni 2008 in [woonplaats] zijn ontvreemd, nadat hij het voertuig op 7 juni 2008 op de [adres] had geparkeerd.

(...)

Voorts volgt uit het onderzoek dat verzekerde een factuur van 17 november 2008 ad € 1.629,71 niet heeft overgelegd, terwijl deze volgens [dealer] te Velp nog openstond. Navraag bij BMW Nederland heeft opgeleverd dat er voor de BMW geen sleutel(s) was(waren) bijbesteld. Uit buurtonderzoek is gebleken dat bij niemand de diefstal van de BMW bekend was. Uit een gesprek met de eigenaar van ‘[bar]’ bleek dat deze zijn gehele klantenbestand van ongeveer 400 personen allemaal van naam of bijnaam kende en dat de naam van verzekerde hem niets zei.

In een tweede gesprek met verzekerde op 4 juli 2008 heeft [eiser] op de vraag op welke wijze hij de BMW op de [adres] heeft achtergelaten, geantwoord dat hij de BMW met behulp van de BMW sleutel rondom had afgesloten. Met de afstandsbediening werd de centrale portiervergrendeling en het alarm ingeschakeld. Op de vraag welke sleutel door hem werd gebruikt op 7 juni 2008 heeft [eiser] geantwoord dat hij zich dat niet meer kon herinneren. Vervolgens is [eiser] geconfronteerd met de gegevens van de keyreader, waarbij hem werd uitgelegd dat op basis van deze informatie de diefstal van de BMW in de nacht van 7 juni 2008 op 8 juni 2008 kennelijk niet kon zijn gepleegd. [eiser] heeft hier op geantwoord dat hij geen verstand van techniek heeft en alleen wist dat de BMW in de nacht van 7 op 8 juni 2008 is gestolen. Verder kon hij geen antwoord geven op de vragen. Ook met de verklaring van de eigenaar van ‘[bar]’ dat de naam van [eiser] hem niet bekend was, verklaarde [eiser] niets te kunnen.

De conclusie van het rapport luidt voor zover van belang:

Het is niet aannemelijk dat de diefstal van de BMW op de door verzekerde gepresenteerde wijze heeft plaatsgevonden.

Na onderzoek werd vastgesteld dat de originele bij de BMW behorende sleutel voor het laatst op 2 juni 2008 werd gebruikt. Op dat moment heeft de originele sleutel van deze BMW voor het laatst in het contactslot van de BMW gezeten, waarbij informatie uit het motormanagementsysteem werd overgezet in de chip van de BMW sleutel.

2.6. Turien heeft geweigerd de schade aan Lift XS uit te keren. Turien heeft aangifte gedaan tegen Lift XS van valse aangifte. Turien heeft de gegevens van Lift XS opgenomen in het incidentenregister en de afwijzing van de claim van Lift XS doen opnemen in de databank van het Centraal Informatie Systeem van in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (hierna: CIS).

2.7. Lift XS heeft onder zaak-/rolnummer 109639/HA ZA 09-314 bij de rechtbank Alkmaar tegen onder meer Turien een procedure aanhangig gemaakt, waarin zij heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Turien uit hoofde van de motorrijtuigenverzekering aan Lift XS een vergoeding wegens diefstal dient te betalen en voorts Turien te gebieden de aangifte ongedaan te maken en de gegevens uit de registers te (doen) verwijderen. In reconventie heeft Turien de door haar geleden schade ten gevolge van het niet nakomen door Lift XS van haar mededelingsplicht gevorderd. Bij vonnis van 7 juli 2010 zijn de vorderingen van Lift XS tot uitkering en schrapping uit de registers afgewezen en is de vordering van Turien, als niet weersproken, toegewezen. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.8. Lift XS is op 7 juli 2010 ontbonden wegens gebrek aan baten.

3. Het geschil

in conventie

3.1. BFS vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 31.746,53 vermeerderd met contractuele rente van 8% over € 26.621,22 vanaf 3 september 2010 en (na)kosten.

3.2. BFS stelt dat [eiser] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het doen van valse aangifte ten aanzien van de diefstal van de BMW. Daarmee heeft [eiser] meegewerkt aan het onttrekken van de BMW aan het pandrecht van BFS. Het zonder toestemming moedwillig vervreemden van de BMW, althans het ermee instemmen of niet voorkomen ervan, acht zij onrechtmatig. Voorts komt dit onrechtmatig handelen voor verantwoordelijkheid van [eiser], gelet op zijn bekendheid met de overeenkomst. Door onttrekking van de BMW aan het pandrecht van BFS lijdt zij schade omdat BFS zich niet meer kan verhalen op de BMW. De schade bestaat uit de restvordering van BFS, nu de BMW meer waard was dan deze restvordering.

3.3. [eiser] voert verweer. Volgens hem is de BMW gestolen op 8 juni 2008, hetgeen betekent dat er van een valse aangifte en van onrechtmatig handelen jegens BFS geen sprake is.

in reconventie

3.4. [eiser] vordert veroordeling van BFS tot betaling van € 31.005,76. [eiser] stelt dat hij recht heeft op terugbetaling van de inruilwaarde van de Mercedes ad € 23.000,- en het totaalbedrag aan de door Lift XS gedane aflossingen ad € 8.005,76.

3.5. BFS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Kern van het geschil is de vraag of [eiser], zoals BFS stelt, een valse aangifte heeft gedaan en van diefstal van de BMW geen sprake is. Indien dit niet het geval is en de aangifte juist blijkt te zijn, is van een onrechtmatige daad van [eiser] jegens BFS geen sprake. BFS baseert haar stelling op het onderzoeksrapport van I-Tek (zie 2.5) en het vonnis van de rechtbank Alkmaar (zie 2.7). Uitgangspunt is daarbij dat het op de weg van BFS ligt om te stellen en bij gemotiveerde betwisting zonodig te bewijzen dat Lift XS/[eiser] een valse aangifte heeft gedaan.

4.2. Uit het rapport van I-Tek volgt dat [eiser] tegenover de onderzoekers heeft verklaard dat hij ’s avonds op de [adres] de BMW heeft afgesloten door met de afstandsbediening de centrale portiervergrendeling en het alarm te hebben ingeschakeld, alsmede dat hij niet meer weet welke sleutel hij heeft gebruikt. Vervolgens volgt uit het rapport van I-Tek dat uit de gegevens van de keyreader, die overigens niet als bijlage bij het rapport van I-Tek zijn gevoegd, is af te leiden dat de originele reservesleutel met geïntegreerde afstandsbediening voor het laatst is gebruikt op 24 mei 2008 en dat de originele gebruikerssleutel voor het laatst op 2 juni 2008 is gebruikt.

4.3. De verklaring van [eiser] dat hij de BMW op de [adres] op 7 juni 2008 ’s avonds heeft afgesloten met de afstandsbediening en daarmee tevens het alarm heeft ingeschakeld, wordt niet bevestigd door de gegevens van de keyreader. Nu deze verklaring van [eiser] verder op geen enkele wijze wordt ondersteund, gaat de rechtbank uit van de gegevens van de keyreader.

4.4. De enkele betwisting door [eiser] van de gegevens van de keyreader doordat hij deze niet kan controleren acht de rechtbank tegen het door BFS overgelegde rapport onvoldoende. Weliswaar zijn deze onderliggende gegevens in dit geschil niet overgelegd, uit het rapport volgt echter dat deze gegevens in de vorm van prints aan [eiser] zijn getoond. Daarbij is hem uitgelegd dat één van deze BMW sleutels het laatst was gebruikt en in het contactslot van de BMW aanwezig was geweest. Tevens is [eiser] toen medegedeeld dat dit had plaatsgevonden op 2 juni 2008 en is aan hem uitgelegd dat op basis van deze informatie de diefstal van de BMW in de nacht van 7 op 8 juni 2008 kennelijk niet kon zijn gepleegd op de door [eiser] aangegeven plaats. [eiser] heeft daar toen geen antwoord op kunnen geven. Naar het oordeel van de rechtbank lag het echter wel op de weg van [eiser] - indien hij zich hier niet in kon vinden - om vervolgens nadere informatie over deze gegevens op te vragen. Vervolgens is [eiser] met deze gegevens geconfronteerd in de procedure bij de rechtbank in Alkmaar (zie 2.5). In die procedure was weliswaar [eiser] niet zelf partij, doch de door hem beheerde vennootschap Lift XS. In die procedure heeft Lift XS tegen de stelling van Turien dat Lift XS opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent de vermeende diefstal in het geheel geen verweer gevoerd. [eiser] en/of Lift XS had deze gegevens derhalve al veel eerder kunnen opvragen om nader te beoordelen en om daar eventueel een partijdeskundige naar te laten kijken. Dit heeft [eiser] niet gedaan. Op die grond acht de rechtbank deze eerst ter comparitie gedane blote betwisting onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de gegevens van de keyreader als onvoldoende weersproken vast staan en de rechtbank van de juistheid van die gegevens uitgaat.

4.5. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat hij de dag van de diefstal met de BMW bij zijn vader - die inmiddels is overleden - in [woonplaats] is geweest. Hij beroept zich daartoe op de brief van mevrouw [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A]), die bij conclusie van antwoord is overgelegd. [betrokkene A] heeft verklaard dat zij de BMW de dag dat hij gestolen werd nog heeft zien staan voor het huis van [betrokkene B] in [woonplaats]. Voorts heeft zij verklaard dat zij mensen van het onderzoeksteam van I-Tek langs heeft gehad tegen wie zij heeft gezegd dat zij de BMW die dag heeft gezien.

4.6. Uit de gegevens van de keyreader volgt niet dat de BMW op 7 juni 2008 nog is gebruikt. Daarnaast constateert de rechtbank dat [eiser] wisselend heeft verklaard. Zowel op 23 juni 2008, als op 4 juli 2008 heeft [eiser] tegenover de onderzoekers verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren waar hij op 7 juni 2008 was geweest, terwijl hij ter comparitie, meer dan twee jaar later, zich wel weet te herinneren dat hij die dag bij zijn vader was geweest in [woonplaats].

4.7. Wat betreft de verklaring van [betrokkene A] merkt de rechtbank op dat uit het rapport van I-Tek niet blijkt dat de onderzoekers bij [betrokkene A] zijn langs geweest en met haar hebben gesproken. Dit zou in een aanvullend rapport van I-Tek vermeld kunnen staan, van welk rapport in het vonnis van de rechtbank Alkmaar melding wordt gemaakt, doch hierover beschikt deze rechtbank niet. BFS heeft terecht opgemerkt dat de verklaring van [betrokkene A] niet gedateerd is. [eiser] heeft desgevraagd ter comparitie opgemerkt dat deze verklaring ten behoeve van de conclusie van antwoord is opgesteld, meer dan twee jaar na de vermeende diefstal. Gelet op het tijdsverloop tussen de verklaring van [betrokkene A] en de vermeende diefstal, hecht de rechtbank, mede gelet op de omstandigheid dat [betrokkene A] voor de vader van [eiser] zorgde en daarmee mogelijk niet geheel onafhankelijk tegenover [eiser] stond, geen waarde aan de verklaring van [betrokkene A]. Wat er ook verder zij van de verklaring van [betrokkene A] en de bewering van [eiser] over zijn bezoek aan zijn vader, deze ontkrachten niet de constatering dat de verklaring van [eiser] dat hij de BMW ’s avonds op 7 juni 2008 met de afstandsbediening heeft afgesloten niet klopt met de gegevens van de keyreader.

4.8. In theorie zou het nog mogelijk zijn dat [eiser] na 2 juni 2008 alleen nog de portemonneesleutel heeft gebruikt. De portemonneesleutel is, zo begrijpt de rechtbank, de sleutel waarmee de auto handmatig kan worden geopend en afgesloten en waarmee de auto tevens kan worden gestart. Het gebruik van de portemonneesleutel zou kunnen verklaren dat de keyreader geen melding heeft gemaakt van later gebruik. Niets wijst er echter op dat [eiser] tussen 2 en 7 juni 2008 ineens de portemonneesleutel is gaan gebruiken. Door [eiser] is ook niet aangevoerd dat hij in die periode uitsluitend gebruik heeft gemaakt van de portemonneesleutel. De rechtbank acht dit ook niet aannemelijk, te meer er vanuit mag worden gegaan dat de portemonneesleutel in formaat (substantieel) afwijkt van de sleutels met geïntegreerde afstandbediening, juist omdat daarin die afstandsbediening is geïntegreerd. [eiser] had om die reden dit verschil in formaat moeten zijn opgevallen en het had voor de hand gelegen dat hij daar dan melding van had gemaakt.

4.9. Wat betreft het afsluiten van de BMW op de avond van 7 juni 2008 op de [adres] gaat de mogelijkheid van het gebruik van de portemonneesleutel evenmin op, omdat [eiser] heeft verklaard dat hij de BMW met behulp van de afstandsbediening heeft afgesloten en daarmee het alarm heeft ingeschakeld. Indien [eiser] de BMW op 7 juni 2008 met de afstandsbediening zou hebben afgesloten en het alarm daarmee zou hebben geactiveerd, dan was dit immers door de keyreader geregistreerd. Uit de gegevens van de keyreader volgt dit echter niet.

4.10. Uit het rapport van I-Tek volgt ook nog dat er meer nota’s openstaan bij [dealer] in Velp dan [eiser] heeft gemeld aan onderzoekers. Het gaat daarbij om een nota van € 1.629,71 (zie 2.5). Voorts is uit buurtonderzoek gebleken dat niemand bekend was met de diefstal van de BMW. [eiser] heeft beide constateringen niet weersproken, zodat deze vast staan. Daarnaast heeft de eigenaar van [bar] verklaard dat de naam van [gedaagde] hem niets zei. Ter comparitie heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij beschikt over een verklaring van de eigenaar van [bar] dat hij [eiser] die avond heeft gezien. De eigenaar van [bar] kende [eiser] niet van naam, maar alleen van gezicht. Wat er ook zij van deze verklaring, die de rechtbank verder niet kan beoordelen omdat deze niet in deze procedure is ingebracht, ook deze verklaring ontkracht op zich niet de constatering dat de verklaring van [eiser] dat hij de BMW ’s avonds op 7 juni 2008 met de afstandsbediening heeft afgesloten niet klopt met de gegevens van de keyreader.

4.11. Met het voorgaande zijn de door BFS gestelde feiten en omstandigheden op zichzelf voldoende duidelijk geworden en is de betwisting door [eiser] onvoldoende om hem tot tegenbewijs toe te laten. Dat betekent dat deze feiten en omstandigheden wegens onvoldoende betwisting vast zijn komen te staan. Daarmee is de conclusie uit het rapport van I-Tek dat aannemelijk is dat de diefstal niet op de door [eiser] gepresenteerde wijze heeft plaatsgevonden, eveneens onvoldoende betwist. Dit geldt te meer nu Lift XS (lees [eiser]) heeft berust in het vonnis van de rechtbank in Alkmaar zonder hiervoor een goede reden te noemen. Daarmee is tevens vast komen te staan dat [eiser] een valse aangifte heeft gedaan.

4.12. BFS heeft voorts gesteld dat [eiser] door deze handelwijze heeft meegewerkt aan het moedwillig onttrekken van de BMW aan het pandrecht van BFS. Gelet op de door [eiser] gedane valse aangifte acht de rechtbank deze stelling aannemelijk geworden. Nu [eiser] hier geen verweer tegen heeft gevoerd, staat dit hiermee vast. Voorts is niet weersproken dat [eiser] als bestuurder de overeenkomst met BFS is aangegaan en de aangifte heeft gedaan. Dat betekent dat er sprake is van onrechtmatig handelen door [eiser]. Ten slotte is onbetwist dat BFS schade heeft geleden door dit onrechtmatig handelen.

4.13. Wat betreft de schade stelt BFS dat deze bestaat uit de restvordering van BFS op Lift XS. BFS heeft deze bij conclusie van antwoord in reconventie gespecificeerd. Deze bestaat uit de leasesom met kredietvergoeding minus de door Lift XS gedane betalingen en de renterestitutie. Dit komt neer op een bedrag van € 26.621,22 in hoofdsom. [eiser] heeft - in conventie - geen verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag, zodat dit als onweersproken toewijsbaar is.

4.14. Voorts vordert BFS contractuele rente ad 8% per jaar over de hoofdsom vanaf 1 juli 2010. Hiertegen is evenmin verweer gevoerd, zodat dit zal worden toegewezen.

4.15. BFS heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. [eiser] heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank acht termen aanwezig deze kosten te matigen tot twee punten overeenkomstig het gebruikelijke tarief. Dat betekent dat een bedrag van € 1.158,- zal worden toegewezen. BFS heeft ter zake voldoende gesteld en [eiser] heeft de verschuldigdheid van btw hierover evenmin bestreden, zodat aan buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen € 1.378,02 incl. btw.

4.16. Slotsom luidt dat aan BFS toewijsbaar is het restanthoofdsom ad € 26.621,22, de contractuele rente hierover tot 3 september 2010 ad € 373,43 en de buitengerechtelijke kosten ad € 1.378,02 is tezamen € 28.372,67.

4.17. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BFS worden begroot op:

- dagvaarding € 98,34

- griffierecht 700,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.956,34

4.18. De gevorderde nakosten zullen nu zij, deels voorwaardelijk, reeds op dit moment begroot kunnen worden, worden toegewezen, onvoorwaardelijk voor wat betreft het procureurssalaris en voorwaardelijk voor wat betreft de deurwaarderskosten van betekening.

in reconventie

4.19. In reconventie vordert [eiser] terugbetaling van de inruilwaarde van de Mercedes ad € 23.000,- en het totaalbedrag aan door Lift XS gedane aflossingen.

4.20. BFS heeft aangevoerd dat indertijd de inruilwaarde van de Mercedes in mindering heeft gestrekt op de koopsom van de BMW en deze daarom niets te maken heeft met de geldleningsovereenkomst tussen BFS en Lift XS, zodat [eiser] thans geen aanspraak kan maken op restitutie van de inruilwaarde van de Mercedes. Wat betreft de restitutie van de aflossingen heeft BFS aangevoerd dat deze in mindering zijn gebracht op de restvordering, zodat hiervoor evenmin een rechtsgrond aanwezig is.

4.21. Tegenover deze betwisting door BFS heeft [eiser] niets meer gesteld. Ter comparitie heeft [eiser] aangegeven zijn vordering in reconventie te willen intrekken. BFS heeft zich daar tegen verzet. Dat betekent dat de intrekking niet wordt toegestaan en inhoudelijk zal worden beslist.

4.22. Nu deze vorderingen van [eiser] onvoldoende zijn onderbouwd, worden deze afgewezen.

4.23. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BFS worden begroot op € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [eiser] om aan BFS te betalen een bedrag van € 28.372,67 (achtentwintigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en zevenenzestig cent), vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar over het bedrag van € 26.621,22 vanaf 3 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BFS tot op heden begroot op € 1.956,34,

5.3. veroordeelt [eiser] in de nakosten aan de zijde van BFS begroot op een bedrag van € 131,00, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, op een bedrag van € 199,00,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BFS tot op heden begroot op € 579,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.