Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1736

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
207663 / 207665 / 20766
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3480, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conservatoir derdenbeslag.

Aanvang termijn voor instellen verklaringsprocedure ex. art. 477 a Rv.

Bewijslastverdeling in een verklaringsprocedure op de voet van art. 477 a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis van 6 april 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 207663 / HA ZA 10-2198 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIENTALIS INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 207665 / HA ZA 10-2199 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIDDOK B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Arnhem.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 207665 / HA ZA 10-2200 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XLR8 B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Arnhem.

Partijen zullen hierna Promocean, Trientalis, Liddok en XLR8 genoemd worden.

De procedure in de zaken 10-2198 en 2199

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 26 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2011.

Daarna is vonnis bepaald.

De procedure in de zaak 10-2200

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2011

- de akte wijziging van eis.

Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

In de zaken 10-2198 en 2199

1.1. Promocean heeft in verband met door haar gepretendeerde vorderingen op [ ] [betrokkene] op 21 augustus 2009 van de voorzieningenrechter te Utrecht verlof gekregen om ten laste van [betrokkene] conservatoir derdenbeslag te leggen onder Trientalis en Liddok.

De beslagen zijn op 25 augustus 2009 gelegd en op 2 september 2009 zijn de processen-verbaal van beslaglegging overbetekend.

1.2. Op het formulier “verklaring derdenbeslag”, waarop namens Trientalis de verklaring als bedoeld in artikel 476b Rv is gedaan, staat onder meer dat tussen Trientalis en [betrokkene] de volgende rechtsverhouding bestaat: ‘Aandeelhouder” en op de vraag naar de aan de schuldenaar ([betrokkene]) verschuldigde bedragen is ingevuld: ‘± nihil’. De verklaring is op 12 oktober 2009 ingevuld en ondertekend door [ ] [betrokkene], ‘directeur/eigenaar’.

1.3. Op het formulier “verklaring derdenbeslag”, waarop namens Liddok de verklaring als bedoeld in artikel 476b Rv is gedaan, staat onder meer dat tussen Liddok en [betrokkene] de volgende rechtsverhouding bestaat: ‘indirect aandeelhouder’ en op de vraag naar de aan de schuldenaar ([betrokkene]) verschuldigde bedragen is ingevuld: “Liddok heeft eind aug ’09 een schuld van € 11.000,-- aan [ ] [betrokkene]’. De verklaring is op 12 oktober 2009 ingevuld en ondertekend door [ ] [betrokkene].

1.4. De aandeelhouder van Liddok is Trientalis en de aandeelhouder en bestuurder van Trientalis is [betrokkene].

1.5. De eis in de hoofdzaak waarvoor de voormelde beslagen zijn gelegd is door Promocean (en drie andere eisers, te weten Promocean GmbH, Promocean France en Promocean Spain) tijdig bij de rechtbank Arnhem aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 november 2009. Daarin zijn [betrokkene], Trientalis en Liddok als gedaagden betrokken. Voor zover hier van belang heeft Promocean gevorderd:

a. Trientalis te veroordelen aan haar te betalen € 219.707,75 met rente,

b. Liddok te veroordelen aan haar te betalen€ 152.495,63 met rente,

c. [betrokkene] te veroordelen aan haar te betalen in totaal € 1.419.364,-- met rente,

d. te verklaren voor recht dat [betrokkene] gehouden is aan Promocean te voldoen de bedragen waartoe Liddok en Trientalis zijn veroordeeld, indien en voor zover Liddok en Trientalis niet binnen veertien dagen na het incidentele vonnis voldoen aan die veroordelingen,

e. indien en voor zover Trientalis, Liddok en [betrokkene] niet binnen acht dagen na het incidentele vonnis voldoen aan datgene waartoe zij veroordeeld zijn, de veroordeling van ieder van hen om inzicht te verschaffen in al hun voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.6. In de voormelde procedure hebben Promocean en de overige eisers tevens een incidentele vordering ingesteld. Zij hebben gevorderd dat de rechtbank een voorlopige voorziening voor de duur van het geding zal treffen, inhoudende, voor zover het Promocean betreft en voor zover van belang:

a. de veroordeling van Trientalis aan haar te betalen (na vermindering van eis) € 173.264,-- met rente,

b. de veroordeling van Liddok aan haar te betalen € 132.546,-- met rente,

c. de veroordeling van [betrokkene] aan haar te betalen € 1.241.983,42 met rente,

d. indien en voor zover Trientalis, Liddok en [betrokkene] niet binnen acht dagen na het incidentele vonnis voldoen aan datgene waartoe zij veroordeeld zijn, de veroordeling van ieder van hen om inzicht te verschaffen in al hun voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.7. Bij vonnis in het incident van 7 juli 2010 heeft de rechtbank [betrokkene] uitvoerbaar bij voorraad voor de duur van het geding veroordeeld tot betaling aan Promocean van een bedrag van in totaal € 808.687,42, vermeerderd met rente (5.1, 5.3 en 5.8 t/m 5.10 van het dictum). Trientalis en Liddok zijn bij dat vonnis veroordeeld aan Promocean te betalen bedragen van respectievelijk € 173.264,-- (5.4 van het dictum) en € 157.622,47 (5.6 van het dictum), telkens met wettelijke met rente. Voor het geval Trientalis en Liddok gedurende meer dan acht dagen in gebreke blijven aan deze veroordelingen te voldoen, is [betrokkene] veroordeeld tot betaling van € 173.264,-- respectievelijk € 132.456,-- aan Promocean (5.5 en 5.7 van het dictum), vermeerderd met rente. De vordering van Promocean sub 1.6 onder d heeft de rechtbank afgewezen (rechtsoverwegingen 4.60 t.m 4.62).

Tot op heden is € 27.000,-- door Promocean ontvangen in verband met de veroordelingen in voornoemd vonnis.

1.8. Het vonnis is op 28 juli 2010 aan onder andere [betrokkene], Trientalis en Liddok betekend, waarbij hen bevel tot betaling is gedaan en hen is aangezegd dat de conservatoire beslagen in executoriale beslagen zijn overgegaan.

1.9. Bij brieven van 6 september 2010 heeft (de advocaat van) Promocean Trientalis en Liddok gesommeerd hun onder 1.2 en 1.3 bedoelde verklaringen aan te vullen of te verbeteren. Daarop heeft Promocean niets van Trientalis en Liddok vernomen.

In de zaak 10-2200

1.10. Promocean heeft in verband met door haar gepretendeerde vorderingen op Trientalis op 21 augustus 2009 verlof verkregen van de voorzieningerechter te Utrecht tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Trientalis onder XLR8. Het beslag is op 25 augustus 2009 gelegd en op 2 september 2009 overbetekend.

1.11. Op het formulier “verklaring derdenbeslag” waarop namens XLR8 de verklaring als bedoeld in artikel 476b Rv is gedaan staat onder meer dat tussen Trientalis en XLR8 de volgende rechtsverhouding bestaat: “Rekening courant schuld aan aandeelhouder” en op de vraag naar de aan de schuldenaar (Trientalis) verschuldigde bedragen is ingevuld: “€ 685.709,--“. De verklaring is op 7 oktober 2009 ingevuld en ondertekend door [X] in zijn functie als “MD”.

1.12. Promocean heeft in verband met door haar gepretendeerde vorderingen op Liddok en [betrokkene] op 29 april 2010 verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [betrokkene] en Liddok onder XLR8. De beslagen zijn op diezelfde dag gelegd en zijn op 7 mei 2010 overbetekend.

1.13 Wat betreft deze laatstbedoelde beslagen ten laste van [betrokkene] en Liddok heeft XLR8 aanvankelijk geen verklaring afgelegd. Op 12 januari 2011 heeft XLR8, in haar conclusie van antwoord, alsnog het volgende verklaard:

“Bij deze verklaart XLR8 B.V. dat zij op 29 april 2010 geen rechtstreekse rechtsverhouding met de heer [ ] [betrokkene] noch Liddok B.V. had uit hoofde waarvan zij enig bedrag aan [ ] [betrokkene] dan wel Liddok B.V. verschuldigd was”.

1.14. De eis in de hoofdzaak waarvoor de hiervoor bedoelde beslagen zijn gelegd is door Promocean (en drie andere eisers, te weten Promocean GmbH, Promocean France en Promocean Spain), tijdig bij de rechtbank Arnhem aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 november 2009. Daarin zijn [betrokkene], Trientalis en Liddok als gedaagden betrokken. In deze procedure hebben Promocean en de overige eisers tevens een incidentele vordering ingesteld. Promocean en de overige eisers hebben in de hoofdzaak en in het incident gevorderd hetgeen hiervoor onder 1.5 en 1.6 is weergegeven

1.15. Bij vonnis in het incident van 7 juli 2010 heeft de rechtbank [betrokkene], Trientalis en Liddok veroordeeld zoals hiervoor onder 1.7 is weergegeven.

1.16. Het vonnis is op 28 juli 2010 aan [betrokkene], Trientalis en Liddok betekend (zie 1.8) en bij afzonderlijk exploot van diezelfde datum ook aan XLR8, waarbij hen is aangezegd dat de conservatoire beslagen in executoriale beslagen zijn overgegaan, onder de aanzegging tevens dat XLR8 gehouden is hetgeen zij aan de beslagenen verschuldigd is aan de deurwaarder dient te voldoen. Er is niets voldaan door XLR8.

1.17. Trientalis is directeur en enig aandeelhouder van XLR8. De bestuurder en aandeelhouder van Trientalis is [betrokkene].

1.18. Bij brief van 6 september 2010 heeft (de advocaat van) Promocean XLR8 gesommeerd alsnog de bedoelde verklaring af te leggen. Daarop heeft Promocean niets van XLR8 vernomen.

Het geschil

In de zaak 10-2198

2. Promocean heeft gevorderd Trientalis te veroordelen:

I. een schriftelijke en voldoende gemotiveerde en van bewijsstukken voorziene ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen zij van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden,

II. indien en voor zover Trientalis niet binnen 8 dagen na dit vonnis vrijwillig voldoet aan de veroordeling onder I, inzicht aan Promocean te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, door middel van het doen van een door een in Nederland gevestigde register-accountant - niet zijnde de registeraccountant van Trientalis - op te stellen opgave van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door haar aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle (al dan niet deels) op naam van haar geregistreerde registergoederen etc. nu en in de toekomst,

III. aan haar te betalen een dwangsom van € 20.000,-- per dag voor iedere dag waarop zij niet aan de hierboven sub II. genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 750.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag dat zij verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening,

IV. tot betaling van de kosten van dit geding, met rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.

In de zaak 10-2199

3. Promocean heeft gevorderd Liddok te veroordelen:

I. aan haar op grond van artikel 477a lid 4 Rv te betalen een bedrag van € 11.000,--, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009,

II. een schriftelijke en voldoende gemotiveerde en van bewijsstukken voorziene ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen zij van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden,

III. indien en voor zover Liddok niet binnen 8 dagen na dit vonnis vrijwillig voldoet aan de veroordeling onder II, inzicht aan Promocean te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, door middel van het doen van een door een in Nederland gevestigde register-accountant - niet zijnde de registeraccountant van XLR8 -

op te stellen opgave van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door haar aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle (al dan niet deels) op naam van haar geregistreerde registergoederen etc. nu en in de toekomst,

IV. aan haar te betalen een dwangsom van € 20.000,-- per dag voor iedere dag waarop zij niet taan de hierboven sub II. genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 750.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente over deze dwangsommen vanaf de dag dat zij verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening,

V. aan haar te betalen de kosten van dit geding, met rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.

In de zaak 10-2200

4. Promocean heeft gevorderd, na wijziging van haar eis:

(ten aanzien van Trientalis):

I. XLR8 te veroordelen aan haar te voldoen € 203.017,94, te vermeerderden met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2010,

II. XLR8 te veroordelen een schriftelijke en voldoende gemotiveerde en van bewijsstukken voorziene ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen zij van Trientalis onder zich heeft en/of aan Trientalis verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Trientalis zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Trientalis verschuldigd zal worden;

III. vast te stellen en voor recht te verklaren wat XLR8 van Trientalis onder zich heeft en/of aan Trientalis verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Trientalis zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Trientalis verschuldigd zal worden;

(ten aanzien van [betrokkene] en Liddok):

IV. XLR8 te veroordelen aan haar te voldoen een bedrag van primair € 10.000,--, subsidiair € 5.000,-- dan wel een redelijke door de rechtbank te bepalen vergoeding, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2011,

(ten aanzien van Trientalis, [betrokkene] en Liddok voorts):

V. XRL8 te veroordelen, indien en voor zover zij niet binnen 8 dagen na dit vonnis vrijwillig voldoet aan hetgeen waartoe zij veroordeeld is, inzicht te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, door middel van het doen van een door een in Nederland gevestigde register-accountant - niet zijnde de registeraccountant van XLR8 - op te stellen opgave van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door haar aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle (al dan niet deels) op naam van haar geregistreerde registergoederen etc. nu en in de toekomst;

VI. XRL8 te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 20.000,-- per dag voor iedere dag waarop zij niet aan het hierboven sub V genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 750.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente over deze dwangsommen vanaf de dag dat zij verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. XRL8 zal veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, met rente daarover vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.

In de zaken 10-2198, 2199 en 2200 voorts

5. Trientalis, Liddok en XLR8 hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken.

6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

In de zaken 10-2198, 2199 en 2200

7. Als meest verstrekkende verweer hebben Trientalis, Liddok en XLR8 (voor zover het om het ten laste van Trientalis gelegde conservatoire derdenbeslag gaat) gevoerd dat Promocean niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring, omdat de dagvaardingen van 25 oktober 2010 niet binnen de in het tweede lid van artikel 477a Rv genoemde termijn van twee maanden na de verklaringen van de gedaagden zijn uitgebracht.

8. De bevoegdheid een derde-beslagene te dagvaarden tot het doen van een gerechtelijke verklaring berust in geval van een conservatoir derdenbeslag op artikel 477a jo. artikel 723 Rv. In laatstgenoemd artikel staat onder meer dat de in artikel 477a Rv bedoelde bevoegdheden van de executant niet ingaan voordat vier weken sedert de in artikel 722 Rv. bedoelde betekening zijn verstreken. In artikel 722 Rv. staat dat de betekening aan de derde zoals die in het eerste lid van artikel 704 Rv is voorgeschreven, moet geschieden binnen één maand nadat ter zake van de hoofdvordering een executoriale titel is verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. Dit stelsel van artikelen houdt in dat een betwisting van een verklaring betreffende een conservatoir derdenbeslag niet al direct na het afleggen van die verklaring kan worden aangevangen, maar dat moet worden gewacht totdat het beslag executoriaal is geworden. Anders gezegd: het ingangstijdstip is bepaald op vier weken na de in artikel 722 Rv. bedoelde betekening. Hieruit volgt dat het andersluidende standpunt van mr. Van Dijk namens gedaagden niet opgaat.

9. De executoriale titel in de onderhavige zaken is het onder 1.7 en 1.15 bedoelde vonnis van deze rechtbank van 7 juli 2010, dat op 28 juli 2010 ex artikel 722 Rv. is betekend aan de derden Trientalis, Liddok en XLR8. Dat betekent dat de bevoegdheid van Promocean om deze derden te dagvaarden en hun verklaringen te betwisten ingevolge artikel 477a jo. 723 Rv aanving op 26 augustus 2010, omdat op die datum de in artikel 723 Rv. bedoelde termijn van vier weken was verstreken. De dagvaarding waarbij Promocean deze procedures tegen Trientalis, Liddok en XLR8 is gestart, is op 25 oktober 2010 aan hen betekend. Dat is nog juist binnen de door artikel 477a lid 2 vereiste termijn van twee maanden en dus tijdig. Promocean kan in haar vorderingen worden ontvangen.

In de zaak 10-2198 voorts

10. Aan haar vorderingen onder 2.I heeft Promocean ten grondslag gelegd dat de hiervoor onder 1.2 weergegeven verklaring van Trientalis van 12 oktober 2009 niet voldoet aan artikel 476b lid 2 Rv. De verklaring is niet met redenen omkleed en is niet vergezeld van justificatoire bescheiden, zoals bijvoorbeeld jaarstukken. Gelet op de verhouding tussen Trientalis en [betrokkene] (directeur/enig aandeelhouder) is het volgens Promocean onwaarschijnlijk dat Trientalis niets aan [betrokkene] is verschuldigd. Met deze vordering beoogt Promocean, zo heeft zij ter zitting toegelicht, dat in rechte wordt vastgesteld wat Trientalis van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden, zoals Promocean ook in de procedure 10-2200 onder 4.III heeft gevorderd.

Trientalis heeft aangevoerd dat de verklaring zoals die op 12 oktober 2009 is gedaan wel volstaat en dat Promocean, op wie volgens haar een verzwaarde stelplicht rust, dient te bewijzen dat de verklaring onjuist is.

11. Als uitgangspunt heeft te gelden dat op de beslaglegger, in dit geval Promocean, de bewijslast rust van de stelling dat de schuldenaar, in dit geval [betrokkene], een vordering heeft op de derde-beslagene, in dit geval Trientalis (vgl. HR 13 februari 2009, NJ 2009,106).

Dat impliceert dat ook de bewijslast van de stelling dat de door de derde-beslagene afgelegde verklaring (ex artikel 477a Rv.) onjuist is, op de beslaglegger rust. Op Promocean rust dus de bewijslast van haar stelling dat de verklaring van Trientalis, dat zij niets aan [betrokkene] verschuldigd is, onjuist is. Anders dan Trientalis meent, gaat daaraan vooraf de op de derde-beslagene (Trientalis) rustende verplichting haar verklaring met zoveel mogelijk feitelijke gegevens te staven, zoals bedoeld in artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv (vgl. eveneens HR 13 februari 2009, NJ 2009, 106). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Trientalis daaraan niet voldaan. Trientalis heeft bij haar eerder bedoelde verklaring geen enkel stuk bijgevoegd. Van Trientalis wordt dan ook verlangd dat zij haar verklaring, dat zij niets aan [betrokkene] verschuldigd is, staaft met afschriften van daartoe dienende bescheiden waaruit dit volgt. Gelet op de rechtsverhouding tussen Trientalis en [betrokkene] kan daarbij worden gedacht aan - maar daartoe niet beperkt - de jaarstukken van Trientalis en overzichten van de rekening-courantverhouding tussen haar en [betrokkene] over enkele jaren voor het afleggen van de verklaring en over de jaren 2009 en 2010. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van Trientalis, waarna Promocean de gelegenheid zal krijgen daarop te reageren.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding ook de beslissing op de vordering onder 2.II en de daarmee samenhangende vordering onder 2.III, die gelet op de formulering van de vordering onder 2.II afhankelijk zijn van de uitkomst van hetgeen onder 2.I is gevorderd, aan te houden.

In de zaak 10-2199 voorts

13. Liddok heeft de vordering van Promocean onder 3.I, die is gegrond op artikel 477a lid 4 Rv., niet betwist. Deze vordering is daarom te zijner tijd tot (in ieder geval) dat bedrag toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken datum van ingang.

14. Aan haar vorderingen onder 3.II heeft Promocean ten grondslag gelegd dat de hiervoor onder 1.3 weergegeven verklaring van Liddok van 12 oktober 2009 niet voldoet aan artikel 476b lid 2 Rv. De verklaring is niet met redenen omkleed en is niet vergezeld van justificatoire bescheiden, zoals bijvoorbeeld jaarstukken. Gelet op de verhouding tussen Liddok en [betrokkene] (indirect bestuurder/aandeelhouder) is het volgens Promocean onwaarschijnlijk dat de vordering van [betrokkene] op Liddok is beperkt tot € 11.000,--.

Ook met deze vordering beoogt Promocean, zo heeft zij ter zitting toegelicht, dat in rechte wordt vastgesteld wat Liddok van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden, zoals Promocean ook in de procedure 10-2200 onder 4.III heeft gevorderd.

15. Liddok heeft opgeworpen dat zij ook gedaagde is in de onder 1.5/1.6 bedoelde procedure en dat zij bij vonnis van 7 juli 2010 is veroordeeld tot betaling aan Promocean van € 157.622,47. Aan die verplichting kan zij al niet voldoen, dus kan zij dat ook niet als derde-beslagene. Door haar desondanks in deze procedure te betrekken heeft Promocean misbruik gemaakt van haar procesbevoegdheid en daarmee worden onnodige proceskosten gemaakt.

Daarin kan de rechtbank Liddok niet volgen. De procedure die heeft geleid tot het vonnis van 7 juli 2010 betrof de relatie tussen Promocean en Liddok als schuldeiser/schuldenaar. In de onderhavige procedure gaat het erom wat de rechtsverhouding is tussen Liddok en [betrokkene] en wat Liddok uit dien hoofde aan [betrokkene] verschuldigd is, zulks in verband met het door Promocean ten laste van [betrokkene] gelegde derdenbeslag onder Liddok. Waarom het misbruik van recht van Promocean is Liddok vervolgens in deze procedure te betrekken valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien. Het enkele feit dat Liddok mogelijk financieel onmachtig is tot betaling van enig bedrag is daarvoor onvoldoende.

16. Liddok heeft vervolgens opgeworpen dat de verklaring zoals die op 12 oktober 2009 is gedaan wel volstaat en dat Promocean, op wie een verzwaarde stelplicht rust, dient te bewijzen dat de verklaring onjuist is.

17. Ook hier geldt het eerder, onder 11 weergegeven, uitgangspunt. Dat betekent dat op Liddok de verplichting rust verplichting haar verklaring met zoveel mogelijk feitelijke gegevens te staven, zoals bedoeld in artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv (vgl. eveneens HR 13 februari 2009, NJ 2009, 106). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Liddok daaraan niet voldaan. Liddok heeft bij haar eerder bedoelde verklaring geen enkel stuk bijgevoegd. Van Liddok wordt dan ook verlangd dat zij haar verklaring, dat zij niet meer aan [betrokkene] verschuldigd is dan € 11.000,--, staaft met afschriften van daartoe dienende bescheiden waaruit dit volgt. Gelet op de rechtsverhouding tussen Liddok en [betrokkene] kan daarbij worden gedacht aan - maar daartoe niet beperkt - de jaarstukken van Liddok over enkele jaren voor het afleggen van de verklaring en over de jaren 2009 en 2010. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van Liddok, waarna Promocean de gelegenheid zal krijgen daarop te reageren.

18. Gelet op het voorgaande is er aanleiding de beslissing op de vordering onder 3.III en de daarmee samenhangende vordering onder 3.IV aan te houden.

In de zaak 10-2200 voorts

19. Tegen de vordering van Promocean onder 4.I heeft XLR8 alleen opgeworpen dat zij niet in staat is het gevorderde ad € 203.017.94 te betalen. Dat verweer faalt, reeds omdat betalingsonmacht geen grond is voor afwijzing van een vordering als de onderhavige. Voor het overige heeft XLR8 deze, op artikel 477a lid 4 Rv gegronde vordering niet betwist. Deze is daarom toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken datum van ingang.

20. Aan haar vorderingen onder 4.II heeft Promocean ten grondslag gelegd dat de verklaring van XLR8 van 7 oktober 2009 - waarin XLR8 verklaart uit hoofde van een rekening-courant schuld € 685.709,-- aan Trientalis verschuldigd te zijn - niet voldoet aan artikel 476b lid 2 Rv., omdat de verklaring niet met redenen is omkleed en niet vergezeld is van justificatoire bescheiden.

21. Bij het eerder genoemde vonnis van 7 juli 2010 is Trientalis bij wege van voorlopige voorziening veroordeeld aan Promocean te betalen een bedrag van € 173.264,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2007. Dat bedrag is door Promocean thans, inclusief de wettelijke rente daarover tot 28 juli 2010, berekend op het onder 19 genoemde bedrag ad € 203.017,94. Promocean heeft gesteld dat zij, ook al heeft XLR8 verklaard dat zij een veel hoger bedrag dan dat aan Trientalis verschuldigd is, belang heeft bij de onderhavige vordering. Zij heeft daarover tijdens de comparitie verklaard dat zij “niet het risico wil lopen dat wanneer straks in een eindvonnis een hoger bedrag wordt toegewezen tegengeworpen wordt dat we de verklaring eerder hadden moeten betwisten en nu niet meer kunnen betwisten”.

22. Daarin kan de rechtbank Promocean niet volgen. In de hoofdzaak heeft Promocean gevorderd Trientalis te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 219.707,75, te vermeerderen met de verdere wettelijke handelsrente daarover. Het is niet waarschijnlijk dat dat bedrag, ook al wordt het vermeerderd met rente en kosten, het bedrag ad € 685.709,-- dat XLR8 heeft verklaard schuldig te zijn aan Trientalis, zal overtreffen. Dat de vordering van Promocean op Trientalis in het door de voorzieningenrechter op 21 augustus 2009 verleende verlof is begroot op € 729.000,-- kan dat niet anders maken, omdat immers in de daarop aanhangig gemaakte hoofdzaak de toetsing plaatsvindt van de omvang en de gegrondheid van de vordering. Daarbij is in dit verband van belang dat Promocean niet heeft gesteld dat zij haar vordering in de hoofdzaak tegen Trientalis heeft vermeerderd of nog zal vermeerderen en evenmin is gesteld of gebleken dat er nog nieuwe/andere onder het beslag vallende vorderingen van Promocean op Trientalis zijn dan de vorderingen die in de hoofdzaak aan de orde zijn. De conclusie is dat deze vordering bij gebrek aan belang moet worden afgewezen.

23. Aan de vordering onder 4.IV. heeft Promocean ten grondslag gelegd dat XLR8 niet tijdig aan haar verklaringsverplichting heeft voldaan. Door eerst tijdens de procedure te verklaren dat zij niets aan [betrokkene] en Liddok verschuldigd is - welke verklaring niet door Promocean is betwist - heeft Promocean nodeloze kosten gemaakt. Immers, als XLR8 wel tijdig aan haar verplichting had voldaan, had de vordering in de dagvaarding onder IV (de vordering strekkende tot betaling van € 1.082.640,90) niet ingesteld behoeven te worden. In verband met die vordering is Promocean aangeslagen voor de hoogste schaal van het griffierecht, te weten € 3.490,--. Bovendien is de procedure door het uitblijven van de verklaring nodeloos ingewikkeld geworden, waardoor Promocean nodeloos extra tijd aan het opstellen van de dagvaarding heeft moeten besteden. Promocean heeft die kosten begroot op 22 uur à € 330,-- per uur te vermeerderen met omzetbelasting, wat neerkomt op het primair gevorderde bedrag.

24. Dat Promocean als gevolg van het niet tijdig verklaren door XLR8 extra kosten heeft moeten maken voor het opstellen van de dagvaarding heeft zij, na betwisting daarvan door XLR8, onvoldoende toegelicht en evenmin met bescheiden gestaafd. Zij heeft daarover slechts verklaard dat “de tijd die is gaan zitten in de dagvaarding van XLR8 (…) niet alleen maar (bestaat) uit het intikken van de tekst maar vooral ook uit het geven van uitleg aan mijn cliënt”. Dat moge zo zijn, maar dat verklaart nog niet dat er voor het opstellen van de dagvaarding, die ook betrekking heeft op het derdenbeslag onder XLR8 ten laste van Trientalis en die voorts gelijkluidend is aan de dagvaarding in de andere twee procedures, extra uren en in die mate nodig zijn geweest als gesteld. Wel staat vast dat Promocean als gevolg van het niet tijdig verklaren voor XLR8 genoodzaakt was een akte wijziging van eis te nemen. Dat zal te zijner tijd worden meegenomen in de beslissing over de proceskosten in die zin, de kosten van die akte zullen worden berekend conform het liquidatietarief (0,5 punt van tarief VI = € 1.000,--) en voor rekening van XLR8 blijven. Dat Promocean in verband met het instellen van haar aanvankelijke vordering in de dagvaarding onder IV in de hoogste schaal voor het griffierecht is aangeslagen is juist, maar ook als haar vordering beperkt was gebleven tot de thans gevorderde bedragen (€ 203.017,94 en € 10.000,--) was zij een griffierecht verschuldigd geworden van € 3.490,--, aangezien dat recht verschuldigd is voor vorderingen vanaf € 100.000,--.

25. Wat resteert zijn de vorderingen onder 4.III, V en VI waarvan de beoordeling moet worden aangehouden zodat daarover gelijktijdig met de vorderingen als bedoeld onder 2.II en III en 3.III en IV in de andere procedures kan worden beslist.

In de zaken 10-2198, 2199 en 2200

26. Iedere verdere beslissing al worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

In de zaak 10-2198

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 mei 2011 voor het nemen van een akte door Trientalis over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 11,

in de zaak 10-2199

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 mei 2011 voor het nemen van een akte door Liddok over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 17,

in de zaken 10-2198, 2199 en 2200 voorts

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011.

Coll.: ED