Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1376

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
693147 BM 10-3106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewichtige reden (art. 1:448, lid 2, BW) voor ambtshalve ontslag beschermingsbewindvoerder. Toetsingskader.

Hoewel beschermingsbewind geen handelingsbekwaamheid beperkende maatregel is, verwoordt art. 12 VN-Verdrag inz. rechten van personen met een handicap de ook in Nederland bestaande notie dat bewind in beginsel eindig moet zijn. Die notie beïnvloedt de inhoud van het begrip “gewichtige reden” voor ontslag. Bewindvoerder moet een gezonde financiering van een duurzame samenwoning aan rechthebbende “voordoen”. Het nauwelijks bijdragen aan gemeenschappelijke kosten en het aflossen van privéschulden van de ene partner onder bewind, waardoor de andere partner schuldeiser van eerstbedoelde partner wordt, is een gewichtige reden voor ontslag.

Om privacyredenen "kale" beschikking met motivering in begeleidende brief; "Jip en Janneke"brief voor rechthebbende als korte uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

Zaaknummer 693147 BM 10-3106

BMnr: [nummer]

BESCHIKKING ONTSLAG EN BENOEMING BEWINDVOERDER

De kantonrechter te Tiel geeft ambtshalve de volgende beschikking inzake het beschermingsbewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de hierna genoemde rechthebbende.

De kantonrechter overweegt het volgende:

Bij deze beschikking behoort als bijlage de tekst van identieke brieven van de kantonrechter van 8 april 2011 aan de [naam huidige bewindvoerder] en de [naam opvolgend bewindvoerder], hierna nader aangeduid.

De tekst van de brieven geldt als hier ingelast. Om redenen van privacybescherming is deze hier niet vermeld.

Dit exemplaar van de beschikking dient voor gebruik ten opzichte van derden die kennis moeten kunnen nemen van het ontslag en de benoeming van de hierna genoemde bewindvoerders.

Wegens in de bijlage opgenomen overwegingen acht de kantonrechter een gewichtige reden in de zin van artikel 1:448, tweede lid, BW aanwezig, die moet leiden tot het ontslag van [naam huidige bewindvoerder], werkzaam bij [naam en adres bedrijf], als bewindvoerder over het vermogen van:

[naam rechthebbende sub 2], geboren op [dag en maand] 1970 te [geboorteplaats], wonende te [adres]

Nadat rechthebbende deugdelijk was opgeroepen om te worden gehoord omtrent haar voorkeur is zij zonder bericht niet is verschenen op de zitting van 6 april 2011. Omdat niet is gebleken dat de gronden voor het bewind niet langer bestaan, benoemt de kantonrechter aansluitend als bewindvoerder:

de [naam opvolgend bewindvoerder] [adres]

Beschikkende:

De kantonrechter,

ontslaat met ingang van 1 mei 2011 als bewindvoerder [naam huidige bewindvoerder], voornoemd;

benoemt met ingang van 1 mei 2011 tot bewindvoerster [naam opvolgend bewindvoerder], voornoemd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker(s) en door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening ervan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroep dient te worden ingesteld door de indiening van een beroepschrift ter griffie van het gerechtshof te Arnhem, welk beroepschrift opgesteld dient te worden door een advocaat.

Aan de heren [naam huidige bewindvoerder] en [naam opvolgend bewindvoerder]

Mijne heren,

In deze brief geef ik mijn ambtshalve beoordeling van de discussie die ik eerder heb behandeld in mijn brief van 2 december 2010. Deze is gevolgd door de brief van 10 december 2011 van de [naam opvolgend bewindvoerder] en de brief met bijlagen van u, [naam huidige bewindvoerder], van 16 januari 2011.

Waar het zo uitkomt beschrijf ik de situatie in de derde persoon, dan wel richt ik mij tot u in de tweede persoon.

De voorafgaande procedure

Mijn brief van 2 december 2010 – welke overigens als hier ingelast moet worden beschouwd – vat ik zakelijk samen: er is discussie ontstaan over de vraag of hetzij [naam opvolgend bewindvoerder], hetzij de [naam huidige bewindvoerder] het beste beschermingsbewindvoerder kan zijn voor zowel de heer [rechthebbende 1], als voor mevrouw [rechthebbende 2], die – zonder enige vorm van onderling contract - een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Aan het slot van mijn brief heb ik de volgende vragen aan u beiden gesteld.

1. Wonen de heer [rechthebbende 1] en mevrouw [rechthebbende 2] nog steeds samen?

2. Welke contacten zijn er tussen beide bewindvoerders geweest sinds het gesprek op 2 september 2010?

3. Betaalt mevrouw [rechthebbende 2] nu een deel van de vaste lasten? Zo ja, hoe groot is dat deel en bestaat tussen beide bewindvoerders overeenstemming over de hoogte van de bijdrage?

4. Is een afspraak tussen beide bewindvoerders gemaakt over de verdeling van de vaste lasten vanaf het begin van de samenwoning (c.q. vanaf 1 april 2010)? Wordt een eventuele schuld van mevrouw aan mijnheer afgelost?

5. Hoe heeft de financiële positie (met name het inkomen en de schuldenlast) van enerzijds mevrouw en anderzijds mijnheer zich sedert 1 april 2010 ontwikkeld?

6. Hoe is het mogelijk geweest dat mevrouw een bedrag van € 3.000 kon bemachtigen, terwijl het bewind al een aanvang had genomen? Zijn er maatregelen genomen tegen herhaling? Welke?

7. Hoe is te verklaren dat mevrouw op 28 juli schrijft dat zij graag [naam opvolgend bewindvoerder] als bewindvoerder heeft en op 23 november dat zij graag de [naam huidige bewindvoerder] als zodanig gehandhaafd ziet?

De beantwoording van de vragen

Ad vraag 1. U beiden heeft geantwoord dat de beide rechthebbenden nog steeds samenwonen.

Ad vraag 2. U heeft beiden aangegeven dat er een mailwisseling is geweest in oktober 2010. [naam opvolgend bewindvoerder] vroeg bij mail van 15 oktober of de [naam huidige bewindvoerder] de huur voor oktober wilde betalen, omdat de heer [rechthebbende 1] geen inkomsten had wegens detentie. Bij mail van 18 oktober heeft de [rechthebbende 1] dat toegezegd.

Ad vraag 3. [naam opvolgend bewindvoerder] heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De [naam huidige bewindvoerder] heeft gesteld dat hij de huur voor de maand oktober heeft betaald.

Ad vraag 4. U beiden heeft aangegeven dat er geen overleg over een verdeling van de vaste lasten is geweest. De [naam huidige bewindvoerder] heeft aangegeven dat hij de omvang van de schuld van mevrouw een mijnheer wel zou kunnen berekenen, maar dat hij niet over de inkomensgegevens van mijnheer beschikt.

Ad vraag 5. [naam opvolgend bewindvoerder] geeft aan dat de financiële positie van de heer [rechthebbende 1] is verslechterd. Het was al niet mogelijk om alle vaste lasten te betalen en de achterstanden zijn opgelopen doordat zijn inkomsten zijn weggevallen door detentie.

Bij wijze van antwoord heeft de [naam huidige bewindvoerder] een rekening en verantwoording over de periode van 25 februari tot en met 31 december 2010 overgelegd. Daaruit blijkt dat de volgende bedragen voor achterstallige betalingen en schulden zijn betaald:

aflossing privé schulden € 1.350,-

GGN Tijhuis achterstallige betalingen Menzis 552,86

Bazuin en partners , tandartskosten 400,-

LBIO aflossing schuld 481,32 +

Totaal € 2.784,18

Daarbij blijkt het beginsaldo van € 8,64 te zijn toegenomen tot een eindsaldo van € 3.425,65.

Weliswaar heeft de [naam huidige bewindvoerder] daarop nog niet zijn beloning in mindering gebracht, maar met een netto toename van het saldo van de beheerrekening van ruim € 2.400 kan rekening worden gehouden.

Ad vraag 6. Kort samengevat heeft de [naam huidige bewindvoerder] verklaard dat hij aanvankelijk - ondanks zijn verzoek – van instanties de post voor mevrouw [rechthebbende 2] niet kreeg toegezonden. Mevrouw [rechthebbende 2] had in die tijd nog een pasje van haar bankrekening en kon daarmee geld opnemen zonder dat de [naam huidige bewindvoerder] dit wist. Op haar verzoek heeft hij haar ook nog leefgeld voorgeschoten. Pas begin mie 2010 heeft hij een leefgeldrekening voor mevrouw geopend. Vanaf die datum kon zij niet meer pinnen vanaf de bankrekening waarop haar inkomen binnenkwam.

Ad vraag 7. De brief van 28 juli 2010, waarin mevrouw [rechthebbende 2] vraagt om [naam opvolgend bewindvoerder] als haar bewindvoerder te benoemen, heeft zij volgens verklaring van de [naam huidige bewindvoerder] niet zelf geschreven. Haar hulpverlener, de heer [X] heeft dat gedaan. Mevrouw heeft die brief op zijn verzoek ondertekend.

Verder heeft de [naam huidige bewindvoerder] verklaard dat hij – “omdat hij zich niet als bewindvoerder wenst op te dringen” – begin januari 2011 nogmaals aan de heer [rechthebbende 1] en mevrouw [rechthebbende 2] heeft gevraagd op papier te zetten wie zij verkiezen als bewindvoerder. Als bijlage bij zijn brief heeft hij een handgeschreven brief, ondertekend door beide rechthebbenden en gedateerd 11 januari 2011, overgelegd, waarin wordt aangegeven dat beiden “graag bij de [naam huidige bewindvoerder] willen blijven”.

De beoordeling

Het toetsingskader

Voor de beoordeling neem ik als uitgangspunt artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007,169). Nederland is partij bij dit verdrag en de goedkeuringswet is nog in behandeling bij het parlement (Kamerstukken II 24 170). Deze verdragsbepaling verplicht lidstaten om waarborgen te stellen waardoor maatregelen die betrekking hebben op de uitoefening van de handelingsbekwaamheid - onder meer – van toepassing zijn gedurende een zo kort mogelijke periode. Weliswaar beperkt beschermingsbewind niet de handelingsbekwaamheid van rechthebbende, maar de gedachte dat een beschermingsmaatregel, zoals bewind, niet langer moet duren dan redelijkerwijs noodzakelijk is, bestaat al in brede kring in Nederland. De kantonrechter kan dat met regelmaat constateren tijdens mondelinge behandelingen betreffende de opheffing van een beschermingsbewind. Onder professionele bewindvoerders leeft de notie dat, indien de rechthebbende daartoe weer in staat is, moet worden toegewerkt naar het weer zelf beheren van de financiën. Ook personen die een verzoek om onderbewindstelling van hun financiën hebben gedaan, vragen op de zitting met regelmaat hoe lang de maatregel duurt. Het standaard antwoord is, dat zij opheffing kunnen vragen zodra zij menen dat zij weer in staat zijn om hun zaken zelf te beheren.

Zodra het niet meer nodig is, dient daarom een beschermende maatregel te worden opgeheven.

Deze opvatting is van invloed op de inhoud van het begrip “gewichtige redenen” die aanleiding kunnen geven tot een ambtshalve door de kantonrechter te geven ontslag aan een bewindvoerder (artikel 1:448, lid 2, BW). De gewichtige redenen zijn een open norm, die de rechter telkens moet invullen aan de hand van de normatieve opvattingen die op het moment van zijn beslissing als algemeen geldend zijn aan te merken.

De omstandigheid dat beschermingsbewind, normaal gesproken, eindig is, stelt eisen aan de uitoefening van de bewindvoerderstaak. Een bewindvoerder moet – van meet af aan – bij het beheer rekening houden met de mogelijkheid dat hij zijn beheer weer zal moeten overdragen aan de rechthebbende zelf. Sterker nog: in een geval als het onderhavige, waarin niet van chronische oorzaken voor het bewind is gebleken, dient de bewindvoerder het bewind zodanig te voeren, dat de rechthebbende door hem wordt toegeleid naar het weer zelf oppakken van de verantwoordelijkheid voor zijn eigen financiën, zodat het bewind overbodig wordt.

In dit geval, waarin twee personen, zonder onderling contract en ieder met een eigen inkomen en eigen schulden, een gemeenschappelijke huishouding voeren, betekent dit dat de bewindvoerder de persoon voor wie hij het bewind voert, “voordoet” hoe de financiën van de gemeenschappelijke huishouding op duurzame wijze kunnen worden geregeld.

De bewindvoerder vervult een voorbeeldfunctie en heeft een onderrichtende taak.

De beoordeling van het concrete geval

Uit de hiervoor weergegeven antwoorden op de vragen blijkt dat u, [naam huidige bewindvoerder]], het bewind over de financiën van mevrouw [rechthebbende 2] op zodanige wijze heeft gevoerd, dat zij vanaf de instelling van het bewind op 25 februari 2010 in dat kalenderjaar slechts één maal – op uitdrukkelijk verzoek van de bewindvoerder van de heer [rechthebbende 1], heeft bijgedragen in de huur door één huurtermijn van € 435,- te betalen. Van enige bijdrage in de lasten van gas, water en elektra is niet gebleken. Aan leefgeld heeft u haar een bedrag van € 2.248,63 overgemaakt.

Ook indien de heer [rechthebbende 1] gedurende de tijd dat hij niet gedetineerd zat, heeft meegegeten van dit bedrag, kan gevoeglijk worden aangenomen dat zijn bijdrage in de gemeenschappelijke kosten (alleen al de huur, tot en met september 2010: 9 x € 435 = € 3.915) veel hoger is geweest dan de bijdrage van mevrouw [rechthebbende 2].

In 2010 heeft mevrouw echter wel voor een aanzienlijk bedrag privé schulden afgelost (zie boven: € 2.784,18) en een spaarsaldo opgebouwd (ruim € 2.400,-).

Door op deze wijze het bewind te voeren, heeft de u mevrouw [rechthebbende 2] niet “voorgedaan” op welke wijze zij kon bijdragen aan een deugdelijk financieel fundament voor de gemeenschappelijke huishouding. Het heeft ontbroken aan het aankweken van verantwoordelijkheidsgevoel voor de gezamenlijkheid van de samenwoning, aan het kweken van vertrouwen bij de partner in deze vorm van samenwoning, kortom in het scheppen van een belangrijke voorwaarde voor de duurzaamheid van de samenwoning.

In tegendeel, doordat de schuldpositie van de heer [rechthebbende 1] is verslechterd – weliswaar mede doordat zijn inkomsten een tijdlang zijn weggevallen door detentie, maar ook doordat hij het leeuwendeel van de gemeenschappelijke huishouding heeft gefinancierd - terwijl mevrouw in de gelegenheid was een deel van haar eigen schulden af te lossen, heeft u, [naam huidige bewindvoerder]], nodeloos een risico voor de samenwoning gecreëerd door een nieuwe schuldverhouding binnen de relatie te laten ontstaan. Mevrouw is immers door uw toedoen debiteur van de heer [rechthebbende 1] geworden. Dat kan een voorheen niet bestaande bron van spanningen in de relatie opleveren.

Ook al liep de communicatie met de bewindvoerder van de partner van mevrouw [rechthebbende 2] niet zoals u zelf wenselijk vond, de belangen van mevrouw [rechthebbende 2], als partner in deze samenwoning, hadden u moeten doen inzien, dat u van uw kant initiatief had moeten blijven nemen om in overleg met [naam opvolgend bewindvoerder] te komen tot een verantwoorde financiering van de samenwoning. Nadat [naam opvolgend bewindvoerder] per e-mail het eerste contact had gezocht en er in het vervolg daarop een telefoongesprek is geweest met de behandelaar van het dossier van de heer [rechthebbende 1] bij [naam opvolgend bewindvoerder], kon u niet blijven volharden in een afwachtende houding, zonder op structurele wijze aan de financiering van de samenwoning naar vermogen van mevrouw [rechthebbende 2] bij te dragen.

Conclusie

Op het voorgaande baseer ik mijn oordeel dat sprake is van een gewichtige reden, die moet leiden tot het ontslag van de [naam huidige bewindvoerder] als bewindvoerder van mevrouw [rechthebbende 2].

Om het bewind van de beide samenwonenden in één hand te brengen, zal ik [naam opvolgend bewindvoerder] tot haar bewindvoerder benoemen.

Verzoeken rechthebbende(n) maken dit niet anders.

Aan deze beslissing doet niet af het verzoek van mevrouw [rechthebbende 2] en de heer [rechthebbende 1] van 11 januari 2011, tot handhaving / benoeming van u, [naam huidige bewindvoerder]], als / tot beider bewindvoerder. U heeft geschreven dat u deze brief aan beide rechthebbenden hebt ontlokt. Het feit dat u ook de heer [rechthebbende 1], die cliënt van [naam opvolgend bewindvoerder] is, met uw verzoek heeft benaderd heeft mij bevreemd. Daarmee heeft u – in het licht van het voorgaande - de schijn gewekt, dat u het belang van de omvang van uw eigen bewindvoerderpraktijk stelt boven dat van een financieel gezonde en toekomstbestendige samenwoning van mevrouw [rechthebbende 2] met de heer [rechthebbende 1].

Omdat ik deze brief niet los kan zien van de ontstane discussie tussen [naam opvolgend bewindvoerder] en u, hecht ik in het kader van deze afweging geen waarde aan de brief.

Voor gebruik van mijn beslissing voor externe relaties, heb ik mijn beslissing in een aparte beschikking neergelegd. Deze brief maakt daarvan integraal onderdeel uit.

Een exemplaar van deze brief zend ik, samen met de beschikking, aan mevrouw [rechthebbende 2] en de heer [rechthebbende 1].

Naar ik vertrouw, heb ik u beiden hiermee voldoende geïnformeerd.

Hoogachtend,

Mr. P.A.Huidekoper,

kantonrechter

CC mevrouw [rechthebbende 2] en de heer [rechthebbende 1]

Geachte mevrouw [rechthebbende 2] en mijnheer [rechthebbende 1],

Hier bijgesloten treft u de beschikking met bijlage aan, die ik vandaag heb genomen.

Kort samengevat komt het erop neer, dat ik de [naam huidige bewindvoerder] heb ontslagen als bewindvoerder van u, mevrouw. De reden daarvoor is dat ik vind dat [naam huidige bewindvoerder]] door de manier waarop hij het bewind voor u heeft gevoerd, niet ondersteunt dat u beide in goede harmonie samenwoont.

Daardoor zouden tussen u beiden spanningen kunnen ontstaan, die vermeden kunnen worden.

Om u samen één bewindvoerder te geven, heb ik de [naam opvolgend bewindvoerder] als bewindvoerder van u beiden benoemd.

U kunt dit uitgebreider lezen in de bijlage van de beschikking.

Als u het hiemee niet eens bent, kunt u binnen 3 maanden door een advocaat hoger beroep laten instellen bij het gerechtshof in Arnhem.

Met vriendelijke groet,

mr. P.A.Huidekoper,

kantonrechter