Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1287

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
183279
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal niet ambtshalve overgaan tot aanhechting van het ouderschapsplan, zoals door de ouders is verzocht. De rechtbank overweegt daartoe dat het verzoek van de ouders, die niet door advocaten worden bijgestaan, een geheel nieuw verzoek betreft dat treedt buiten de grens van het oorspronkelijke verzoek van de minderjarige. Daarbij komt dat uit het ouderschapsplan niet valt af te leiden dat de minderjarigen bij de totstandkoming van de daarin opgenomen zorgregeling op enigerlei wijze betrokken zijn geweest en dat de minderjarigen zich daarover ook niet uit hebben kunnen laten tegenover de kinderrechter, nu het ouderschapsplan door de ouders eerst ter zitting van 9 maart 2011 is ondertekend en aan de rechtbank is overhandigd. Daarmee valt voor de rechtbank thans niet te beoordelen of het een regeling is die in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Nog daargelaten de vraag of er voldoende samenhang is met het oorspronkelijke verzoek, is de rechtbank, gelet op de lange duur die deze procedure al heeft gekend nu het verzoek van de minderjarige dateert van 18 maart 2009, van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de minderjarigen er niet mee gediend is de procedure nog langer aan te houden door zowel de minderjarigen als de ouders de gelegenheid te geven zich uit te laten over de door de ouders overeengekomen zorgregeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 815
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/101 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: 183279 / OR RK 09-63

Datum uitspraak: 28 maart 2011

beschikking hoofdverblijfplaats

in de zaak van

[Minderjarige 1] (nader te noemen: de minderjarige),

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

en

[Minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

waarbij belanghebbenden zijn:

[Vader] (nader te noemen: de vader)

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

en

[Moeder] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente].

Het verdere verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder:

- de beschikking van deze rechtbank van 04 augustus 2010;

- de brief van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Arnhem, van 17 november 2010, met bijlagen;

- de brief van de moeder van 3 februari 2011;

- de brief van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Arnhem, van 22 februari 2011;

- het ouderschapsplan betreffende [minderjarige 1] en [minderjarige 2], door partijen overhandigd ter zitting van 9 maart 2011.

Gehoord ter zitting van 9 maart 2011:

- de vader;

- de moeder;

- mevrouw J.M. Hermsen, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenbeschikkingen van deze rechtbank van 2 juli 2009 en van 04 augustus 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt aangemerkt.

De verdere beoordeling

Bij eerdergenoemde beschikking van 04 augustus 2010 is de definitieve beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats aangehouden, en heeft de rechtbank aan de gezinsvoogd verzocht om aan de rechtbank en aan de Raad te berichten over het verloop van het hulpverleningstraject voor de ouders en de minderjarigen, de stand van zaken en te adviseren omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.

Bij brief van 17 november 2010 heeft de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Arnhem (hierna: BJZ) de rechtbank bij wijze van rapportage toegezonden het verzoekschrift strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de beide minderjarigen met de daarbij behorende stukken. In deze rapportage staat beschreven dat de ouders op 21 september 2010 gestart zijn met omgangsbegeleiding van Lindenhout om de communicatie tussen hen als ouders te verbeteren. BJZ onthoudt zich van advies over de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang van de minderjarigen is te achten, in afwachting van de resultaten van de omgangsbegeleiding. BJZ heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de minderjarigen met een jaar te verlengen.

Bij beschikking van 12 januari 2011 heeft de kinderrechter het verzoek van BJZ tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een zodanige bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen dat hiervoor een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is. De kinderrechter heeft daarbij overwogen dat er inmiddels veel is veranderd. De ouders hebben een goed communicatief contact met elkaar en de hulpverlening heeft positieve resultaten opgeleverd. Het is van belang dat de ouders in het belang van de minderjarigen met elkaar blijven communiceren en hiervoor ook hulpverlening accepteren, dit kan ook in een vrijwillig kader.

Bij brief van 3 februari 2011 heeft de moeder de rechtbank bericht dat het niet verlengen van de ondertoezichtstelling voor haar één van de redenen heeft gevormd om te besluiten de minderjarigen bij de vader te laten wonen met ingang van 1 februari 2011.

Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat er conflicten waren tussen haar en [minderjarige 2]. [Minderjarige 2] dreigde met weglopen en de moeder was bang voor het opnieuw optreden van conversieverschijnselen bij [minderjarige 2]. De minderjarigen wonen sinds 1 februari 2011 bij de vader en sindsdien is het contact tussen [minderjarige 2] en de moeder verbeterd. De begeleiding van Lindenhout is afgerond. De ouders zijn het er over eens dat het verblijf van de minderjarigen bij de vader goed verloopt.

De ouders hebben ter zitting het ouderschapsplan ondertekend en aan de rechtbank verzocht dit aan te hechten aan de beschikking, met het oog op de daarin opgenomen regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Voorts hebben zij aangegeven dat het de bedoeling is dat de door de vader te betalen kinderalimentatie van € 500,- voortaan door de moeder zal worden voldaan.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen. Ingevolge artikel 1:253a jo. artikel 1:377g Burgerlijk Wetboek (nader te noemen: BW) kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven bij welke ouder de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dan wel een zodanige beslissing wijzigen.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat haar hoofdverblijfplaats en die van [minderjarige 2] bij de vader zal zijn. Tijdens het verhoor bij de kinderrechter is [minderjarige 2] ook gehoord en heeft zij dit verzoek eveneens geuit.

De rechtbank stelt voorop dat de minderjarige alleen dan ontvankelijk is in haar verzoek indien er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die zich heeft voorgedaan sinds de beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006. Uit de stukken en de ter zitting verkregen inlichtingen is gebleken dat de beide minderjarigen al langere tijd de wens te kennen hebben gegeven bij de vader te willen wonen. De moeder is onlangs aan deze wens tegemoet gekomen en de minderjarigen verblijven sinds 1 februari 2011 met instemming van beide ouders bij de vader, welk verblijf goed verloopt. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, zodat de minderjarige ontvankelijk is in haar verzoek. Gelet op de wens van de beide minderjarigen, de instemming van de ouders en het goede verloop van het verblijf bij de vader, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat de door deze rechtbank gegeven beschikking van 23 februari 2006 wordt gewijzigd in die zin dat de hoofdverblijfplaats van beide minderjarigen bij de vader wordt vastgesteld.

Ten aanzien van de regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling)

De rechtbank zal niet ambtshalve overgaan tot aanhechting van het ouderschapsplan, zoals door de ouders is verzocht. De rechtbank overweegt daartoe dat het verzoek van de ouders, die niet door advocaten worden bijgestaan, een geheel nieuw verzoek betreft dat treedt buiten de grens van het oorspronkelijke verzoek van de minderjarige. Daarbij komt dat uit het ouderschapsplan niet valt af te leiden dat de minderjarigen bij de totstandkoming van de daarin opgenomen zorgregeling op enigerlei wijze betrokken zijn geweest en dat de minderjarigen zich daarover ook niet uit hebben kunnen laten tegenover de kinderrechter, nu het ouderschapsplan door de ouders eerst ter zitting van 9 maart 2011 is ondertekend en aan de rechtbank is overhandigd. Daarmee valt voor de rechtbank thans niet te beoordelen of het een regeling is die in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Nog daargelaten de vraag of er voldoende samenhang is met het oorspronkelijke verzoek, is de rechtbank, gelet op de lange duur die deze procedure al heeft gekend nu het verzoek van de minderjarige dateert van 18 maart 2009, van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de minderjarigen er niet mee gediend is de procedure nog langer aan te houden door zowel de minderjarigen als de ouders de gelegenheid te geven zich uit te laten over de door de ouders overeengekomen zorgregeling. De rechtbank zal volstaan met de constatering dat de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen tot gevolg heeft dat aan de omgangsregeling, zoals vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen bij beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006, de grondslag is komen te ontvallen. Het voorgaande neemt niet weg dat tussen ouders geldt hetgeen zij zijn overeengekomen. Het staat hen vrij om zich met behulp van een advocaat tot de rechtbank te wenden met het verzoek de beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006 te wijzigen.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

Ter zitting van 9 maart 2011 is desgevraagd gebleken dat de ouders het erover eens zijn dat de moeder met ingang van 1 februari 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vader zal betalen € 250,- per kind per maand. Zij hebben aangegeven dat het bedrag dat de vader heeft betaald aan kinderalimentatie nooit is geïndexeerd en dat zij ook voor de toekomst de wettelijke indexering wensen uit te sluiten.

De rechtbank ziet ook hier geen aanleiding de kinderalimentatie, zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006, ambtshalve te wijzigen. De rechtbank overweegt daartoe dat de ouders niet door advocaten zijn bijgestaan en niet uit eigen beweging de kinderalimentatie ter zitting ter sprake hebben gebracht, nog daargelaten de vraag of er voldoende samenhang bestaat met het oorspronkelijke verzoek van de minderjarige. Zonder enige onderbouwing en gegevens over inkomen en draagkracht valt voor de rechtbank niet te beoordelen of hetgeen is overeengekomen een bedrag is dat aan de wettelijke maatstaven voldoet. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering dat de vader bij wie de minderjarigen thans hun hoofdverblijfplaats hebben, niet langer gehouden is een bijdrage te voldoen in de kosten van hun verzorging en opvoeding, omdat door de wijziging van de hoofdverblijfplaats aan de beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006 voor wat dat onderdeel betreft de grondslag is komen te ontvallen. Uiteraard is het in het belang van de minderjarigen dat er een bijdrage wordt voldaan in de kosten van hun verzorging en opvoeding en dat ouders zich houden aan hetgeen zij zijn overeengekomen. Ook hier geldt dat het de ouders vrij staat om zich met behulp van een advocaat tot de rechtbank te wenden met het verzoek de beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006 te wijzigen.

De beslissing

De rechtbank

1. wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2006 in die zin dat zij de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:

o [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

o [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

vaststelt bij de vader;

2. verklaart de onder 1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

3. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. I. de Waal-van Wessem, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.