Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BQ0930

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
206658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of Eurosort, gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst nog betaling kan vorderen van de volgens art. C jo D van de aandeelhoudersovereenkomst verschuldigde boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206658 / HA ZA 10-2013

Vonnis van 30 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROSORT B.V.,

gevestigd te Weesp,

eiseres,

advocaat mr. O.L.M. Heuts te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LWF HOLDING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna EuroSort en LWF genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 16 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. EuroSort en LWF sluiten een ‘aandeelhoudersovereenkomst’ op 7 januari 2003. Partijen worden daarbij respectievelijk door [ ] [bestuurder EuroSort] en [ ] [bestuurder LWF] vertegenwoordigd. De van deze overeenkomst opgemaakte akte houdt onder meer in dat partijen, aangeduid als ‘de aandeelhouders’ verklaren:

a. de aandeelhouders zijn de enige oprichters en thans enige aandeelhouders, ieder voor de helft van het geplaatste aandelenkapitaal (…) van (…) DistriSort B.V. (…) aan te duiden als: de vennootschap;

b. genoemde LWF Holding B.V. is thans enig en algemeen directeur van de vennootschap;

[de aandeelhouders] zijn het volgende overeengekomen, in aanvulling op het bepaalde in de statuten van de vennootschap:

(…)

C. op eerste verzoek van genoemde EuroSort B.V. zullen de aandeelhouders een algemene vergadering van aandeelhouders houden danwel buiten vergadering een aandeelhoudersbesluit nemen, teneinde EuroSort B.V. te benoemen tot algemeen directeur van de vennootschap; de arbeidscondities zullen door de (algemene vergadering van) aandeelhouders (nader) worden vastgesteld, zoveel mogelijk overeenkomstig de arbeidsvoorwaarden van genoemde nu al in functie zijnde algemeen directeur;

D. in geval een van de aandeelhouders met de naleving van het in deze overeenkomst bepaalde in gebreke blijft, zal deze ten behoeve van de andere aandeelhouder een na ingebrekestelling opeisbare boete verbeuren van eenhonderdduizend euro (€ 100.000,00), zulks onverminderd het recht van de andere aandeelhouder op vergoeding van meerdere schade (…).

2.2. Bij brief van 17 september 2008 sommeert de advocaat van EuroSort LWF om voor 18 september 2008, 15.00 uur, een aandeelhoudersbesluit te tekenen waarbij EuroSort tot algemeen directeur van de vennootschap benoemd wordt, zulks overeenkomstig art. C van de aandeelhoudersovereenkomst. Hij stelt in de brief dat LWF ten onrechte niet heeft meegewerkt aan een schriftelijk verzoek van EuroSort daartoe d.d. 16 september 2008 en kondigt aan dat indien geen gevolg aan de sommatie zal worden gegeven, EuroSort aanspraak maakt op de boete bedoeld onder D in de aandeelhoudersovereenkomst.

2.3. Bij vonnis van 7 oktober 2008 veroordeelt de voorzieningenrechter in deze rechtbank LWF tot ‘nakoming van haar verplichtingen op grond van artikel C van de aandeelhoudersovereenkomst van 7 januari 2003 door medewerking te verlenen aan de benoeming van EuroSort tot bestuurder door middel van ondertekening van het toegezonden aandeelhoudersbesluit en voorts alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de benoeming te effectueren.’

2.4. Op 9 december 2008 wordt tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Van deze vaststellingsovereenkomst wordt een akte opgemaakt, ondertekend door [bestuurder EuroSort] voor EuroSort en [bestuurder LWF] voor LWF. Blijkens de inleidende bepalingen daarvan is de achtergrond van deze overeenkomst het volgende.

e. [EuroSort] is in de loop van september 2008 [LWF en haar bestuurder [bestuurder LWF]] verwijten gaan maken waar het betreft het functioneren als directeur van [DistriSort] (…) en heeft in dat kader een (…) verzoekschrift d.d. 20-10-2008 tot het gelasten van een enquête ingediend bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.

f. Partijen zijn inmiddels met elkaar in overleg getreden ter zake van een mogelijk minnelijke oplossing van de gerezen geschillen en ter vermijding van een naar verwacht moeilijk werkbare situatie die zou bestaan, indien LWF zou aanblijven als algemeen directeur en 50%-aandeelhouder van [DistriSort]; dat overleg heeft geresulteerd in een overeenstemming tussen partijen die zij vastleggen in deze overeenkomst.

2.5. In de vaststellingsovereenkomst staan onder artikel 1, ‘Intrekking enquêteverzoek’, onder meer de bepalingen 1.2 en 1.5:

1.2 [EuroSort] doet hierbij afstand van eventuele aanspraken die zij jegens [LWF] zouden kunnen doen gelden ter zake van hetgeen in het enquêteverzoekschrift d.d. 20-10-2008 en in de brief van haar raadsman d.d. 26-09-2008 aan de orde zijn gesteld. Zij vrijwaart [LWF] voor aanspraken te dier zake of daarmee samenhangend van [EuroSort], [DistriSort] of aan een van hen direct of indirect gelieerde ondernemingen/vennootschappen.

1.3 [LWF] doet hierbij afstand van eventuele aanspraken die zij jegens [EuroSort] of [DistriSort] c.s. zou kunnen doen gelden ter zake van hetgeen in het verweerschrift in de enquêteprocedure (…) en in de brief van haar raadsman d.d. 27-11-2008 aan de orde zijn gesteld (…).

1.5 LWF en [EuroSort] verklaren hierbij voorts dat op het moment van de ondertekening geen andere feiten of omstandigheden dan die bedoeld in de artikelen 1.2 en 1.3 van deze overeenkomst bekend zijn die tot aansprakelijkheid zouden kunnen leiden.

2.6. De brief van 26 september 2008 van de advocaat van EuroSort namens EuroSort aan DistriSort en LWF houdt onder meer, op p. 8, in:

EuroSort houdt vanzelfsprekend vast aan haar verzoek om benoemd te worden tot algemeen directeur van DistriSort, conform artikel C van de Aandeelhoudersovereenkomst van 7 januari 2003.

2.7. Het enquêteverzoekschrift d.d. 20-10-2008 noemt onder het kopje ‘Recente ontwikkelingen’ in de punten 5.7.1 tot en met 5.7.4 onder meer de regel van artikel C van de aandeelhoudersovereenkomst, het verzoek dienovereenkomstig benoemd te worden dat EuroSort bij brief van 16 september aan LWF heeft gedaan en het kort geding dat nodig was ‘om deze medewerking af te dwingen.’ Onder het kopje ‘Samenvattend: gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid’ wordt onder 5.8.5 verwezen naar de hierboven onder 2.6 geciteerde brief van de advocaat van EuroSort.

3. Het geschil

3.1. EuroSort vordert – kort samengevat – veroordeling van LWF tot betaling van € 100.000,00 aan op 18 september 2008 (zie 2.2) verbeurde boete op grond van art. D van de Aandeelhoudersovereenkomst, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. LWF voert gemotiveerd verweer. In het bijzonder houdt dit – kort samengevat – in dat art. 1.2 van de vaststellingsovereenkomst (zie 2.5 hierboven) door verwijzing naar het enquêteverzoekschrift d.d. 20 oktober 2008 en de brief van de advocaat van EuroSort van 26 september 2008 (2.6) rekening houdt met de overtreding van de aandeelhouders-overeenkomst en betekent dat EuroSort en LWF zijn overeengekomen dat EuroSort daaraan geen aanspraken meer zal ontlenen, ook niet de aanspraak op de thans gevorderde boete.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uit het voorgaande is reeds duidelijk dat het geschil zich toespitst op de vraag of EuroSort, gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst nog betaling kan vorderen van de volgens art. C jo D van de aandeelhoudersovereenkomst verschuldigde boete. Aan EuroSort moet – daargelaten het belang van haar andere, hier niet te bespreken, argumenten – worden toegegeven dat de vaststellingsovereenkomst niet concreet verwijst naar de aanspraken op de reeds verbeurde boete en geen ongeclausuleerde finale kwijting inhoudt. Voor het tegenovergestelde standpunt van LWF pleit in het bijzonder de tekst van de vaststellingsovereenkomst, die in ruime bewoordingen (“ter zake van hetgeen … aan de orde [is] gesteld”) naar het enquêteverzoek en de brief van de advocaat van EuroSort verwijst. Dat de in ieder geval in de ogen van EuroSort al vóór 26 september 2008 verbeurde boete waarvan thans betaling wordt gevorderd, niet uitdrukkelijk genoemd wordt in de vaststellingsovereenkomst, kan zowel voor het ene als voor het andere standpunt pleiten.

4.2. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan naar vaste rechtspraak niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

4.3. Gelet op het voorgaande kan aan de hand van de tekst van de vaststellings-overeenkomst en de thans voorliggende stukken de strekking van de bepaling onder 1.2 van die overeenkomst niet zonder meer vastgesteld worden. In het bijzonder is bij het vaststellen daarvan van belang wat tussen degenen die bij de totstandkoming betrokken waren, de al genoemde [bestuurder EuroSort] en [bestuurder LWF] en [een betrokkene], indirect bestuurder van EuroSort, hierover besproken is.

4.4. De slotsom is dat het thans krachtens de hoofdregel van bewijsrecht aan EuroSort is te bewijzen dat de vaststellingsovereenkomst van 9 december 2008 niet bedoelt dat door EuroSort kwijting wordt verleend voor de boete die gesteld is op overtreding van de bepaling onder C van de aandeelhoudersovereenkomst.

4.5. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat hierbij vooral van belang is wat LWF heeft kunnen en mogen begrijpen. Als bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst meebracht dat EuroSort haar niet meer kon aanspreken tot betaling van de in de aandeelhoudersovereenkomst onder D bedoelde boete, is EuroSort in ieder geval niet in haar bewijsopdracht geslaagd. In dit geval zal de vordering afgewezen moeten worden.

4.6. Stukken uit de correspondentie voorafgaand aan en leidend tot de vaststellingsovereenkomst dienen, voor zover zij nog geen deel uitmaken van het dossier, te worden overgelegd met inachtneming van de onder 5.6 bedoelde termijn.

4.7. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt EuroSort op te bewijzen dat de vaststellingsovereenkomst van 9 december 2008 niet bedoelt dat door EuroSort kwijting wordt verleend voor de boete die gesteld is op overtreding van de bepaling onder C van de aandeelhoudersovereenkomst,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 april 2011 voor uitlating door EuroSort of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat EuroSort, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat EuroSort, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden april tot en met juli 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.