Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9993

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
192754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat sinds 1 juli 2009 in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht is geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel, blijkens de artikelen III en IV van de desbetreffende wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, nog de oude wet van toepassing. Zowel de oplegging van de last (7 februari 2007) als het verbeuren van de dwangsom (31 maart 2009) zijn immers gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving.

Volgens artikel 5:26 lid 3 Awb (oud) staat gedurende zes weken na de dag van betekening van het dwangbevel verzet daartegen open. Voor de al of niet tijdigheid van het verzet moet dus worden beoordeeld of een zodanige betekening heeft plaatsgevonden. De Nederlandse deurwaarder is daarbij kennelijk uitgegaan van toepasselijkheid van de EG-betekeningsverordering. Deze verordening is echter alleen van toepassing in burgerlijke en handelszaken en zondert "administratieve zaken" met zoveel woorden uit. Niettemin verzet er zich naar het oordeel van de rechtbank niets tegen om aan de hand van de regels uit de verordening na te gaan of sprake is geweest van een betekening als bedoeld in artikel 5:26 Awb (oud).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 192754 / HA ZA 09-2101

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats], Frankrijk,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. P.D. Labee te Amersfoort,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BARNEVELD,

zetelend te Barneveld,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. M.J. Tunnissen te Arnhem.

Partijen zullen hierna verder [eiseres] en de gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 februari 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2011.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 Op 7 augustus 2006 heeft de gemeente vergunning verleend aan [eiseres] voor het verbouwen en uitbreiden van haar recreatiewoning te [woonplaats]. Het bouwplan waarvoor vergunning is verleend ziet op het realiseren van een overkapping/veranda aan de recreatiewoning.

2.2 Op 28 november 2006 is door de gemeente geconstateerd dat in afwijking van de bouwvergunning en het toepasselijke bestemmingsplan was gebouwd. Daarop is bij brief van 5 december 2006 aan [eiseres] meegedeeld dat handhavend zou worden opgetreden. Bij besluit van 7 februari 2007 heeft de gemeente [eiseres] een last onder dwangsom (van € 20.000,-) opgelegd om vóór 1 april 2007 de niet vergunde afwijkingen van de bouwvergunning ongedaan te maken.

2.3 [eiseres] heeft daartegen op 22 februari 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft de gemeente het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft [eiseres] beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18 februari 2008 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 december 2008 ongegrond verklaard. Bij dit alles heeft de gemeente steeds de begunstigingstermijn verlengd, uiteindelijk tot drie maanden na de verzenddatum van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (31 maart 2009).

2.4 Op 6 april 2009 is door de gemeente geconstateerd dat nog niet aan de last was voldaan. Bij brief van 8 april 2009 heeft de gemeente dat aan [eiseres] laten weten en haar verzocht de volgens de gemeente verbeurde dwangsom voor 1 juni 2009 te voldoen, bij gebreke waarvan de inning uit handen zou worden gegeven aan een deurwaarder. In de brief wordt opgemerkt dat overwogen kan worden de inningsprocedure stop te zetten, als vóór 1 juni 2009 alsnog aan de last zou worden voldaan. Eenzelfde brief is op 17 april 2009 verzonden aan de advocaat van [eiseres].

2.5 De gemeente heeft op 5 augustus 2009 de dwangsom bij dwangbevel ingevorderd. Daarvan is de betekening ingeleid bij Nederlands deurwaardersexploot van 18 augustus 2009, met een vervolg - met inachtneming van de artikelen 4 en 7 van de EG-betekeningsverordering (nr. 1393/2007) - in Frankrijk, waar [eiseres] woonachtig is op het adres: [adres] [woonplaats]. Dienaangaande heeft een Franse deurwaarder op 18 september 2009 in een "procès verbal de signification" het volgende geconstateerd en opgemerkt:

"Je me suis transporté à l'adresse ci dessus aux fins de délivrer copie du présent acte.

Audit endroit:

- Personne ne répondant à nos appels

après avoir vérifié la certitude du domicile du destinataire caractérisé par les éléments suivants:

- Résidence « Iones » rez-de-chaussée, porte 22,

- Présence du nom du destinataire sur le boite aux lettres

- Présence du nom du destinataire sur le porte de l'habitation,

la signification à personne et à domicile étant impossible, la copie du présent est déposée en mon étude, sous enveloppe fermée, ne portant que l'indication des nom et adresse du destinataire, et de l'autre le cachet de mon étude apposé sur la fermeture du pli.

Un avis de passage daté de ce jour, mentionnant la nature de l'acte, le nom du requérant et le fait que la copie de l'acte doit être retirée dans les plus brefs délais en mon étude contre récépissé ou émargement, par le destinataire de l'acte ou par toute autre personne spécialement mandatée, a été laissé au domicile du signifié.

La lettre prévue à l'article 658 du Code de procédure civil a été adressée ce jour ou le premier jour ouvrable suivant la date du présent, au domicile du destinataire ci dessus, avec copie de l'acte. Le cachet de l'huissier est apposé sur l'enveloppe."

2.6 [eiseres] is bij dagvaarding van 10 november 2009 in verzet gekomen tegen het dwangbevel.

3 Het geschil

Bij dagvaarding en ter comparitie heeft [eiseres] verschillende gronden aangevoerd tegen de inning door de gemeente bij dwangbevel. De gemeente heeft daartegen weliswaar verweer gevoerd maar zich primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet tijdig in verzet is gekomen, zodat zij in dat verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4 De beoordeling

4.1 De rechtbank stelt voorop dat sinds 1 juli 2009 in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht is geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel, blijkens de artikelen III en IV van de desbetreffende wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, nog de oude wet van toepassing. Zowel de oplegging van de last (7 februari 2007) als het verbeuren van de dwangsom (31 maart 2009) zijn immers gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving.

4.2 Volgens artikel 5:26 lid 3 Awb (oud) staat gedurende zes weken na de dag van betekening van het dwangbevel verzet daartegen open. Voor de al of niet tijdigheid van het verzet moet dus worden beoordeeld of een zodanige betekening heeft plaatsgevonden. De Nederlandse deurwaarder is daarbij kennelijk uitgegaan van toepasselijkheid van de EG-betekeningsverordering. Deze verordening is echter alleen van toepassing in burgerlijke en handelszaken en zondert "administratieve zaken" met zoveel woorden uit. Niettemin verzet er zich naar het oordeel van de rechtbank niets tegen om aan de hand van de regels uit de verordening na te gaan of sprake is geweest van een betekening als bedoeld in artikel 5:26 Awb (oud). Er is immers geen aanleiding om daaraan een andere betekenis toe te kennen dan aan een betekening van een dagvaarding in een burgerlijke zaak of handelszaak.

4.3 Vaststaat dat [eiseres] ten tijde van de verschillende betekeningshandelingen haar woonplaats had op het onder 2.5 genoemde adres in Frankrijk. Ingevolge artikel 7 van de EG-betekeningsverordening zorgt de ontvangende instantie voor de betekening of kennisgeving van het stuk, hetzij overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, hetzij in de specifieke, door de verzendende instantie gewenste vorm. Van dit laatste is in dit geval niet gebleken, zodat aan de hand van het Franse recht moet worden nagegaan of betekening heeft plaatsgevonden.

4.4 Volgens artikel 654 Code de procédure civil (Code.pr.civ.) moet betekening in persoon plaatsvinden, maar als dat niet mogelijk is, staat artikel 655 Code.pr.civ. toe dat "l'acte peut être délivré soit à domicile, soit, à défaut de domicile connu, à résidence". Blijkens het proces-verbaal van betekening van de Franse deurwaarder heeft aflevering aan de woonplaats (domicile) hier plaatsgehad. Daarbij heeft de deurwaarder, blijkens de laatste drie alinea's van het weergegeven relaas, de formaliteiten van respectievelijk de artikelen 656, 655 en 658 Code.pr.civ. in acht genomen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat naar Frans recht een geldige betekening heeft plaatsgevonden. Door [eiseres] wordt dat op zichzelf ook niet betwist. Haar echtgenoot heeft ter comparitie in dit verband verklaard dat hij op reis was en niet wist waar hij op 18 september 2009 was en evenmin of zijn vrouw op dat moment juist bij hem was en dat hij niets heeft aangetroffen. Dat doet aan de geldigheid van de betekening niet af. De rechtbank heeft geen reden om ervan uit te gaan dat die betekening, waarbij volgens de deurwaarder kopieën naar het officiële adres van [eiseres] zijn gestuurd c.q. daar zijn gelaten en waarbij het niet lezen of niet aantreffen van die stukken voor risico komt van [eiseres], geen goede betekening zou zijn als bedoeld in artikel 5:26 Awb (oud). Daarmee is immers - evenals in het geval van artikel 47 Rv, dat zou gelden als [eiseres] in Nederland woonachtig zou zijn geweest en het stuk niet aan haar in persoon of een huisgenoot (enz.) had kunnen worden uitgereikt - een redelijke zekerheid geboden dat het exploot degene voor wie het is bestemd, bereikt.

4.5 Uit het bovenstaande volgt dat [eiseres] het verzet tegen het dwangbevel niet binnen de daarvoor voorgeschreven termijn heeft gedaan, zodat zij in dat verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.6 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar verzet,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van de gemeente bepaald op € 262,- voor griffierecht en op € 904,- voor advocaatkosten volgens het liquidatietarief,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011.