Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9901

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
05/800888-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 29 jarige Korporaal der mariniers en 6 Mariniers der 1e klasse, tussen de 20 en 25 jaar oud, voor het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat zij op 30 juni 2010 aan boord van marineschip Hr. Ms. Johan de Witt een collega-militair in de nachtelijke uren uit zijn bed hebben getrokken, hem op de grond hebben geboeid, een geblindeerde bril en oorkappen hebben opgezet en zijn mond hebben dichtgeplakt met tape. Vervolgens hebben ze hem afgevoerd naar een kooi, die bestemd was voor piraten, en hem daar op een stoel, met zijn armen achter zijn rug geboeid en aan de grond vastgemaakt, achtergelaten terwijl de kooi met een ketting en een extra aangebrachte tie-wrap was afgesloten.

De militaire kamer veroordeelt de 29 jarige Korporaal der mariniers voorts voor het als militair opzettelijk toelaten dat zijn militaire minderen (de medeverdachten) bovenstaand feit pleegden, terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij zou ingrijpen.

De militaire kamer legt aan de Korporaal der mariniers als straf op een werkstraf voor de duur van 40 uren en aan de 6 Mariniers der 1e klasse een werkstraf voor de duur van 30 uren. De militaire kamer benadrukt dat de gedragingen zo buitensporig zijn geweest dat niet alleen de grens tot welke een grap zich kan uitstrekken, maar ook de grenzen die het Wetboek van Strafrecht aan ieders gedragingen stelt in ernstige mate zijn overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800888-10

Datum zitting : 21 maart 2011

Datum uitspraak: 4 april 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

rang/rnr : Marinier 1e klasse, [nummer]

ingedeeld bij : AMFOSTBAT

raadsvrouw : Mevr. mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Alkmaar.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 juni 2010, varende op de Rode Zee, aan boord van het

marineschip Hr.Ms. Johan de Witt tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk J. [slachtoffer] wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, hierin bestaande dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk voornoemde persoon wederrechtelijk

- (met kracht) uit bed heeft/hebben te getrokken en/of gerukt

en/of

- (met kracht)de handen (achter de rug) heeft/hebben geboeid

en/of

- een geblindeerde bril heeft/hebben opgezet en/of opgedaan

en/of

- oorkappen heeft/hebben opgezet en/of opgedaan

en/of

- de mond (met kracht) met een/de hand heeft/hebben dicht gehouden

en/of

- de mond heeft/hebben afgeplakt/dicht geplakt met tape

en/of

- in een cel/kooi heeft/hebben geplaatst en/of heeft/hebben doen plaatsnemen

en/of

- (met een kabel) aan de vloer in die cel/kooi heeft/hebben vast gemaakt en/of

vast gezet

en/of

- door de toegangsdeur en/of het toegangshek van genoemde cel/kooi af te

sluiten en/of afgesloten te houden door middel van een ketting en/of een

hangslot en/of een ty-rap;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij als militair op of omstreeks 30 juni 2010, varend op de Rode Zee, aan

boord van het marineschip Hr. Ms. Johan de Witt, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, J. [slachtoffer], die toen militair was,

althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk

heeft bedreigd met geweld en/of feitelijk heeft aangerand door toen en daar

opzettelijk die [slachtoffer]

- (met kracht) uit bed te trekken en/of te rukken

en/of

- (met kracht)de handen (achter de rug) te boeien

en/of

- een geblindeerde bril op te zetten en/of op te doen

en/of

- oorkappen op te zetten en/of op te doen

en/of

- de mond (met kracht) met een/de hand dicht te houden

en/of

- de mond af te plakken/dicht te plakken met tape

en/of

- in een cel/kooi te plaatsen en/of te doen plaatsnemen

en/of

- (met een kabel) aan de vloer in die cel/kooi vast te maken en/of vast te

zetten

en/of

- door de toegangsdeur en/of het toegangshek van genoemde cel/kooi af te

sluiten en/of afgesloten te houden door middel van een ketting en/of een

hangslot en/of een ty-rap;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 maart 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mevrouw mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Alkmaar.

De officier van justitie, mr. H.G. Velders, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 30 uren werkstraf subsidiair 15 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 juni 2010 is J. [slachtoffer], varende op de Rode Zee, aan boord van het marineschip Hr.Ms. Johan de Witt, door meerdere collega’s, waaronder verdachte, (met kracht) uit bed getrokken. Vervolgens hebben een aantal collega’s de handen van die [slachtoffer] (met kracht) achter diens rug geboeid en hem een geblindeerde bril en oorkappen opgezet. Zijn mond werd (met kracht) met een hand dicht gehouden en dicht geplakt met tape. Daarna werd hij naar een met traliewerk afgesloten ruimte (cel/kooi) geleid. Daarin werd hij (met een kabel) aan de vloer vast gemaakt. De toegangsdeur/toegangshek van genoemde ruimte werd door de collega’s afgesloten door middel van een ketting en een tiewrap.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Volgens de officier van justitie kan ook het opzet op de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving worden bewezen. Hij heeft daartoe betoogd dat [slachtoffer] duidelijk verzet heeft gepleegd, hetgeen onder meer blijkt uit het letsel dat [slachtoffer] heeft bekomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving. Het was een grap, een incident dat in de marine niet op zichzelf stond. Ook van voorwaardelijk opzet op de wederrechtelijkheid is geen sprake, omdat verdachte zich niet bewust was van de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Wederrechtelijk?

De militaire kamer is gelet op de duur van de vrijheidsberoving en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – waaronder de omstandigheid dat [slachtoffer] niet met de handelingen heeft ingestemd – van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden.

Opzet?

Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoon beperken in diens vrijheid van beweging (bijvoorbeeld door hem in een cel op te sluiten) zonder diens toestemming, in strijd met het recht is. Voor opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven (of beroofd houden) dient het opzet te zijn gericht op de vrijheidsberoving (of het van de vrijheid beroofd houden) en voorts op de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving. Volgens de raadsvrouw kan het opzet op de wederrechtelijkheid van de vrijheidsberoving niet worden bewezen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij, toen hij uit zijn bed werd getrokken, met een verheven stem te kennen gegeven dat men moest ophouden en moest opzouten. Daarop probeerden de belagers zijn mond en neus dicht te houden, wat [slachtoffer] probeerde te verhinderen door zijn hoofd op een neer te bewegen.

Niet alleen [slachtoffer] zelf heeft verklaard over zijn verzet gedurende de actie, maar ook de (mede)verdachten hebben hierover verklaard. Zo heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] in paniek raakte en dat medeverdachte [medeverdachte1] toen zei: je moet meewerken, dan is het zo voorbij. [slachtoffer] was al aan het tegenstribbelen toen hem handboeien om werden gedaan. Hij begon zich te verzetten en wilde gaan zitten om overeind te komen. Dit lukte niet omdat er drie man bovenop hem zaten. [medeverdachte1] zei weer dat [slachtoffer] mee moest werken en dat het zo voorbij zou zijn. [slachtoffer] lag op zijn arm die hij niet wilde geven. Uiteindelijk gaf hij zijn arm omdat hij het niet kon winnen . Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer] begon te schreeuwen toen hij op zijn buik lag en dat iemand die op zijn schouder zat toen zijn hand voor de mond van [slachtoffer] deed om het geluid te dempen. Volgens verdachte zijn de handboeien gebruikt om [slachtoffer] in bedwang te kunnen houden, zodat hij niet zou tegenstribbelen. Ook volgens medeverdachte [medeverdachte2] heeft [slachtoffer] tegengestribbeld door zijn armen los te trekken en zijn benen te trappen en iets in de trant van “jongens wat is dit” te zeggen. [medeverdachte2] heeft de mond van aangever dichtgehouden, omdat hij dingen ging roepen zoals “jongens wat is dit, doe normaal” en daardoor misschien anderen zouden worden wakker gemaakt en ze betrapt zouden worden. [medeverdachte2] heeft verder verklaard dat op het verzet van [slachtoffer] werd gereageerd door hem meer in bedwang te houden en door harder aan hem te trekken en te duwen zodat hij ging meewerken.

Tijdens de actie droegen de verdachten een gevechtstenue zonder naamplaatjes en rangonderscheidingstekens en bivakmutsen. Bijna alle verdachten hebben verklaard dat ze deze kleding en bivakmutsen droegen om herkenning te voorkomen. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte3] verklaard dat ze geen naam en rangonderscheidingstekens zouden dragen en bivakmutsen op zouden doen ter voorkoming van herkenning. Medeverdachte [medeverdachte2] heeft verklaard dat het hen wel verstandig leek om onherkenbaar te zijn, omdat ze dan eventuele straffen misschien konden ontlopen.

Op grond van het bovenstaande staat naar het oordeel van de militaire kamer vast dat de verdachten niet alleen wisten dat [slachtoffer] niet instemde met de vrijheidsberoving, maar dat zij desondanks zijn doorgegaan en zelfs meerdere acties hebben ondernomen om het verzet van [slachtoffer] te staken en mogelijke ontdekking te voorkomen. Verder hebben ze er bewust voor gezorgd dat ze niet zouden worden herkend, eveneens om mogelijke ontdekking en bestraffing te voorkomen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte evenals zijn medeverdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de vrijheidsberoving wederrechtelijk was.

Aan het bovenstaande doet de achterliggende beweegreden van de verdachten (een grap uithalen) niet af. Het zogenaamde Neptunus-ritueel aan boord van de Hr.Ms. Johan de Witt en een verjaardagsgrap die is uitgehaald met de compagniesadjudant zijn niet vergelijkbaar met de onderhavige casus, aangezien in dit geval – in tegenstelling tot voornoemd ritueel en voornoemde grap – geen sprake was van (impliciete) toestemming door de persoon die van zijn bewegingsvrijheid werd beroofd. In de onderhavige casus was onmiskenbaar dat [slachtoffer] niet instemde met de door verdachte en medeverdachten verrichte handelingen.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 30 juni 2010, varende op de Rode Zee, aan boord van het marineschip Hr.Ms. Johan de Witt tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk J. [slachtoffer] wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededader(s) opzettelijk voornoemde persoon wederrechtelijk

- (met kracht) uit bed hebben te getrokken en

- (met kracht)de handen (achter de rug) hebben geboeid en

- een geblindeerde bril hebben opgezet en/of opgedaan en

- oorkappen hebben opgezet en/of opgedaan en

- de mond (met kracht) met een/de hand hebben dicht gehouden en

- de mond hebben afgeplakt/dicht geplakt met tape en

- in een cel/kooi hebben geplaatst en

- (met een kabel) aan de vloer in die cel/kooi hebben vast gemaakt en

- door de toegangsdeur en/of het toegangshek van genoemde cel/kooi af te sluiten en afgesloten te houden door middel van een ketting en/of een hangslot en een tiewrap;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 10 november 2010.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van dit feit een werkstraf voor de duur van 30 uren geëist.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is verzocht om bij de bepaling van de op te leggen straf rekening te houden met het gegeven dat [slachtoffer] zelf geen strafrechtelijke vervolging wenst en voorts met mogelijkheid dat verdachte zijn baan zal verliezen als hij wordt veroordeeld. Volgens de raadsvrouw is dan ook schuldigverklaring zonder oplegging van straf op zijn plaats.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachten, schuldig gemaakt aan opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van een collega-militair. De verdachten hebben deze collega-militair in de nachtelijke uren uit zijn bed getrokken en vervolgens op de grond geboeid, een geblindeerde bril en oorkappen opgezet en tape op zijn mond geplakt. Vervolgens hebben ze hem afgevoerd naar een gevangenenkooi die bestemd was voor het vasthouden van piraten en hem daar op een stoel, met zijn armen achter zijn rug geboeid en aan de grond vastgemaakt, achtergelaten.

Een militair dient zich ervan bewust te zijn, dat hij of zij veelvuldig en ook onder extreme omstandigheden op collega’s is aangewezen en het is daarom van groot belang dat men geen negatieve gevoelens jegens elkaar koestert.

Uit de verklaringen van [slachtoffer] komt echter naar voren dat hij zich door zijn collega´s in de steek gelaten en belazerd voelde en dat hij zijn vertrouwen in hen is verloren. Ook voelde hij zich ernstig bedreigd en vernederd en heeft hij pijn ondervonden. Inmiddels heeft [slachtoffer] het Korps Mariniers verlaten.

Verdachte heeft beweerd dat het een grap zou zijn. Het is de militaire kamer bekend dat binnen de krijgsmacht bepaalde grappen – bijvoorbeeld in het kader van ontgroeningen en het zogenaamde Neptunus-ritueel – gebruikelijk zijn. Daartegen behoeft op zichzelf genomen geen bezwaar te bestaan zolang dit met instemming van alle betrokkenen gebeurd. Echter, de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten zijn zo buitensporig geweest dat niet alleen de grens tot welke een grap zich kan uitstrekken, maar ook de grenzen die het Wetboek van Strafrecht aan ieders gedragingen stelt in ernstige mate zijn overschreden.

Verdachte is, zoals blijkt uit de aangehaalde justitiële documentatie, niet eerder veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 282 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlaste¬gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas¬tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Het verrichten van een werkstraf gedurende 30 (dertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 15 (vijftien) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A.T.M. Vrijhoeven (rechter) en kolonel mr. B.F.M. Klappe (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2011.