Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9835

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
723927 CV EXPL 10-6275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Legio Lease-/Dexia-/ARC-zaak. Geen opt-outverklaring ingediend door gedaagde, zodat deze op grond van de WCAM-beschikking gebonden is aan de Duisenbergregeling welke geldt als vaststellingsovereenkomst die mede inhoudt dat gedaagde komt geen beroep meer toekomt op de gevoerde verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 723927 \ CV EXPL 10-6275 \ MB\392\mvl

uitspraak van 30 maart 2011

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Asset Refinance Company B.V.

gevestigd te Curaçao

eisende partij

gemachtigde EDR Incasso

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna ARC en [gedaagde partij] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 november 2010 met een productie

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek.

2. De feiten

2.1. Op 9 oktober 1997 is tussen Legio Lease B.V. en [gedaagde partij] een effectenlease-overeenkomst “Feestplan” met nummer [nummer] (hierna: ‘de overeenkomst’) tot stand gekomen.

2.2. [gedaagde partij] heeft op grond van de overeenkomst van Legio Lease B.V. een bedrag geleend van fl. 12.254,40 tegen een rente van 1,23% per maand. Met het geleende bedrag heeft Legio Lease B.V. effecten gekocht ten behoeve van [gedaagde partij].

3. De vordering en het verweer

3.1. ARC vordert veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 1.940,62, waarvan een bedrag van € 1.381,28 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Voorts vordert ARC veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van deze procedure.

3.2. ARC legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat Dexia rechtsopvolger onder algemene titel is van Bank Labouchere N.V., welke op haar beurt rechtsopvolger onder algemene titel is van Legio Lease B.V. Dexia is derhalve in de rechten en verplichtingen van Legio Lease B.V. getreden. De vordering bestaat uit de schuld die resteerde na verkoop door Dexia van de op grond van de overeenkomst gekochte - en na ommekomst daarvan verkochte - aandelen. [gedaagde partij] heeft de restschuld, ondanks herhaalde aanmaning, niet voldaan. Dexia heeft de vordering op [gedaagde partij] aan ARC gecedeerd.

3.3. [gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gesteld noch gebleken is dat de beweerde vordering van Dexia op [gedaagde partij] niet rechtsgeldig aan ARC is gecedeerd. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat ARC ten opzichte van [gedaagde partij] in de rechten van Dexia en dus, na de diverse rechtsopvolgingen, van Legio Lease B.V. is getreden en in deze procedure de vorderingen als eiser kan instellen zoals gevorderd.

4.2. [gedaagde partij] voert aan dat de overeenkomst door misleiding tot stand is gekomen. [gedaagde partij] werd onvoldoende geïnformeerd door Legio Lease B.V. over de aard van de overeenkomst. Voorts voert [gedaagde partij] aan dat haar echtgenoot de overeenkomst niet heeft ondertekend, zodat deze op grond van artikel 1:88 BW vernietigbaar is.

4.3. ARC stelt dat [gedaagde partij] geen beroep kan doen op gebreken in de totstandkoming van de overeenkomst met Legio Lease B.V., zoals misleiding, en evenmin op artikel 1:88 BW. Deze verweren zijn, zo stelt ARC, door de WCAM-beschikking van het gerechtshof in Amsterdam van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033) niet langer relevant omdat in de genoemde beschikking de Duisenbergregeling algemeen verbindend is verklaard.

4.4. De kantonrechter oordeelt als volgt. Gerechtigden als bedoeld in de WCAM-beschikking (zoals [gedaagde partij]) zijn gebonden aan de Duisenbergregeling indien zij niet tijdig (vóór 1 augustus 2007) een opt-outverklaring hebben ingediend.

4.5. [gedaagde partij] erkent dat zij op de hoogte was van de Duisenbergregeling. Zij erkent voorts dat zij geen opt-outverklaring heeft ingediend. [gedaagde partij] geeft daarvoor als verklaring dat in die periode nog onzekerheid bestond over de aard van overeenkomsten als door haar gesloten.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat, nu [gedaagde partij] geen opt-outverklaring heeft ingediend, zij op grond van de WCAM-beschikking gebonden is aan de Duisenbergregeling. De Duisenbergregeling geldt als vaststellingsovereenkomst die mede inhoudt dat op de door [gedaagde partij] gevoerde verweren geen beroep meer kan worden gedaan. De verweren worden daarom gepasseerd.

4.7. De hoogte van de vordering is door [gedaagde partij] niet betwist. Uit de door ARC overgelegde correspondentie volgt dat in de vordering reeds rekening is gehouden met de korting die [gedaagde partij] op grond van de Duisenbergregeling toekomt. Het in hoofsom gevorderde bedrag, vermeerderd met de onbetwiste wettelijke rente, wordt toegewezen.

4.8. Aannemelijk is dat ARC buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 300,00 is in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven en wordt daarom toegewezen.

4.9. [gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan ARC van een bedrag van € 1.940,62, waarvan een bedrag van € 1.381,28 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

5.2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van ARC begroot op € 94,93 aan dagvaardingskosten, € 280,00 aan griffierecht en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.