Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9425

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
193476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van eiser sub 1. Gedaagde sub 1 heeft, teneinde zijn echtgenote te ontzetten, eiser geslagen. Daarmee is sprake van aan eiser sub 1 toerekenbare omstandigheden die mede de schade hebben veroorzaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om vast te stellen in welke mate de op gedaagde sub 1 rustende vergoedingsplicht dient te worden verminderd omdat de billijkheid in dit geval met zich brengt dat die vergoedingsplicht geheel komt te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193476 / HA ZA 09-2206

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

[eisers]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. I.P.C. Sindram te Malden,

tegen

[gedaagden]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.C.H. Jansen te Wijchen.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser], [eiseres], [gedaagde] en [gedaagde sub 2] worden genoemd en gezamenlijk [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s..

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 maart 2011

- de akte overlegging stukken van [eiser] c.s.

- de antwoordakte van [gedaagde] c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. In het vorige vonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [eiser] c.s. erin zijn geslaagd te bewijzen dat [gedaagde] [eiser] eenmaal op diens arm heeft geslagen waarmee vaststaat dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Alvorens te oordelen over het beroep van [gedaagde] c.s. op eigen schuld van [eiser] heeft de rechtbank [eiser] c.s. in de gelegenheid gesteld om, in verband met de in dat kader mogelijk aan de orde komende billijkheidscorrectie, informatie te verstrekken over de aard en de ernst van het letsel.

2.2. Daaraan hebben [eiser] c.s. voldaan door een rapport van orthopedisch chirurg dr. Edikxhoven, gedateerd 3 januari 2011 in het geding te brengen. Voor zover relevant staat er in dat rapport:

‘IV. HUIDIGE KLACHTEN

Op mijn vakgebied: sinds een jaar is er min of meer een steady state wat betreft de klachten over de linkeronderarm. Hij heeft vaak pijn op de plaats waar de breuk heeft gezeten, niet ter plaatse van de pols, niet in de duim of vingers, ook niet in de elleboog. ’s Nachts geregeld last van tintelende sensaties ‘in een aantal van mijn vingers’. Bij indringend navragen om dit nader te specificeren en nader te duiden vertelt hij na geruime tijd reflexie dat het gaat om de middelvinger en de ringvinger, zowel op de bovenzijde als aan de binnenzijde van de hand in die vingers. De pijn op de plaats waar de breuk heeft gezeten beschrijft hij als een dreinende pijn bij en na bewegen, doorgaans niet in rust, zoals dat tot het afgelopen voorjaar steeds wel het geval was. Er lijkt hem sprake van een coördinatiestoornis waar het gaat om de hand, fijne bewegingen zijn allemaal veel minder goed mogelijk, en hij mist ook wel 40% van de tilkracht om reden van pijn op de plaats waar de breuk heeft gezeten. (…) Hij heeft veel last van flinke beperking van de rolbewegingen. ’s Nachts vindt hij het moeilijk om een goede houding te vinden met de hand, het vinden van een comfortabele stand wordt verhinderd door de bewegingsbeperking van de rolbewegingen. (…) Als gevolg van het hierboven genoemde probleem heeft hij vooral last bij zijn vrijetijdsbezigheden, het klussen is fors beperkt geraakt. (…)

VII. SAMENVATTING

(…) Hij was zowel links- als rechtshandig. (…) Anamnestisch had hij na het inbrengen van de pen in sterk toenemende mate klachten over hevige pijn over de linkeronderarm, met name op de plaats waar de breuk heeft gezeten. Tijdens consolidatie zijn die klachten toegenomen, en eerst nadat de pen in het najaar van 2009 is verwijderd is de lokale pijn op de plaats waar de breuk heeft gezeten snel minder geworden, en sindsdien is er min of meer een steady state wat betreft de restklachten over de linkeronderarm. Het gaat om pijn op de plaats waar de breuk heeft gezeten, tijdens en na belaste beweging, doorgaans niet in rust. In rust alleen als de onderarm te zwaar is belast. Na de forse bedreiging heeft hij ook steeds zeer veel hoofdpijnklachten. Werkhervatting tot het beperkte niveau waarop betrokkene werkzaamheden deed voor het ongeval (om reden van de CVA in 2006 al flink beperkt) heeft er niet meer ingezeten, maar daarbij zijn de hoofdpijnklachten de beperkende factor, niet de linkeronderarm. (…)

VIII. OVERWEGING EN CONCLUSIE

(…) Er is bij betrokkene sprake van een goed, maar met lichte rotatie-afwijking genezen, distale ulnafractuur links, normaal DRU, normaal TFC, hier ook geen symptomatologie. Niet reproduceerbare pijnaangifte op de plaats waar de breuk heeft gezeten maar in vrijwel anatomische stand en geconsolideerde ulna. (…) Er is sprake van een grote discrepantie: de anamnestische beperkingen en klachten die betrokkene aandraagt zijn bij lange na niet verklaard door de onderzoeksbevindingen: anders gezegd op grond van de onderzoeksbevindingen zijn nauwelijks klachten of beperkingen op mijn vakgebied te verwachten. Voor deze discrepantie is op mijn vakgebied geen aanknopingspunt aanwezig. (…)

g. Beperkingen naar mijn mening voor betrokkene in zijn huidige toestand: voor ADL: geen beperkingen. Voor de deelbelastingen:

- zitten, liggen, staan en lopen: niet beperkt

- duwen en trekken met de linkerarm minimaal beperkt

- activiteiten waarbij de rolbewegingen nodig zijn matig beperkt het gaat hierom bewegingsgrenzen. Binnen deze bewegingsgrenzen is er geen reden voor het aannemen van beperking voor de belastbaarheid. Dat geldt ook voor de linkerpols: binnen de gegeven bewegingsmantel is er geen symptomatologie, en deze is ook niet te verwachten.

- de handigheid van de linkerhand binnen de gegeven bewegingsmantel is niet beperkt. (…)’

2.3. [gedaagde] c.s. hebben in hun conclusie van antwoord in conventie ter onderbouwing van het beroep op eigen schuld aangevoerd dat [eiser] de vechtpartij zelf is begonnen door tot viermaal toe op [gedaagde sub 2] in te slaan. De vergoedingsplicht van [gedaagde] komt op grond daarvan volledig te vervallen, aldus [gedaagde] c.s..

2.4. In het vorige vonnis is aan de hand van de getuigenverklaringen als vaststaand aangenomen dat de aanleiding van het incident op 20 juli 2009 is gelegen in het feit dat [gedaagde sub 2] zich die dag bij [eiser] c.s. tot tweemaal toe heeft beklaagd over rotzooi op hun oprit, waarop van de zijde van [eiser] c.s. geen actie is ondernomen. Daarop heeft [gedaagde sub 2] aan [eiser] c.s. toebehorende deuren gepakt die op de erfgrens stonden opgesteld, waarna zij die op de grond heeft gelegd dan wel gegooid (rov. 2.5.). Voorts heeft de rechtbank als bewezen aangenomen dat [eiser] daarop naar buiten is gekomen en [gedaagde sub 2] direct meermalen heeft geslagen met een plank (rov. 2.7.). [gedaagde sub 2] heeft terwijl zij werd geslagen door [eiser], om hulp geroepen waarop [gedaagde] is gekomen om [gedaagde sub 2] te ontzetten. [gedaagde] heeft, terwijl hij naar [gedaagde sub 2] toeliep, gezien dat [gedaagde sub 2] meermalen door [eiser] werd geslagen (rov. 2.11.). De rechtbank heeft bewezen geacht dat [gedaagde] vervolgens – nadat hij tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] was gekomen – [eiser] eenmaal op diens arm heeft geslagen (rov. 2.9.).

2.5. Op grond van deze feiten oordeelt de rechtbank allereerst dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser]. Hieruit volgt immers in voldoende mate dat de aanleiding van de door [gedaagde] aan [eiser] uitgedeelde klap was gelegen in het door [eiser] jegens de echtgenote van [gedaagde] uitgeoefende geweld. [gedaagde] heeft, teneinde zijn echtgenote te ontzetten, [eiser] geslagen. Daarmee is sprake van aan [eiser] toerekenbare omstandigheden die mede de schade hebben veroorzaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om vast te stellen in welke mate de op [gedaagde] rustende vergoedingsplicht dient te worden verminderd omdat de billijkheid in dit geval met zich brengt dat die vergoedingsplicht geheel komt te vervallen. Voor dat oordeel is het volgende van belang. Zoals gezegd is de aanleiding voor de door [gedaagde] uitgedeelde klap geweest het meermalen slaan door [eiser] van [gedaagde sub 2]. De reden voor die geweldsuitbarsting van [eiser] kan op grond van hetgeen in deze zaak naar voren is gekomen hooguit zijn gelegen in het verplaatsen door [gedaagde sub 2] van deuren van [eiser] c.s. die op de erfgrens stonden. Van belang is daarbij echter dat vaststaat dat [gedaagde sub 2] tot tweemaal toe heeft gevraagd de rotzooi op te ruimen, waarop [eiser] c.s. in het geheel niet hebben gereageerd. Het door [eiser] vervolgens uitgeoefende geweld kan tegen die achtergrond ten minste disproportioneel worden genoemd. Dit geldt te meer nu [eiser] [gedaagde sub 2] meer dan eenmaal heeft geslagen terwijl het hem vrij snel duidelijk moet zijn geweest dat [gedaagde sub 2] geen tegenstand bood. In dat kader speelt ook een rol dat sprake is van een wezenlijk verschil in leeftijd - [eiser] is thans 52 jaar en [gedaagde sub 2] 65 jaar -, en lengte: [eiser] is 1.82 meter lang en [gedaagde sub 2] 1.57 meter. Die verschillen hebben onvermijdelijk ook tot gevolg dat sprake was van een aanzienlijk verschil in fysieke kracht. De gedragingen van [eiser] moeten tegen die achtergrond als aanzienlijk ernstiger worden beschouwd en dienen hem zwaarder te worden verweten dan de gedraging van [gedaagde], die enkel ter bescherming zijn echtgenote een klap uitdeelde. Wanneer daarbij ten slotte nog wordt betrokken dat - zo leidt de rechtbank uit het door [eiser] c.s. overgelegde rapport van dr. Edixhoven af - het letsel aan de linkeronderarm vrijwel volledig is hersteld en dat er hooguit sprake is van zeer geringe blijvende beperkingen in het algemeen dagelijks leven, eist de billijkheid naar het oordeel van de rechtbank dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel komt te vervallen.

2.6. Dat oordeel, alsmede hetgeen in het vorige vonnis onder 2.6. is beslist, leidt ertoe dat de vorderingen in conventie geheel zullen worden afgewezen. [eiser] c.s. worden als de merendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten, waaronder de nakosten. Die kosten worden begroot op:

- betaald vast recht 65,50

- in debet gesteld vast recht 196,50

- getuigenkosten 29,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.873,00

in reconventie

2.7. In het vorige vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat (rov. 2.15.) de vordering van [gedaagde] c.s. van € 800,--, vermeerderd met rente zal worden toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden, bij gebreke van enige onderbouwing daarvan, afgewezen.

2.8. [eiser] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij ook in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld, waaronder de nakosten.

Die kosten worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 576,00 (3 punten x 0,5 x tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 576,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.873,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

3.3. veroordeelt [eiser] c.s. tevens in de nakosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. bepaald op EUR 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,- voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening

3.4. verklaart de kostenveroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.5. veroordeelt [eiser] c.s. om aan [gedaagde] c.s. te betalen een bedrag van EUR 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 20 juli 2009 tot de dag van volledige betaling,

3.6. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 576,--, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

3.7. veroordeelt [eiser] c.s. tevens in de nakosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. bepaald op EUR 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,- voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

3.8. verklaart de kostenveroordelingen onder 3.6. en 3.7. uitvoerbaar bij voorraad,

3.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011.