Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9399

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
10/1828
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht met betrekking tot de mede-eigendom van garageboxen en de ontvangst van huurpenningen periode 24 augustus 2001 tot 1 december 2009. Het college kent eiseres met ingang van 1 december 2009 opnieuw bijstand toe. Op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb verleent het college deze bijstand in de vorm van leenbijstand in plaats van om niet. Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat eiseres, gelet op de inhoud van het taxatierapport, na de verkoop van haar deel van de eigendom van de garageboxen en na aflossing van (een deel van) de nog openstaande schuld bij het college, over voldoende bestaansmiddelen zou beschikken. Voorgaande betekent dat het college in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb tot het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval één van de overige gevallen, als genoemd in het tweede lid van artikel 48 van de Wwb, van toepassing zijn, zodat het college gehouden was eiseres met ingang van 1 december 2009 bijstand om niet te verlenen. De rechtbank voorziet in dit verband zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1828

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 maart 2011.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. van Delft,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 april 2010.

2. Procesverloop

Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 december 2009 geblokkeerd (hierna: besluit 1). Bij besluit van 15 januari 2010 heeft verweerder besloten de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 24 augustus 2001 te herzien en de ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand ten bedrage van € 33.616,61 van haar terug te vorderen. Voorts heeft verweerder besloten de uitkering met ingang van 1 december 2009 te beëindigen (hierna: besluit 2). Bij besluit van 10 februari 2010 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 leenbijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande vermeerderd met een gemeentelijke toeslag van 20% (hierna: besluit 3).

Tegen de besluiten 1, 2 en 3 heeft eiseres afzonderlijk bezwaar gemaakt. Voorts heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op haar verzoek d.d. 9 november 2009 tot verstrekken van haar bijstandsdossier (hierna: besluit 4). Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten 1 en 4 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard en de besluiten 2 en 3 – met enkele aanpassingen, waaronder de hoogte van het terug te vorderen bedrag – gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 februari 2011. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr . Van Delft, advocaat te Nijmegen en vergezeld van een tolk in de Engelse taal, mw. Crockett. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J. Bloemena, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Feiten

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op 22 december 1978 in Zuid-Afrika in het huwelijk getreden met [echtgenoot]. Het huwelijk is aangegaan op huwelijkse voorwaarden. Eind jaren ‘70 zijn zij naar Nederland gekomen. Op 8 juli 1983 hebben zij gezamenlijk een woning aan de [adres] en twee garages aan de [adressen] gekocht. In 1995 is eiseres met haar toenmalige echtgenoot en haar kinderen naar de Verenigde Arabische Emiraten geëmigreerd. In 1998 is de woning aan de [adres] te Beuningen verkocht. Op 23 augustus 2001 is eiseres zonder haar kinderen teruggekeerd naar Nederland en heeft zich een dag later in de gemeente Nijmegen gevestigd. Sinds 24 augustus 2001 ontvangt eiseres een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande aangevuld met een gemeentelijke toeslag, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). In 2002, 2003, 2008 en 2009 heeft heronderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiseres plaatsgevonden. In verband met het onderzoek in 2002 en 2003 heeft eiseres vragenlijsten ingevuld. Bij de vragen ‘heeft u en/of uw partner vermogen’ en ‘heeft u en/of uw partner nog andere inkomsten’ heeft eiseres telkens ‘nee’ ingevuld. In de andere twee jaren heeft telkens een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de bijstandsconsulent. Op de – zich onder de gedingstukken bevindende – inkomsten- en statusverklaringen heeft eiseres bij alle vragen telkens ‘nee’ ingevuld. Op 28 augustus 2003 heeft de rechter de ontbinding van het huwelijk tussen eiseres en [echtgenoot] uitgesproken. De ontbinding van het huwelijk is op 18 augustus 2004 ingeschreven.

Naar aanleiding van het project “kadastersignalen”, geïnitieerd door het Regionale Coördinatiepunt Fraudebestrijding, heeft een bestandskoppeling plaatsgevonden tussen het Kadaster en de gemeente Nijmegen. Hieruit is een kadastersignaal op naam van eiseres naar voren gekomen. Naar aanleiding van dit signaal heeft rapporteur R.V. van Es van de sociale recherche nader onderzoek verricht. Daartoe heeft Van Es het digitale Kadaster geraadpleegd, waaruit naar voren gekomen is dat eiseres voor de helft eigenaar is van onroerend goed, bestaande uit twee objecten, omschrijving berging-stalling (garage-schuur), aan de [adressen], dat deze sinds 23 oktober 1989 op naam staan en dat er geen hypotheek rust op deze objecten. Voorts heeft de rapporteur het bijstandsdossier van eiseres bestudeerd, contact gehad met de gemeente Beuningen onder meer omtrent de waarde van de objecten volgens de Wet waardering onroerende zaken en – tezamen met een collega – een buurtonderzoek gehouden te [percelen]. Verder hebben rapporteur en zijn collega eiseres gehoord. Daarbij heeft eiseres gebruik gemaakt van haar zwijgrecht en de verklaring niet ondertekend. Ten slotte heeft makelaar/taxateur W.G.A. Kamps op 9 november 2009 de twee objecten getaxeerd op € 30.000 totaal. Voorts heeft onderzoek van het echtscheidingsdossier plaatsgevonden. Van de bevindingen van het onderzoek is rapport opgemaakt d.d. 21 december 2009. Verweerder heeft op 15 oktober 2009 conservatoir beslag gelegd op het onroerend goed van eiseres.

Standpunten partijen

Ten aanzien van de besluiten 1 en 4 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn omdat het daarmee beoogde rechtsgevolg niet meer kan worden gerealiseerd, nu eiseres met ingang van 1 december 2009 bijstand is toegekend en aan haar inmiddels een kopie van haar bijstandsdossier is verstrekt. Ten aanzien van de besluiten 2 en 3 heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb (voor de periode tot 2005 artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw)) rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij voor de helft eigenaar is van onroerend goed in [plaats] en van de door haar in verband met de verhuur van deze garageboxen in de periode van 2002 tot en met 2009 ontvangen huurpenningen. Gelet hierop had eiseres over de periode van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009 geen recht op bijstand en is dit recht dan ook op goede gronden over die periode ingetrokken, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder de wegens de intrekking ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand ten bedrage van € 32.372,40 van eiseres teruggevorderd. Verweerder is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres op goede gronden vanaf 1 december 2009 tot 1 juni 2010 leenbijstand en daarna bijstand om niet toegekend heeft gekregen en dat aan het verlenen van bijstand terecht de verplichting tot het aanvragen van scheiding en deling terzake de onverdeelde boedel, te weten de twee garageboxen, als ook de ontheffing van de arbeidsverplichting zijn verbonden.

Eiseres kan zich met het verweerders standpunt niet verenigen en heeft dit gemotiveerd bestreden. Op hetgeen door haar in dit verband naar voren is gebracht, zal de rechtbank hieronder – waar nodig – ingaan.

Wettelijk kader

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb (voor de periode tot 1 januari 2005 artikel 65, eerste lid, van de Abw) is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is hieraan – vanaf 1 januari 2008 – nog toegevoegd dat deze verplichting niet geldt indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens voorgaande zin van toepassing is.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Beoordeling

Zoals uit het verhandelde ter zitting is gebleken is tussen partijen niet in geschil verweerders beslissing om de bezwaren van eiseres, gericht tegen de besluiten 1 en 4, niet-ontvankelijk te verklaren. Partijen zijn slechts verdeeld over verweerders beslissing om de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009 in te trekken, om van haar een bedrag van € 32.372,40 aan ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen en om haar over de periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.

Met betrekking tot de intrekking

Voorop staat dat de te beoordelen periode in het onderhavige geding betreft de periode van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres sinds 23 oktober 1989 mede-eigenaar is van onroerend goed, zijnde twee garageboxen aan de [adressen]. Voorts is niet in geschil dat eiseres deze garageboxen met ingang van het jaar 2002 heeft verhuurd, dat zij hiervoor jaarlijks een huurcontract opstelde en dat zij de huurpenningen jaarlijks in november/december in een hotel in Nijmegen contant in ontvangst nam. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat eiseres van de mede-eigendom en van de ontvangen huurpenningen geen mededeling heeft gedaan aan verweerder.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie onder meer de uitspraak van 21 juli 2009, LJN BJ4699) rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in de openbare registers op naam van de betrokkene zijn gesteld de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover de betrokkene beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Inlichtingen over een op naam van de betrokkene staande onroerende zaak - maar ook over het ontvangen van huurpenningen - zijn onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand.

Het betoog van eiseres, dat zij van de mede-eigendom van de garageboxen geen mededeling hoefde te doen, is onjuist. Nog daargelaten het feit dat de redactie van artikel 17, eerste lid, van de Wwb ten gevolge van de invoering van de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen eerst met ingang van 1 januari 2008 is gewijzigd (Stb. 2007, 556), is in artikel 5.2a, eerste lid, van het Besluit Suwi bepaald dat in bijlage II is vermeld welke gegevens niet van de belanghebbende worden verkregen en uit welke bron deze gegevens afkomstig zijn. In bijlage II is het Kadaster niet opgenomen. Ook uit de Regeling Suwi volgt niet dat verweerder gegevens omtrent de mede-eigendom had kunnen vergaren. Dat betekent dat de uit artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de Wwb voortvloeiende verplichting in de periode in geding onverkort op eiseres van toepassing was.

Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld, dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij eerst bij kennisneming van de stukken uit het Kadaster, die haar door de sociaal rechercheur zijn voorgehouden, op de hoogte is geraakt van het feit dat zij mede-eigenaar was van het onroerend goed. Haar ex-echtgenoot heeft haar daarvan nimmer op de hoogte gesteld. Voorts was zij ten tijde van de aankoop van het huis en de garageboxen wegens haar matige beheersing van de Nederlandse taal niet in staat om de notariële akte, die zij weliswaar heeft ondertekend, te lezen en te begrijpen en was zij niet aanwezig bij de verkoop van het huis in 1998. In dit verband wijst eiseres onder meer op de – zich onder de gedingstukken bevindende – verklaring van haar ex-echtgenoot.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten aanzien van de mede-eigendom de op haar rustende inlichtingenverplichting wél heeft geschonden omdat zij bekend was, dan wel verondersteld kon worden bekend te zijn, met het feit dat zij voor 1/2 deel mede-eigenaar was van de twee garageboxen. De rechtbank kent hierbij doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat eiseres de documenten voor de aankoop van de garageboxen in 1983 mede heeft ondertekend, welke ondertekening onbetwist is gebleven. Dat eiseres, zoals zij stelt, niet wist wat de documenten precies inhielden, nu zij de Nederlandse taal toentertijd onvoldoende machtig was, komt voor haar rekening en risico. Ook de stelling, dat zij niet aanwezig was bij de verkoop van het huis, waarbij de garageboxen niet zijn verkocht, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft voor die transactie wel een machtiging overgelegd en het had op haar weg gelegen zich (bij haar ex-echtgenoot) te vergewissen wat de gevolgen waren van de verkoop van het huis voor haar mede-eigendom van de garageboxen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres ook haar inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de door haar vanaf 2002 ontvangen huurpenningen. Nu eiseres degene is geweest die de huurpenningen in ontvangst heeft genomen, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit geldbedrag ten tijde van belang bestanddeel vormde van de middelen waarover eiseres beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Eiseres heeft verklaard dat zij het geldbedrag heeft gegeven aan haar kinderen, zodat zij daar niet over kon beschikken. De rechtbank overweegt dat deze verklaring weliswaar wordt ondersteund door de verklaringen van de kinderen van eiseres en van de ex-echtgenoot, maar dat deze niet verder zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Voorts volgt de rechtbank niet haar stelling dat de helft van de huuropbrengsten van haar ex-echtgenoot zijn en zij derhalve tot dat bedrag een schuld heeft bij hem. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB dient een schuld aannemelijk te zijn en dient daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te zijn verbonden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hiervan niet is gebleken. Dit betekent dat aannemelijk is dat eiseres in de periode van 2002 tot en met 2009 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de door haar ontvangen huurpenningen, waarvan zij aan verweerder geen mededeling heeft gedaan.

De stelling van eiseres, dat zij niet bewust geen mededeling heeft gedaan van de mede-eigendom dan wel van de ontvangst van huurpenningen, leidt niet tot een ander oordeel, nu bewust handelen of opzet niet is vereist om een schending van de inlichtingenplicht aan te nemen. Het moet eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de mede-eigendom en het ontvangen van huurpenningen van invloed kon zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand.

Gesteld noch gebleken is dat eiseres niet vrijelijk over haar deel van het vermogen (garageboxen) kon beschikken. Dat betekent dat eiseres op 24 augustus 2001 maar ook nog op 1 december 2009 over vermogen beschikte dat hoger was dan de voor haar ingevolge de Abw respectievelijk de Wwb geldende vrij te laten vermogensgrens.

Gelet op het karakter van de bijstandswetgeving als laatste bestaansvoorziening mag in redelijkheid van eiseres worden verlangd dat zij het in de garageboxen gebonden vermogen door verkoop te gelde maakt en dit liquide gemaakte vermogen, voor zover dit meer zal bedragen dan de toepasselijke vermogensgrens, vervolgens gaat aanwenden voor haar levensonderhoud.

Verweerder is, gelet op het taxatierapport, uitgegaan van een waarde van de garageboxen van € 30.000. Eiseres heeft dit bedrag betwist, doch hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven. Nu eiseres niet heeft betwist dat de waarde in 2001 anders was dan € 30.000, is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht vanuit gegaan dat het vermogen van eiseres gebonden in de garageboxen € 15.000 bedroeg. Nu de voor eiseres geldende vrij te laten vermogensgrens in de in geding zijnde periode lager was dan € 15.000 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009 geen recht op bijstand had. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb de aan eiseres verleende bijstandsuitkering over de periode van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009 in te trekken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Met betrekking tot de terugvordering

Ten aanzien van de huurpenningen overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verklaringen van de huurders, terecht op het standpunt gesteld dat eiseres voor de jaren 2002 tot 2004 € 800 per jaar en voor de jaren 2005 tot en met 2009 € 1.000 per jaar per garagebox (terwijl voor één garagebox de huur voor het jaar 2009 € 900 bedroeg), derhalve totaal € 14.700, heeft ontvangen. Eiseres heeft dit bedrag weliswaar betwist, doch die betwisting op geen enkele wijze onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de huurpenningen, hoewel deze jaarlijks ineens werden betaald, moeten worden toegerekend naar de afzonderlijke maanden van het betreffende jaar. Eiseres heeft deze berekeningswijze betwist. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Wwb wordt de bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. Het tweede lid van dit artikel biedt het college evenwel de mogelijkheid om – uit oogpunt van het individualiseringsbeginsel – wat betreft de vaststelling van bijstand af te wijken van het eerste lid. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij dit artikellid (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3) ligt het in de rede dat de bepaling toepassing zal vinden in de situatie dat het patroon van inkomensverwerving en de hoogte van het inkomen daartoe aanleiding geeft. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavig geval analoog is aan de in de MvT bedoelde situatie. Weliswaar is geen sprake van inkomen maar van middelen maar vast staat dat deze middelen slechts één maal per jaar werden verworven. Ook de hoogte van de middelen maakt het dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 45 van de Wwb en de – hierboven vermelde – huurpenningen, die jaarlijks ineens werden verkregen, toe te rekenen naar de afzonderlijke maanden gedurende welke het huurcontract gold. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de berekening terugvordering over de periode van 1 januari 2002 tot 1 december 2009, zoals gevoegd bij het bestreden besluit, onjuist te achten is.

Gelet op het vorenoverwogene is aan eiseres in de in geding zijnde periode, waarin haar recht op bijstand is ingetrokken, ten onrechte bijstand verleend. Verweerder is op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd om de kosten van bijstand die haar ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag zijn betaald terug te vorderen. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder, door een bedrag van € 32.372,40 (€ 9.545 wegens vermogen en € 22.827,40 wegens ontvangen huurpenningen) van eiseres terug te vorderen, niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Met verweerder is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De stelling van eiseres dat zij door de strafrechter is vrijgesproken van bijstandsfraude kan haar niet baten. Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2009, LJN BH2440), is de bestuursrechter niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, te minder nu in een strafzaak een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De beslissing van de strafrechter geeft de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat van vermogen en ontvangen middelen geen sprake was. Dat eiseres zich door het onderzoek van de sociale recherche, onder meer het buurtonderzoek, als verdachte voelt aangemerkt en in haar goede naam en eer voelt aangetast, komt voor haar rekening en risico. Door het schenden van de inlichtingenplicht heeft eiseres voornoemd onderzoek over zich afgeroepen.

Met betrekking tot de toekenning van bijstand met ingang van 1 december 2009

Ten aanzien van verweerders beslissing om eiseres met ingang van 1 december 2009 bijstand naar de norm van een alleenstaande toe te kennen, verschillen partijen slechts over het feit dat verweerder deze bijstand over de periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb in de vorm van leenbijstand in plaats van om niet heeft verleend.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat eiseres op korte termijn over voldoende middelen van bestaan zou kunnen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op of omstreeks 1 december 2009 niet was uitgesloten dat eiseres haar aandeel in de garageboxen kon verkopen. Immers, uit de verklaring van haar ex-echtgenoot volgt dat deze bereid is haar deel over te nemen. Evenwel, vast staat dat eiseres wegens de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 24 augustus 2001 tot 1 december 2009 bij verweerder een openstaande schuld heeft van € 32.372,40. Verweerders – ter zitting ingenomen – standpunt dat geen rekening gehouden kan worden met aflossing van de bij verweerder nog openstaande schuld, omdat deze schuld moet worden aangemerkt als een incourante vordering, nu eiseres binnenkort een onvolledig ouderdomspensioen zal gaan ontvangen dat lager is dan de beslagvrije voet, kan de rechtbank niet volgen. Vast staat dat verweerder bij de bestreden beslissing een terugvorderingsbesluit heeft genomen waaraan een aflossingsverplichting is verbonden. Hieruit volgt dat sprake is van een schuld. Gesteld noch gebleken is dat verweerder heeft besloten af te zien van de aflossingsverplichting dan wel om niet over te gaan tot invordering. Dientengevolge is het niet aannemelijk dat eiseres, gelet op de inhoud van het taxatierapport, na de verkoop van haar deel van de eigendom van de garageboxen en na aflossing van (een deel van) de nog openstaande schuld bij verweerder, over voldoende bestaansmiddelen zou beschikken. Voorgaande betekent dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb tot het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval één van de overige gevallen als genoemd in het tweede lid van de artikel 48 van de Wwb van toepassing zijn, zodat verweerder gehouden was eiseres met ingang van 1 december 2009 bijstand om niet te verlenen.

Conclusie en proceskosten

Voorgaande betekent dat de stellingen van eiseres tegen verweerders beslissing haar bijstandsuitkering in te trekken en terug te vorderen tot een bedrag van € 32.372,40 geen doel treffen. Wel slaagt haar beroepsgrond met betrekking tot verweerders beslissing haar over de periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen. Dientengevolge is het bestreden besluit in zoverre onrechtmatig en zal dat worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om ingevolge het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien als hierna vermeld.

Proceskosten in bezwaar

Eiseres heeft betoogd dat verweerder ten aanzien van de proceskosten in bezwaar met betrekking tot besluit 4 ten onrechte als gewicht slechts 0,25 punt heeft toegekend. Dit betoog slaagt niet. Gelet op bestendige jurisprudentie terzake heeft verweerder terecht besloten als gewicht 0,25 punt toe te kennen, nu het hier gaat om een bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Dat betekent dat eiseres voor het indienen van het bezwaarschrift € 109,25 toekomt (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift maal 0,25 maal € 437). Nu verweerder eiseres een bedrag van € 145,66 heeft toegekend, is zij niet in haar belangen geschaad.

Proceskosten in beroep

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin is bepaald dat eiseres over de periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 bijstand is verleend in de vorm van een geldlening;

- bepaalt dat eiseres over de periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 bijstand om niet wordt verleend naar de voor haar geldende bijstandsnorm;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 874;

- bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

- bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 22 maart 2011.