Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9263

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10-1648
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0049, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand, langdurigheidstoeslag en bijdrage maatschappelijke participatie (Geld-Terug-Regeling). Wettelijke grondslag. Artikel 4:125 van de Awb. Bijkomende beschikking. Verzwegen werkzaamheden en onroerend goed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1648

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 10 maart 2011.

inzake

[eisers], eiseres,

tezamen te noemen: eisers,

beiden wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G.J.P.C.G. Verheijen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 april 2010.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft verweerder de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) van eisers met ingang van 27 december 2001 ingetrokken. Voorts heeft verweerder de in 2003 tot en met 2009 verstrekte langdurigheidstoeslag en de in 2007 tot en met 2009 verstrekte bijdragen maatschappelijke participatie (geldterugregeling) ingetrokken. Tot slot zijn bij dat besluit de gemaakte kosten van bijstand, langdurigheidstoeslag en maatschappelijke participatie over de periode van 27 december 2001 tot en met 30 september 2009 tot een bedrag van in totaal € 134.097,65 teruggevorderd.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 oktober 2009 gehandhaafd.

2.3. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 4 februari 2011. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn dochter [dochter] en door mr. Verheijen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.J.F. Widdershoven, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.2. Eisers ontvingen met ingang van 7 juli 1994 tot en met 30 september 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wwb.

3.3. Naar aanleiding van binnengekomen informatie dat eiser werkzaamheden zou verrichten in België en Duitsland, alsmede dat eisers over onroerende goederen zouden beschikken in voormalig Joegoslavië, heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) een rechtshulpverzoek in België uitgevoerd, is om informatie bij het Internationaal Bureau Fraude-informatie verzocht en hebben eisers verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 oktober 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit van 1 oktober 2009 te nemen en dit besluit bij het bestreden besluit te handhaven.

3.4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers hebben verzwegen dat zij konden beschikken over vermogen gebonden in onroerend goed in voormalig Joegoslavië en over inkomsten uit werkzaamheden in België.

3.5. Eisers menen wel aan de inlichtingenverplichting te hebben voldaan. Zij betwisten dat er sprake is van inkomsten uit werkzaamheden. Ook betwisten zij over vermogen te beschikken in verband met op hun naam geregistreerde onroerende goederen in voormalig Joegoslavië.

3.6. De rechtbank overweegt als volgt.

3.7. Eisers hebben in beroep het zogenaamde bruteringsbesluit van 25 januari 2010 en hun bezwaren daartegen overgelegd. Bij dit besluit heeft verweerder het saldo van de teruggevorderde bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009 van € 11.740,64 verhoogd met € 1.860,04 wegens aan de Belastingdienst afgedragen loonheffing, en het nieuwe saldo vastgesteld op € 13.600,68.

3.8. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 25 januari 2010 een bijkomende beschikking betreft als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling is opgenomen in de met de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht ingevoerde titel 4.4. van de Awb, die op 1 juli 2009 in werking is getreden. De toelichting bij deze bepaling vermeldt dat is gekozen om een voorziening te bieden, die is ontleend aan het huidige artikel 6:19 van de Awb om te voorkomen dat, naast de beschikking tot betaling, tegen iedere afzonderlijke beschikking bezwaar wordt gemaakt of beroep ingesteld, hetgeen om proceseconomische redenen niet wenselijk wordt geacht (zie Kamerstukken II, 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 69). Op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb wordt onder meer als bijkomende beschikking aangemerkt, de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de geldsom waarbij de verplichting tot betaling is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat dit artikelonderdeel zo moet worden uitgelegd dat hieronder tevens de vermeerdering van de geldsom, zoals hier aan de orde, is bedoeld. Verweerder had het bezwaar tegen dit besluit dan ook ingevolge artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank door moeten zenden. Ondanks dat verweerder dit heeft nagelaten, heeft dit er niet aan in de weg gestaan dat de rechtbank deze beschikking ter zitting aan de orde heeft kunnen stellen, omdat eisers de beschikking en hun bezwaren hiertegen, hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve de bijkomende beschikking van 25 januari 2010 bij het onderhavige beroep betrekken.

3.9. Zoals ter zitting is besproken, is in het bestreden besluit op pagina 5 per abuis vermeld dat de bijstand met ingang van juni 2001 wordt ingetrokken, terwijl hier met ingang van 27 december 2001 wordt bedoeld.

3.10. De rechtbank stelt vast dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de beoordelingsperiode van een intrekkingsbesluit in een situatie als hier aan de orde waar geen einddatum is vermeld, de periode bestrijkt tot en met het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 27 december 2001 tot en met 1 oktober 2009.

3.11. Ter zitting is besproken dat verweerder de langdurigheidstoeslag 2003 ter hoogte van € 290 ten onrechte op grond van de Wwb heeft ingetrokken en teruggevorderd, aangezien deze verstrekking niet zijn grondslag vindt in de Wwb, maar in eigen gemeentelijk beleid.

Hetzelfde geldt voor de intrekking en terugvordering van de bijdragen maatschappelijke participatie voor in totaal € 300. Deze bijdragen berustten eveneens op eigen gemeentelijk beleid. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor wat betreft deze beide posten voor vernietiging in aanmerking.

3.12. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder het bestreden besluit enerzijds heeft gebaseerd op de overweging dat het recht op uitkering niet is vast te stellen en anderzijds op de overweging dat eisers steeds de beschikking hebben gehad over vermogen boven het vrij te laten vermogen. In zoverre had verweerder het recht op bijstand wél kunnen vaststellen. Vanwege deze innerlijke tegenstrijdigheid komt het bestreden besluit ook voor het overige voor vernietiging in aanmerking.

3.13. De rechtbank zal, gelet op het belang om het geschil finaal te beslechten, nagaan in hoeverre de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten, dan wel in hoeverre zij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, zelf in de zaak kan voorzien.

3.14. De rechtbank ziet met betrekking tot de langdurigheidstoeslag 2003 en de bijdragen maatschappelijke participatie 2007 tot en met 2009 om te beginnen aanleiding het primair besluit van 1 oktober 2009 voor wat betreft de intrekking in zoverre te herroepen omdat ieder aanknopingspunt op basis waarvan deze intrekking stand zou kunnen houden, ontbreekt. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om het bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de mededeling dat terugvordering op grond van het Burgerlijk Wetboek zal plaatsvinden geen besluit betreft. De rechtbank verwijst in dit verband ook nog naar de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2010, LJN BL5547.

3.15. Met betrekking tot de intrekking en terugvordering van de bijstand van eisers (met inbegrip van de langdurigheidstoeslag 2004 tot en met 2009) overweegt de rechtbank het volgende.

3.15.1. Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksresultaten, gelet op het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en de daarbij behorende bijlagen van de SIOD van 21 april 2009, voldoende feitelijke grondslag bieden om vast te stellen dat eiser in de maanden oktober en november 2006 en de periode van maart 2007 tot en met augustus 2007 en op 1 september 2007 tegen betaling werkzaamheden op het bedrijfsterrein van BASF te Antwerpen in België heeft verricht. De niet nader onderbouwde stelling van eisers dat misbruik moet zijn gemaakt van zijn persoonsgegevens waardoor iemand anders onder zijn naam werkzaam was, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de strenge toegangsprocedure die bij de werf werd gehanteerd. Uit de bij het proces-verbaal bijgevoegde overzichten blijkt verder dat eiser in genoemde periode gemiddeld meer dan 32 uur per week werkzaam was en minimaal € 12 per uur verdiende. Eisers hebben ten onrechte de werkzaamheden niet gemeld, terwijl het voor hen redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat dit van belang was voor de beoordeling van het recht op bijstand.

3.15.2. Met betrekking tot de onroerende goederen in voormalig Joegoslavië overweegt de rechtbank het volgende.

3.15.3. Uit het uittreksel van het overeenkomstenregister te Tuzla, Bosnië-Herzegovina, blijkt dat op naam van eisers, ieder voor de helft, sinds 27 december 2001 een tweekamerappartement te Tuzla staat geregistreerd. Verder blijkt uit twee overzichten van de dienst Geodesie en Vermogens-Juridische zaken te Tuzla, Bosnië-Herzegovina, dat eiseres sinds 2 september 1990 voor 1/5 deel eigenaar is van twee huizen met hofjes en grond te Tuzla. Ook blijkt uit de lijst onroerend goed van de Directie Onroerend Goed van de Republiek Montenegro dat op naam van eiser de eigendom van een huis met grond te Kumbor staat geregistreerd. De zich eveneens bij de gedingstukken bevindende verklaring onroerend goed te Veternik, dat verweerder ook tot het vermogen van eisers heeft gerekend, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de status van deze verklaring onduidelijk is.

3.15.4. Ter zitting is besproken dat de eigendomsregistraties van de hiervoor genoemde onroerende goederen in Tuzla en Kumbor op zich juist zijn, maar dat het tweekamerappartement in Tuzla op 16 februari 2010 is verkocht en dat de eigendomsregistratie van het onroerend goed in Kumbor ten onrechte op naam van eiser staat. De moeder van eiser is een gerechtelijke procedure gestart om de registratie op naam van eiser ongedaan te maken.

3.15.5. Naar vaste rechtspraak van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 20 oktober 2009, LJN BK1199, rechtvaardigt het feit dat de eigendom van een onroerend goed is geregistreerd op naam van een uitkeringsgerechtigde de vooronderstelling dat dit onroerend goed een bestanddeel vormt van diens vermogen. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De rechtbank is van oordeel dat eisers hierin niet zijn geslaagd. De verkoop van het tweekamerappartement heeft plaatsgevonden na de beoordelingsperiode zodat dit onroerend goed gedurende de periode hier in geding op naam van eisers stond geregistreerd en daarmee tot hun vermogen gerekend dient te worden. Eisers hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de onroerende goederen in Tuzla, die voor 1/5 deel op naam van eiseres staan, niet tot hun vermogen gerekend kunnen worden. Dat het lastig is, zoals eiseres stelt, om alle partijen bij elkaar te brengen om een eventuele verkoop of uitkoop te bespreken, maakt niet dat de betreffende onroerende goederen niet tot het vermogen van eisers gerekend kunnen worden. Bovendien hebben eisers geen onderbouwing gegeven van de activiteiten die zij in dit verband hebben ondernomen. Ook van het onroerend goed op naam van eiser in Kumbor is, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat dit niet tot het vermogen van eisers kan worden gerekend. Weliswaar heeft er een gerechtelijke procedure plaatsgevonden, waarbij de rechtbank van eerste aanleg in Herceg Novi de vordering van de moeder, om de eigendomsregistratie op naam van eiser ongedaan te maken, heeft toegewezen, maar de rechtbank acht van belang dat deze procedure is gevoerd na de hier te beoordelen periode. Ook acht de rechtbank van belang dat er geen vonnis is gewezen op tegenspraak omdat eiser zich bij de vordering van zijn moeder heeft neergelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onroerend goed in Kumbor voor de hier te beoordelen periode tot het vermogen van eisers gerekend dient te worden.

3.15.6. Eisers hebben ten onrechte verweerder niet ingelicht over de op hun naam staande onroerende goederen, terwijl zij redelijkerwijs konden begrijpen dat dit van belang was voor de beoordeling van het recht op bijstand. Eisers hebben hun standpunt dat zij de onroerende goederen niet konden melden omdat zij hiervan niet op de hoogte waren, onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat eisers erkennen dat zij wel op de hoogte waren van het bezit van het tweekamerappartement in Tuzla, terwijl zij dit ook niet hebben gemeld. Het was vervolgens aan eisers om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen wat de waarde van de onroerende goederen ten tijde van belang was, zie ook de uitspraak van de CRvB van 1 december 2009, LJN BK6362. De door eisers ingebrachte gegevens zijn daartoe niet voldoende te achten.

3.15.7. Uit hetgeen onder 3.15.1 tot en met 3.15.6 is overwogen volgt dat eisers de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de Wwb op hun rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij gedurende de periode dat eiser werkzaamheden bij BASF in Antwerpen, België, heeft verricht geen recht op bijstand hadden en dat voor de overige periode het recht op bijstand niet is vast te stellen vanwege ontbrekende inlichtingen over de hoogte van het vermogen. Verweerder was derhalve met ingang van 27 december 2001 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd de bijstand van eisers in te trekken. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand, in stand te laten.

3.15.8. Uit hetgeen onder 3.15.7 is overwogen volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb is voldaan. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het terugvorderingsbedrag, onder herroeping van het primaire besluit van 1 oktober 2009 in zoverre, vast te stellen op € 133.507,65.

3.15.9. Uit hetgeen onder 3.15.8 is overwogen blijkt dat verweerder de netto kosten van bijstand over 2009 mocht terugvorderen. Verweerder was dan ook op grond van artikel 58, vierde lid, van de Wwb bevoegd om met ingang van 1 januari 2010 die vordering te verhogen met de op deze terugvordering betrekking hebbende kosten. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het beroep tegen deze bijkomende beschikking zal dan ook ongegrond worden verklaard.

3.16. De kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar hebben gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eisers hebben niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 voor kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eisers met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand hebben geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

3.17. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb,

tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primair besluit van 1 oktober 2009 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de langdurigheidstoeslag 2003 en de bijdragen maatschappelijke participatie 2007 tot en met 2009;

verklaart het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2009 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering van de langdurigheidstoeslag 2003 en de bijdragen maatschappelijke participatie van 2007 tot en met 2009 niet-ontvankelijk;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van bijstand van eisers, in stand blijven;

stelt het terugvorderingsbedrag van de bijstand, onder herroeping van het primaire besluit van 1 oktober 2009 in zoverre, vast op € 133.507,65;

verklaart het beroep tegen de bijkomende beschikking van 25 januari 2010 ongegrond;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt dat verweerder het door eisers in beroep betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, en mr. E. Klein Egelink en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 10 maart 2011.