Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9053

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
09/1195 en 09/1196
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU7869, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing van verzoek om handhaving. In bezwaar is eiser uitsluitend opgekomen tegen het niet toewijzen van het verzoek op vier specifieke onderdelen. In de beslissing op bezwaar is het handhavingsbesluit met deze vier onderdelen uitgebreid. Onderdelenfuik: Art. 6:13 Awb verzet zich ertegen dat eiser in beroep opkomt tegen het niet toewijzen van andere, in bezwaar niet genoemde onderdelen van het handhavingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4821
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 09/1195 en 09/1196

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 1 febru[eisers], eisers (09/1196),

respectievelijk gevestigd [woonplaats]estigingsplaatsen], en wonende te [woonplaats],

vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 4 februari 2009.

2. Procesverloop

Bij 16 separate besluiten van 22 juli 2008 heeft verweerder het verzoek van [Eiser I] (verder: [eiser I]) om handhavend op te treden tegen diverse overtredingen aan de [adressen], gedeeltelijk toegewezen.

Verweerder heeft bij deze besluiten [eisers], elk onder oplegging van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 200.000, gelast om binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van de brief:

1. de illegaal gebouwde brug en de container op het perceel aan de [adres I] geheel te verwijderen en verwijderd te houden;

2. het illegaal gebouwde kantoor met magazijn, het raam aan de achterzijde, de dakconstructie (met losse dakplaten) en de reclamemast op het perceel [adres II] geheel te verwijderen en verwijderd te houden;

3. de nissenhut, de verharding van het perceel, de opslag van ijzer- en kunststofwaren, de gasflessen en de opslag van hout op het perceel [adres II] geheel te verwijderen en verwijderd te houden, en

4. het verkooppunt van gasflessen en de exploitatie van een uitzendbureau aan de [adres II] geheel te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de datum van de beslissing op bezwaar.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder het door [eisers] (verder: [eisers]) ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het door [eiser I] ingediende bezwaar gegrond verklaard. De eerder genoemde besluiten zijn in stand gelaten en aangevuld in die zin dat de last onder dwangsom tevens geldt voor:

a. het verwijderen en verwijderd houden van de paal in de weg;

b. het verwijderen en verwijderd houden van de tankauto met brandstof;

c. het verwijderen en verwijderd houden van drie containers achter de nissenhut;

d. het verwijderen en verwijderd houden van een tweetal ramen in het kantoor/magazijn in afwijking van de verleende bouwvergunning van 9 november 1982.

Tegen deze besluiten is door [eiser I] en door [eisers] beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van een meervoudige kamer van de rechtbank van 12 november 2010. [eiser I] is aldaar verschenen, in persoon, bijgestaan door mr. R.H.M. Sipman, advocaat te Nijmegen en kantoorgenoot van mr. J.W. van der Linde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.M. Willemse, werkzaam bij de gemeente. [Eisers] hebben zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Het beroep van [eiser I]

3.1. In het verzoek namens [eiser I] van 22 juni 2007 om handhavend optreden ter zake van de percelen van [eisers] is een uitgebreide, als niet-limitatief aangeduide lijst van vermeende overtredingen opgenomen.

Na een controlebezoek door gemeentelijke controleurs op deze percelen is door verweerder een handhavingstraject opgestart. In reactie op de door verweerder aan [eisers] toegezonden vooraankondiging handhaving, is verweerder namens [eiser I] bij brief van 5 februari 2008 gewezen op een negental gestelde overtredingen, genoemd in het verzoek van 22 juni 2007, die volgens hem ten onrechte niet in de vooraankondiging waren opgenomen. Aangegeven is:

"Ik verzoek u (…) uw aanschrijving met bovengenoemde onderwerpen uit te breiden, bij gebreke waarvan cliënten dit zullen aanmerken als een weigering om handhavend op te treden."

Vervolgens heeft verweerder, in vervolg op de vooraankondiging, de primaire besluiten genomen, waarbij [eisers] zijn aangeschreven om een viertal overtredingen ongedaan te maken (aangeduid met de nummers 1 t/m 4).

In het hiertegen gerichte bezwaarschrift van [eiser I] is naar voren gebracht:

"In de aanschrijvingen ontbreken evenwel een aanschrijving met betrekking tot een in de weg geplaatste paal, de aanwezigheid van een tankauto met brandstof, alsmede de aanwezigheid van drie containers gedurende zeer lange tijd achter de nissenhut ter plaatse en de aanwezigheid van een tweetal ramen in het kantoor/magazijn in afwijking van het vergunde enkele raam.

Gaarne verzoek ik u alsnog tot aanschrijving ter zake over te gaan. Voor zoveel u daartoe bewust niet besloten hebt gelieve u dit als een bezwaarschrift ter zake aan te merken."

In het bestreden besluit heeft verweerder besloten tegen elk van deze gestelde vier overtredingen alsnog handhavend op te treden en de lastgeving in die zin uit te breiden (aangeduid met de letters a. t/m d.).

3.1.1. [eiser I] heeft zich, samengevat, in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat het verzoek om handhaving slechts gedeeltelijk is toegewezen en daarmee impliciet gedeeltelijk is afgewezen. Volgens hem is ten onrechte niet ingegaan op de negen gestelde overtredingen, genoemd in de brief van 5 februari 2008. [eiser I] heeft zich op het standpunt gesteld dat een motivering hiervoor in het aan hem gerichte bestreden besluit ontbreekt en dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

Ter zitting is namens [eiser I] naar voren gebracht dat volgens hem, in tegenstelling tot het in het beroepschrift nog ingenomen standpunt, geen sprake is van een gedeeltelijke impliciete weigering om handhavend op te treden, maar dat het beroep geacht moet worden te zijn gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om handhaving.

3.1.2. De rechtbank volgt [eiser I] niet in zijn betoog. De rechtbank overweegt dat uitsluitend beroep openstaat tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en niet tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag. Vast staat dat verweerder een beslissing op het bezwaar van [eiser I] heeft genomen, waarbij de vier gestelde overtredingen die [eiser I] in bezwaar naar voren heeft gebracht zijn betrokken. In zoverre is in elk geval geen sprake van een onvolledige heroverweging van het primaire besluit. Voorts staat vast dat is besloten op het handhavingsverzoek, de aanvraag, van [eiser I]. Voor zover [eiser I] betoogt dat ten aanzien van bij brief van 5 februari 2008 vermelde overtredingen niet is beslist, is de rechtbank van oordeel dat daarover bij de besluiten in primo moeten worden geacht te zijn beslist, in die zin dat de aanvraag van [eiser I] in zoverre is afgewezen, nu ter zake geen last is opgelegd en deze vermeende overtredingen wel expliciet in het handhavingsverzoek zijn genoemd. Het had op de weg van [eiser I] gelegen om reeds in bezwaar naar voren te brengen dat ten onrechte niet ten aanzien van deze vermeende overtredingen een last is opgelegd. De rechtbank is niet gebleken dat [eiser I] niet redelijkerwijs kan worden verweten dat te hebben nagelaten. Mede gelet op de in geding zijnde belangen van derden ([eisers]) moet een afwijzing van een dergelijk specifieke aanvraag in zoverre als een afzonderlijk onderdeel van de beslissing in primo worden aangemerkt, waartegen eerst beroep mag worden ingesteld indien daartegen bezwaar is gemaakt, zo volgt uit artikel 6:13 van de Awb. Het in beroep weer teruggrijpen op in het handhavingsverzoek genoemde overtredingen die in bezwaar nadrukkelijk niet meer aan de orde zijn gesteld, mag aldus niet.

3.2. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van [eiser I] tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Zijn beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [eisers]

3.3. De lastgeving ziet op vermeende overtredingen op de percelen [adres I] en [adres II] te [plaats]. [Eisers] zijn eigenaar en/of gebruiker van deze percelen.

3.4 Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Niet in geschil is dat de op 23 juli 1991 verleende tijdelijke bouwvergunning en vrijstelling voor het plaatsen van de nissenhut niet langer van kracht is. Voorts is niet in geschil dat voor de overige bouwwerken waarop de reeds in het primaire besluit opgenomen lastgeving betrekking heeft, te weten de brug en container op het perceel [perceel] en het kantoor met magazijn, het raam aan de achterzijde, de dakconstructie en de reclamemast op het perceel [adres II], bouwvergunningen zijn vereist en deze niet zijn verleend. De rechtbank stelt dan ook met verweerder vast dat in zoverre sprake is van strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat verweerder op grond daarvan bevoegd was handhavend op te treden.

3.5 Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1981" heeft het perceel [adres I] de bestemming "Agrarisch gebied". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is de als zodanig aangewezen grond bestemd voor één of meer vormen van agrarisch grondgebruik.

Ingevolge hetzelfde bestemmingsplan heeft het perceel [adres II] gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1986 nr. 2" heeft het overige gedeelte van dit perceel de bestemming "Ambachtsbedrijf klasse B". Op grond van artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften, is de als zodanig aangewezen grond bestemd voor ambachtsbedrijven met daartoe behorende verkoopruimten, bedrijfsruimten, opslagruimten, kantoren, een dienstwoning, noodzakelijk voor toezicht en/of beheer, bergruimten, garages, erven, tuinen, parkeergelegenheid, andere bouwwerken en andere werken.

3.5.1. [Eisers] hebben gesteld dat het door verweerder genoemde uitzendbureau slechts een eenmanszaak aan huis betreft, waar geen mensen worden ontvangen.

Voor zover [eisers] hebben beoogd te betogen dat van een gebruik in strijd met de geldende bestemming onvoldoende is gebleken, faalt dat betoog. Daargelaten de vraag of ten behoeve van het uitzendbureau gebruik wordt gemaakt van busjes, zoals [eiser I] stelt, heeft verweerder aan de hand van uittreksels van de Kamer van Koophandel genoegzaam aannemelijk mogen achten dat er sprake is van een bedrijf waar twee personen werkzaam zijn. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit gebruik ter plaatse is toegestaan. Een functioneel verband tussen de geldende bestemming en een uitzendbureau is niet aangetoond.

3.5.2. Ten aanzien van de opslag hebben [eisers] zich op het standpunt gesteld dat burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Heteren bij brief van 16 maart 2000 toestemming hebben verleend voor het tijdelijk opslaan van goederen op het perceel [adres II], tot het moment van oplevering van de sanering. Nu de sanering nog niet is opgeleverd, is deze toestemming volgens [eisers] nog van kracht.

Dit betoog faalt eveneens. In de bedoelde brief is aangegeven dat uitsluitend toestemming wordt verleend voor tijdelijke opslag van goederen die direct verband houden met de sanering van een perceel aan de [adres]. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, is niet gebleken dat de goederen waarop de lastgeving ziet met de bedoelde sanering welke feitelijk al enige tijd niet meer plaatsvindt verband houden.

3.5.3. Niet in geschil is dat de overige werken en activiteiten waarop de reeds in het primaire besluit opgenomen lastgeving betrekking heeft (de verharding en de verkoop van gasflessen op het perceel [adres II]) in strijd zijn met het geldende gebruiksvoorschrift. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de planvoorschriften, is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

3.6. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit niet is vermeld op welke overtreden voorschriften de in het bestreden besluit opgenomen aanvullingen op de lastgeving (a. t/m d.) zijn gebaseerd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 5:24, tweede lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang (thans artikel 5:9, aanhef en onder a, van de Awb). Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank vervolgens bezien in hoeverre zij het geschil definitief kan beslechten.

3.6.1. Ten aanzien van de in de weg geplaatste paal hebben [eisers] zich op het standpunt gesteld dat deze bouwvergunningsvrij is. Ter zitting is dat van de zijde van verweerder niet ontkend en is verklaard dat de lastgeving verband houdt met plaatsing van de paal op gemeentegrond. Namens [eiser I] is betoogd dat de paal wellicht met een verkeersbord gelijkgesteld zal moeten worden en aldus in strijd met verkeersregelgeving is.

Nu onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vraag of de geplaatste paal daadwerkelijk in strijd met enige publiekrechtelijke regelgeving is (waarop de in artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid tot handhaving betrekking heeft) bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de in het bestreden besluit aangevulde lastgeving, voor zover deze ziet op het verwijderen en verwijderd houden van de paal in de weg, in stand te laten.

3.6.2. Ten aanzien van de tankauto met brandstof is eveneens door [eisers] betwist dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Onder verwijzing naar een inspectierapport van gemeentelijke controleurs van 14 januari 2009 stellen [eisers] zich op het standpunt dat het parkeren/stallen van de tankauto van tijdelijke aard was, en niet in strijd was met het bestemmingsplan.

Ook dit betoog slaagt. In het genoemde controlerapport is aangegeven dat de vrachtwagen brandstoffen aan het laden en lossen was, dat het parkeren/stallen van de vrachtwagen van tijdelijke aard was en dat er in zoverre geen strijd met de bestemmingsplanvoorschriften is.

Nu onvoldoende vast is komen te staan dat in zoverre sprake is van een overtreding, ziet de rechtbank dan ook evenmin aanleiding om de rechtsgevolgen van de in het bestreden besluit aangevulde lastgeving, voor zover deze ziet op het verwijderen en verwijderd houden van de tankauto met brandstof, in stand te laten.

3.6.3. Ten aanzien van de drie containers achter de nissenhut en het in afwijking van de verleende bouwvergunning geplaatste tweetal ramen in het kantoor/magazijn, is sprake van overtreding van het in artikel 40 van de Woningwet neergelegde verbod tot het bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning. Blijkens het beroepschrift zijn [eisers] daarmee bekend en wordt die strijdigheid als zodanig niet betwist. In zoverre bestaat geen beletsel om de rechtsgevolgen in stand te laten.

3.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.8. [Eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft bezien of concreet zicht op legalisatie aan handhaving in de weg staat. Zij stellen dat ten tijde van het bestreden besluit verzoeken tot legalisatie (via verlening van vrijstelling en/of bouwvergunning) waren ingediend. [Eisers] wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 27 februari 2008 (zaaknummers 200702195/1 en 200702199/1).

3.8.1. De enkele omstandigheid dat aanvragen ter legalisatie zijn ingediend is wat daar ook van zij onvoldoende om aan te kunnen nemen dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2007 (rechtspraak.nl, LJN BB8935), volstaat, zolang geen sprake is van een gebonden beschikking, in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is vrijstelling te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. De rechtbank is, gelet op de geldende bestemmingen, niet gebleken dat in dit geval sprake zou zijn van gebonden beschikkingen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit, door verwijzing naar het verweerschrift inzake de ingediende bezwaarschriften, genoegzaam gemotiveerd waarom verlening van de gevraagde vrijstellingen, gelet op het toepasselijke beleid, niet in de rede ligt. [Eisers] hebben hier niets tegenover gesteld.

De door [eisers] genoemde Afdelingsuitspraak geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu die uitspraak betrekking had op een situatie waarin sprake was van voortzetting van activiteiten waarvoor voorheen al vergunning was verleend, welke inmiddels was vervallen, terwijl er geen aanleiding was om te veronderstellen dat een nieuwe vergunning niet zou kunnen worden verleend. Een dergelijke situatie is in het geval van [eisers] niet aan de orde.

3.8.2. Bij schrijven van 11 november 2010 is namens [eisers] naar voren gebracht dat inmiddels een bestemmingsplanwijziging in vergevorderd stadium van voorbereiding is, op grond waarvan de activiteiten en bebouwingen wel zullen zijn toegestaan.

Daargelaten de omstandigheid dat doorslaggevend is of ten tijde van het bestreden besluit reeds concreet zicht op legalisatie bestond, heeft verweerder ter zitting nadrukkelijk ontkend dat een bestemmingsplanwijziging in voorbereiding is waarin de bedoelde overtredingen positief zullen worden bestemd. Het betoog faalt dan ook.

3.9. In het schrijven van 11 november 2010 is namens [eisers] betoogd dat handhand optreden disproportioneel is. Volgens [eisers] is de situatie op de percelen al jarenlang ongewijzigd en zal uitvoering van de lastgeving tot faillissement van Arns Service leiden.

Het betoog faalt. De rechtbank overweegt dat de vastgestelde overtredingen niet van zeer geringe aard en ernst kunnen worden beschouwd. Indien en voor zover de overtredingen lange tijd ongemoeid zijn gelaten, levert dat, ingevolge vaste jurisprudentie, geen grond op voor het oordeel dat verweerder niet langer van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden gebruik mocht maken (bijv. de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009, LJN BH4646). Het is eveneens vaste jurisprudentie dat de enkele omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, op zichzelf geen grond biedt voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan reeds om die reden behoort af te zien (bijv. de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008, LJN BG8259). Ook is niet genoegzaam onderbouwd dat het voldoen aan de last tot het gestelde faillissement zal leiden.

3.10 [Eisers] hebben voorts betoogd dat de bij het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijn van zes weken te kort is om aan de last te kunnen voldoen.

3.10.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 17 maart 2010 (LJN BL7792) moet bij het opleggen van een last een begunstigingstermijn worden gesteld die voldoende is om vanaf het moment van oplegging van de last daaraan uitvoering te geven zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Daarbij dient te worden uitgegaan van het moment waarop de last wordt opgelegd. Indien daartegen rechtsmiddelen worden aangewend, bijvoorbeeld door het maken van bezwaar, staat betrokkene de weg naar de voorzieningenrechter open teneinde te bewerkstelligen dat, hangende zijn bezwaar, de begunstigingstermijn niet verloopt en het instellen van rechtsmiddelen daarmee illusoir wordt. Bij het nemen van een beslissing op bezwaar hoeft verweerder aldus niet een nieuwe begunstigingstermijn op te leggen die voldoende is om vanaf dat moment uitvoering aan de last te geven zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Ook op dat moment staat betrokkene de weg naar de voorzieningenrechter open.

3.10.2. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluiten aanvankelijk een begunstigingstermijn van zes weken is gesteld om de genoemde overtredingen ongedaan te maken. Bij brief van 29 augustus 2008 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de datum van de beslissing op bezwaar. Aldus heeft de begunstigingstermijn inzake de in de primaire besluiten opgelegde last effectief circa acht maanden bedragen. Deze termijn kan niet onredelijk kort worden geacht.

3.10.3. Ten aanzien van de aanvulling van de last bij het bestreden besluit ziet de rechtbank, gelet op de aard van die aanvulling op de last, evenmin grond voor het oordeel dat de gestelde begunstigingstermijn van zes weken onredelijk kort moet worden geacht.

3.11. De rechtbank komt, gelet op het hiervoor overwogene, tot de slotsom dat het beroep van [eisers] gegrond is, voor zover het is gericht tegen de aanvulling van de last in het bestreden besluit (onder a. t/m d.). Het bestreden besluit moet in zoverre worden vernietigd wegens strijd met artikel 5:24, tweede lid (oud), van de Awb. De rechtbank zal evenwel, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand blijven, voor zover [eisers] daarbij zijn gelast drie containers achter de nissenhut te verwijderen en verwijderd te houden (onder c.), en een tweetal ramen in het kantoor/magazijn in afwijking van de verleende bouwvergunning van 9 november 1982 te verwijderen en verwijderd te houden (onder d.). Ten aanzien van de lastgeving onder a. en b., te weten het verwijderen en verwijderd houden van de paal in de weg en van de tankauto met brandstof, dient verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van [eiser I] te nemen.

Voor het overige moet het beroep van [eisers] ongegrond worden verklaard.

Verweerder zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, worden veroordeeld in de proceskosten die [eisers] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken tot een bedrag van € 437. Deze kosten zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het bedrag van de kosten van rechtsbijstand is op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage als volgt vastgesteld: indienen beroepschrift 1 punt, waarde per punt € 437, wegingsfactor 1.

Beslist wordt, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, als volgt.

4.Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep van [eiser I] ongegrond;

- verklaart het beroep van [eisers] gegrond voor zover gericht tegen de in het bestreden besluit opgenomen aanvulling van de lastgeving, onder a. t/m d.;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven, voor zover [eisers] daarbij onder c. en d. zijn gelast drie containers achter de nissenhut te verwijderen en verwijderd te houden, en een tweetal ramen in het kantoor/magazijn in afwijking van de verleende bouwvergunning van 9 november 1982 te verwijderen en verwijderd te houden;

- verklaart het beroep van [eisers] voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die [eisers] in verband met de behandeling van het beroep hebben gemaakt, tot een bedrag van € 437, te betalen aan [eisers];

- bepaalt dat verweerder aan [eisers] het betaalde griffierecht ten bedrage van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, voorzitter, en mr. J.J. Penning en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 1 februari 2011.