Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP9052

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
05/700162-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak in een zaak van een politiewagen met zwaailicht en sirene aan, die tijdens het oversteken van een kruising rood licht negeert en vervolgens in aanrijding komt met een auto die de politieauto niet heeft gezien of gehoord. De politieman is vervolgd omdat hij met veel te hoge snelheid de kruising is overgestoken bij rood licht.

De rechtbank verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2011/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/700162-10

Datum zitting : 11 maart 2011

Datum uitspraak : 25 maart 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 juli 2009, te Wageningen, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zijnde een

voorrangsvoertuig, als bedoeld in artikel 1 onder an van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990,

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de

Ritzema Bosweg, in de richting van de kruising met de Arboretumlaan en de

Beatrixlaan, op welke kruising het verkeer wordt geregeld door (driekleurige)

verkeerslichten,

Roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam,

terwijl het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de

optische en geluidssignalen, als bedoeld in artikel 29 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 voerde,

en/of terwijl het voor hem, verdachte, bestemde verkeerslicht rood licht

uitstraalde,

en/of terwijl verdachte (bij het naderen en/of het oprijden en/of het

oversteken van die kruising) niet, althans in onvoldoende mate op zijn

snelheid en/of op de in het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto)

aangebrachte snelheidsmeter heeft gelet en/of is blijven letten

die kruising is opgereden en/of de op die weg (Ritzema Bosweg) aangebrachte

stopstreep heeft gepasseerd en/of het voor hem, verdachte, geldende rode

verkeerslicht heeft genegeerd met een snelheid van (ongeveer) 88 kilometer

per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de in artikel 3,

lid 4 onder a van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 genoemde

maximum snelheid van 20 kilometer per uur en/of met een (aanzienlijk) hogere

snelheid dan stapvoets, zoals omschreven in de Brancherichtlijn verkeer, in

elk geval met - gezien de (verkeers)omstandigheden ter plaatse - een

(aanzienlijk) te hoge snelheid

en aldus in strijd heeft gehandeld met genoemde regeling en/of brancherichtlijn

en/of (daarbij) in strijd met genoemde brancherichtlijn:

- zich geen, althans in onvoldoende mate rekenschap heeft gegeven van de

mogelijkheid, dat andere weggebruikers (het naderen van) hem, verdachte en/of

(het naderen van) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig

(personenauto) niet horen en/of zien en/of hebben gehoord en/of hebben

gezien, dan wel de richting en/of snelheid van het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet goed kunnen inschatten of hebben

ingeschat

- en/of geen, althans in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met

onvoorziene en/of onberekenbare reacties van andere weggebruikers

- en/of die kruising niet, althans met onvoldoende aangepaste snelheid is

genaderd en/of opgereden

- en/of niet, althans in onvoldoende mate ervan uit is gegaan, dat andere

weggebruikers hem, verdachte, en/of het door hem bestuurde motorrijtuig

(personenauto) niet hebben opgemerkt en/of hem (dus) (mogelijk) niet voor

laten gaan

- en/of niet (zo nodig) is gestopt voor genoemde kruising

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens niet in staat is geweest het door hem bestuurde motorrijtuig

(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg

kon overzien en/of waarover deze vrij was,

en/of terwijl verdachte (bij het naderen en/of het oprijden en/of het

oversteken van die kruising) niet, althans in onvoldoende mate op het voor

hem gelegen gedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of

is blijven letten

en/of (vervolgens) (met een snelheid van ongeveer 67 kilometer per uur) is

gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) een

ander motorrijtuig (personenauto), die/dat vanaf de Arboretumlaan die kruising

(bij groen licht) was opgereden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (M.C. [slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte een bij of krachtens de Regeling optische en geluidssignalen, in

elk geval een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid

in ernstige mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte, de ter

plaatse voor hem en/of het door hem bestuurde motorrijtuig toegestane maximum

snelheid van 20 kilometer per uur met (ongeveer) 68 kilometer per uur, in elk

geval aanzienlijk overschreden;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te Wageningen als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), zijnde een voorrangsvoertuig, als bedoeld in

artikel 1 onder an van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

daarmee rijdende op de weg, de Ritzema Bosweg, in de richting van de kruising

met de Arboretumlaan en de Beatrixlaan, op welke kruising het verkeer wordt

geregeld door (driekleurige) verkeerslichten,

terwijl het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de

optische en geluidssignalen, als bedoeld in artikel 29 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 voerde,

en/of terwijl het voor hem, verdachte, bestemde verkeerslicht rood licht

uitstraalde,

die kruising is opgereden en/of de op die weg (Ritzema Bosweg) aangebrachte

stopstreep heeft gepasseerd en/of het voor hem, verdachte, geldende rode

verkeerslicht heeft genegeerd met een snelheid van (ongeveer) 88 kilometer

per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de in artikel 3,

lid 4 onder a van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 genoemde

maximum snelheid van 20 kilometer per uur en/of met een (aanzienlijk) hogere

snelheid dan stapvoets, zoals omschreven in de Brancherichtlijn verkeer, in

elk geval met - gezien de (verkeers)omstandigheden ter plaatse - een

(aanzienlijk) te hoge snelheid

en aldus in strijd heeft gehandeld met genoemde regeling en/of brancherichtlijn

en/of (daarbij) in strijd met genoemde brancherichtlijn:

- zich geen, althans in onvoldoende mate rekenschap heeft gegeven van de

mogelijkheid, dat andere weggebruikers (het naderen van) hem, verdachte, en/of

(het naderen van) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig

(personenauto) niet horen en/of zien en/of hebben gehoord en/of hebben

gezien, dan wel de richting en/of snelheid van het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet goed kunnen inschatten of hebben

ingeschat

- en/of geen, althans in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met

onvoorziene en/of onberekenbare reacties van andere weggebruikers

- en/of die kruising niet, althans met onvoldoende aangepaste snelheid is

genaderd en/of opgereden

- en/of niet, althans in onvoldoende mate ervan uit is gegaan, dat andere

weggebruikers hem, verdachte, en/of het door hem bestuurde motorrijtuig

(personenauto) niet hebben opgemerkt en/of hem (dus) (mogelijk) niet voor

laten gaan

- en/of niet (zo nodig) is gestopt voor genoemde kruising

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens niet in staat is geweest het door hem bestuurde motorrijtuig

(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg

kon overzien en/of waarover deze vrij was,

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de

bestuurder van) een ander motorrijtuig (personenauto), die/dat vanaf de

Arboretumlaan die kruising (bij groen licht) was opgereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 maart 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 juli 2009 heeft verdachte gedurende de uitoefening van zijn functie als politieman samen met zijn collega [naam] werkzaamheden uitgeoefend aan de Nude in Wageningen. Van de meldkamer ontvingen zij een prioriteit 1-melding om zich met spoed naar Wolfheze te begeven vanwege een melding van brand in een woning. Beide verbalisanten zijn hierop in het politievoertuig met zwaailicht en sirene voerend over de Ritzema Bosweg, richting de kruising met de Arboretumlaan en de Beatrixlaan te Wageningen gereden. Op deze kruising wordt het verkeer geregeld door driekleurige verkeerslichten. Gedurende deze rit is verdachte als bestuurder van het voorrangsvoertuig opgetreden. Bij het naderen van deze kruising straalde het verkeerslicht voor verdachte rood licht uit. Voor het oprijden van de kruising heeft verdachte gas geminderd en op de claxon gedrukt waardoor het geluidssignaal sterker en de duur tussen de geluidstonen korter werd. Verdachte heeft hierbij niet gelet op zijn snelheid en de snelheidsmeter in de door hem bestuurde auto. Nadat verdachte meende dat het veilig was, heeft hij de stopstreep gepasseerd en is voorbij het in zijn richting rood licht uitstralende verkeerslicht gereden. Tijdens het oprijden van deze kruising heeft verdachte te laat gezien dat van rechts uit de Arboretumlaan, waar het verkeerslicht groen licht uitstraalde, een zwarte Peugeot 206 personenauto aan kwam rijden. Verdachte is met een snelheid van ongeveer 88 km/uur de kruising opgereden en is met een snelheid van ongeveer 67 km/uur tegen deze personenauto gebotst. Ten gevolge van de botsing heeft de bestuurster van de Peugeot 206, mevrouw M.C. [slachtoffer], letsel opgelopen, waaronder scheurtjes in haar bekken, waardoor zij enige tijd was verhinderd haar normale bezigheden uit te voeren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd begrip te hebben voor het feit dat verdachte als bestuurder van een politievoertuig met zwaailicht en sirene op weg is gegaan naar een spoedmelding. De weersomstandigheden waren die dag goed, maar verdachte heeft veel te hard de kruising over willen rijden. In de Brancherichtlijn Verkeer staat beschreven hoe men onder deze omstandigheden dient te handelen bij het negeren van een rood verkeerslicht. Verdachte had volgens deze richtlijn alleen een rood verkeerslicht mogen negeren met een snelheid van maximaal 20 km/uur. Nu verdachte de kruising is opgereden met een snelheid die ruim vier keer hoger is dan de voorgeschreven snelheid, acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zeer onachtzaam en onoplettend heeft gereden en daardoor zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft weten te brengen. De officier van justitie acht derhalve bewezen dat verdachte schuldig is aan hetgeen hem primair ten laste is gelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het proces-verbaal blijkt dat verdachte in samenwerking met zijn collega [naam] als bijrijder pro-actief en alert is geweest. Beiden zijn daarbij attent geweest op tegemoetkomend verkeer en het verkeer dat van de zijwegen komt. Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting een brief van de groepschef, de heer H.E. [naam], overgelegd waarin hij verklaart dat tot nu toe niets op verdachte’s rijgedrag valt aan te merken. Bij de bewuste kruising hadden zowel verdachte als zijn bijrijder oogcontact met een buschauffeur, voetgangers en een fietser. Verdachte heeft zich ervan vergewist dat de kruising vrij was en is deze vervolgens opgereden. Totaal onverwacht kwam de Peugeot 206 van rechts. Deze auto was 20 á 30 meter voor de stopstreep niet zichtbaar. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar te hard heeft gereden, maar dat in dit soort spoedeisende gevallen agenten geen tijd hebben om op de kilometerteller te kijken zodat zij hun snelheid moeten inschatten. Voorts is de Touraeg waarin verdachte reed een snelle auto waardoor hij niet heeft gemerkt hoe hard hij reed. Tot slot dient er rekening mee gehouden te worden dat de bestuurster van de Peugeot 206 het voorrangsvoertuig totaal niet heeft gehoord of heeft zien aankomen. Zij is zonder op of om te kijken de kruising opgereden. Het is niet aan verdachte te wijten dat de aanrijding heeft plaatsgevonden zodat hij dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Beoordeling van de standpunten

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat de verdachte zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de overige omstandigheden van het geval kan eventueel blijken van het bestaan van verontschuldigbare onmacht. Dit dient de rechtbank te onderzoeken.

Verdachte is als bestuurder van een politieauto met een zeer hoge snelheid en door het rode verkeerslicht een kruising opgereden. Dergelijk verkeersgedrag levert in beginsel “schuld” in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 op.

Verdachte heeft echter gedurende de uitoefening van zijn functie gereageerd op een prioriteit 1-melding van de meldkamer. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van optische en geluidsignalen. De vraag is of dit voldoende is om te oordelen dat sprake is van verontschuldigbare onmacht.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De wijze waarop in een dergelijke situatie door politiemensen dient te worden gehandeld, staat beschreven in de Regeling optische en geluidssignalen 2009 en in de Brancherichtlijn Verkeer.

Verdachte heeft gemeend dat hij in voldoende mate gelet heeft op de verkeersveiligheid en daarmee gevolg aan beide regelingen heeft gegeven. Immers, hij heeft gedurende de rit over de Ritzema Bosweg, bij het naderen van iedere kruising, gas geminderd en op de claxon gedrukt waardoor het geluidssignaal sterker en de duur tussen de geluidstonen korter werd. Bij de kruising met de Arboretumlaan stelt verdachte op dezelfde wijze te hebben gehandeld en dat vindt ook tot op zekere hoogte bevestiging in de waarnemingen van getuige [getuige] . De rechtbank oordeelt echter dat de door verdachte verminderde snelheid tot ongeveer 88 km per uur geenszins voldoet aan het voorschrift dat slechts met een maximum snelheid van 20 km per uur dan wel “stapvoets” een rood verkeerslicht mag worden genegeerd door een voorrangsvoertuig.

Nog daargelaten wat door de voorschriften wordt voorgeschreven, overweegt de rechtbank dat in zijn algemeenheid van een bestuurder van een voorrangsvoertuig mag worden verwacht dat deze de veiligheid van het overige verkeer boven alles stelt. In deze situatie heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate rekening gehouden met het verkeer dat uit de zijwegen kon komen. In combinatie met de hoge snelheid en het negeren van het rode verkeerslicht, kon daardoor een aanrijding ontstaan met een voertuig dat van rechts kwam aanrijden en voor wie het verkeerslicht groen licht uitstraalde.

Nu vast is komen te staan dat verdachte, in strijd met de geldende voorschriften, de kruising is genaderd met een snelheid van ongeveer 88 km/uur en de botsing heeft plaatsgevonden met een snelheid van ongeveer 67 km/uur, en bovendien de rechtbank van oordeel is dat verdachte in onvoldoende mate heeft rekening gehouden met het overige verkeer, vindt de rechtbank in de omstandigheid dat verdachte gehoor gaf aan een prioriteit 1-melding onvoldoende grond voor verontschuldigbare onmacht. Verdachte had zich er rekenschap van moeten geven dat andere weggebruikers zijn voertuig of de afgegeven signalen niet tijdig zouden opmerken, en hij voor de kruising had moeten kunnen stoppen teneinde hen voorrang te verlenen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte anders had kunnen en behoren te handelen. Het verweten gedrag is naar het oordeel van de rechtbank dusdanig, dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en derhalve van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onoplettendheid nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en zijn bijrijder gedurende de rit juist zeer oplettend waren. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 27 juli 2009, te Wageningen, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig personenauto, zijnde een

voorrangsvoertuig, als bedoeld in artikel 1 onder an van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990,

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de

Ritzema Bosweg, in de richting van de kruising met de Arboretumlaan en de

Beatrixlaan, op welke kruising het verkeer wordt geregeld door driekleurige

verkeerslichten, aanmerkelijk onvoorzichtig,

terwijl het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de

optische en geluidssignalen, als bedoeld in artikel 29 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 voerde,

en terwijl het voor hem, verdachte, bestemde verkeerslicht rood licht

uitstraalde,

en terwijl verdachte bij het naderen en het oprijden en het oversteken van die kruising niet, op zijn snelheid en/of op de in het door hem bestuurde motorrijtuig personenauto

aangebrachte snelheidsmeter heeft gelet en

die kruising is opgereden en de op die weg Ritzema Bosweg aangebrachte

stopstreep heeft gepasseerd en het voor hem, verdachte, geldende rode

verkeerslicht heeft genegeerd met een snelheid van ongeveer 88 kilometer

per uur,

en aldus in strijd heeft gehandeld met de Regeling optische en geluidssignalen 2009 en/of de Brancherichtlijn verkeer

en daarbij in strijd met genoemde brancherichtlijn:

- zich in onvoldoende mate rekenschap heeft gegeven van de

mogelijkheid, dat andere weggebruikers het naderen van hem, verdachte en

het naderen van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig

personenauto niet horen en zien

- en/of die kruising met onvoldoende aangepaste snelheid is opgereden

- en in onvoldoende mate ervan uit is gegaan, dat andere

weggebruikers hem, verdachte, en het door hem bestuurde motorrijtuig

personenauto niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor

laten gaan

- en niet zo nodig is gestopt voor genoemde kruising

En daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens niet in staat is geweest het door hem bestuurde motorrijtuig

(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg

kon overzien en waarover deze vrij was,

en vervolgens met een snelheid van ongeveer 67 kilometer per uur is

gebotst tegen een ander motorrijtuig personenauto, die vanaf de Arboretumlaan die kruising

(bij groen licht) was opgereden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (M.C. [slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte een bij of krachtens de Regeling optische en geluidssignalen, in

elk geval een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid

in ernstige mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte, de ter

plaatse voor hem en het door hem bestuurde motorrijtuig toegestane maximum

snelheid van 20 kilometer per uur met (ongeveer) 68 kilometer per uur overschreden.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte als bestuurder van een voorrangsvoertuig zich bewust dient te zijn van zijn bijzondere positie en verantwoordelijkheden en dat hij zich rekenschap moet geven van de mogelijkheid dat andere weggebruiker hem niet zien of horen, zodat het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig beheerst dient te zijn. De bestuurder dient ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem mogelijk niet hebben opgemerkt en hem mogelijk niet voor laten gaan, zodat zonodig dient te worden gestopt. Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld niet in kennis te zijn gesteld van de inhoud van de Brancherichtlijn. De officier van justitie stelt dat het Reglement verkeersregels en verkeerstekens een wettelijke bepaling is en dat elke burger de wet behoort te kennen. Dat geldt helemaal voor verbalisanten. Het feit dat er een collectieve onwetendheid of onbekendheid zou bestaan binnen het korps, ontslaat verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid zich op de hoogte te houden van de geldende of gewijzigde regelgeving, zodat verdachte strafbaar is.

Wel houdt de officier van justitie bij de hoogte van zijn eis rekening met de omstandigheid dat verdachte zelf ook is getroffen door het ongeval en dat hij handelde in het algemeen belang door met grote spoed naar een brandende woning te rijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de geldende regel dat het negeren van een rood verkeerslicht met een snelheid van maximaal 20 km/uur is toegestaan. Verdachte is tussen 2004 en 2008 werkzaam geweest bij de KLPD, waarbij hij op het water werkzaam was. Hij heeft geen bijscholing rijvaardigheid gevolgd tot 27 juli 2009. Hij wist dat de maximum snelheid binnen de bebouwde kom mag worden overschreden met 20 km/uur, maar niet dat dit bij rode verkeerslichten anders is. De Brancherichtlijn voor de politie dateert van 2005 en was als richtlijn verwarrend, omdat dit een aanwijzing impliceert en geen dwingende regel. Vanaf 1 maart 2009 is de Regeling optische en geluidssignalen 2009 in werking getreden, waarin staat dat er voor de politie een Brancherichtlijn dient te zijn. Deze richtlijn was er al en is niet per 1 maart 2009 gewijzigd. De wijziging van de status van de Brancherichtlijn is na 1 maart 2009 niet gecommuniceerd door de korpsleiding van politie Gelderland-Midden. Verdachte kende de richtlijn in het algemeen en handelde ernaar met inachtneming dat het een aanbeveling was. Voorts is verdachte er niet op geattendeerd dat bij rood licht maximaal 20 km/uur gereden mag worden en kan van een agent niet worden verwacht dat hij dagelijks controleert of wettelijke regelingen zijn ingevoerd. Globaal wisten verdachte en zijn collega’s dat er een brancherichtlijn was, maar niet dat deze per 1 maart 2009 een verplicht karakter had gekregen. Gelet op het vorenstaande is de raadsman van oordeel dat verdachte ervan uit mocht gaan dat de Regeling optische en geluidssignalen 2009 nog niet in werking was getreden en dat de Brancherichtlijn geen verplichtend karakter had, zodat zijn rijgedrag als een verontschuldigbare rechtsdwaling moet worden beoordeeld en hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 maart 2011 verklaard dat hij wist van het bestaan van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 en de Brancherichtlijn Verkeer. De rechtbank begrijpt dat vanuit de korpsleiding wellicht niet genoeg aandacht is gevestigd op de inhoud van beide regelingen. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrekkige voorlichting vanuit de korpsleiding ontslaat dit verdachte echter niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om kennis te nemen van de inhoud van geldende voorschriften. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een kernvoorschrift, zoals dat is opgesteld ten aanzien van het negeren van een rood verkeerslicht, behoort te kennen. Hij dient zich zelf op de hoogte te houden van de inhoud van regelingen die van belang zijn voor zijn ambtsuitoefening.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis en voorts tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte primair dient te worden vrijgesproken en subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een geheel voorwaardelijke rijontzegging, aangezien verdachte zijn rijbewijs voor de uitoefening van zijn werk nodig heeft.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de (blanco) justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 4 februari 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder nog het navolgende.

De rechtbank houdt er allereerst rekening mee dat verdachte zelf ook fors is getroffen door de gevolgen van het onderhavige ongeval. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het ongeval niet geheel en al aan verdachte te wijten is, nu het slachtoffer kennelijk zonder zich ervan te vergewissen dat de weg vrij was, de Ritzema Bosweg (zijnde een voorrangsweg) is opgereden. Weliswaar straalde het voor haar geldende verkeerslicht groen licht uit, maar dat ontslaat een automobilist in zijn algemeenheid niet van de verplichting om goed te blijven opletten bij het naderen van een (voorrangs)kruising.

Voorts houdt de rechtbank er uitdrukkelijk rekening mee dat verdachte mede zijn leven en gezondheid op het spel heeft gezet om anderen te kunnen helpen door zich met grote snelheid door het verkeer te begeven op weg naar een brand waarbij mogelijk personen in levensgevaar verkeerden.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat tijdens het onderzoekt ter terechtzitting is gebleken dat de voorlichting over en de opleiding voor het rijden met zwaailicht en sirene binnen het politiekorps kennelijk verbetering behoeft.

De rechtbank is van oordeel dat van een strafrechtelijke reactie een algemene preventieve werking richting overige bestuurders van voorrangsvoertuigen dient uit te gaan.

De rechtbank doet dit, in dit geval, door het uitspreken van een schuldig verklaring. Gezien de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte acht de rechtbank het gepast geen straf of maatregel op te leggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 6, 175, 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Aldus gewezen door:

mr. D.R. Sonneveldt, als voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. J.J.H. van Laethem, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2011.