Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP8091

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
05/501941-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 42-jarige man uit Reek veroordeeld wegens het veroorzaken door zijn schuld van een dodelijk verkeersongeval op 13 februari 2009 in Tuil, gemeente Neerijnen. Op die datum week hij als vrachtautochauffeur af van zijn rechte weg op de Graaf Reinaldweg en reed daarbij over een middengeleider. Een 12-jarige jongen die met zijn fiets op die middengeleider stond te wachten, werd door de vrachtauto aangereden en kwam daarbij om het leven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/501941-09

Datum zitting : 4 maart 2011

Datum uitspraak : 18 maart 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 12 augustus 1968 te Someren,

vestigingsadres : [adres],

plaats : [woonplaats].

GBA-adres : [adres]

[woonplaats]

Raadsman : mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(primair):

hij op of omstreeks 13 februari 2009, te Tuil, gemeente Neerijnen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Graaf Reinaldweg, komende uit de richting van Waardenburg en gaande in de richting van de kruising of splitsing met de Kortestraat, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl het zicht voor hem op generlei wijze werd beperkt of belemmerd,

en/of terwijl verdachte (uitvoerig) middels een (zogeheten) 27 Mc-bak, althans middels enig (ander) communicatiemiddel aan het communiceren was (met een collega chauffeur)

met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) (zonder noodzaak) van zijn (rechte) baan is afgeweken en/of (langzaam) naar links in de richting van de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gestuurd, althans is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden

en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij) tegen en/of over een in die weg gelegen middengeleider is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meer op die middengeleider (op een opstelplaats voor fietsers) stilstaande, althans langzaam rijdende fiets(en) en/of (een van) de bestuurder(s) van die fiets(en), te weten [slachtoffer] met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) heeft overreden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

(subsidiair):

hij op of omstreeks 13 februari 2009, te Tuil, gemeente Neerijnen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Graaf Reinaldweg, komende uit de richting van Waardenburg en gaande in de richting van de kruising of splitsing met de Kortestraat, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl het zicht voor hem op generlei wijze werd beperkt of belemmerd,

en/of terwijl verdachte (uitvoerig) middels een (zogeheten) 27 Mc-bak, althans middels enig (ander) communicatiemiddel aan het communiceren was (met een collega chauffeur)

en/of terwijl verdachte (naar eigen zeggen) (op een afstand van ongeveer 1200 meter, althans op geruime afstand voor genoemde kruising of splitsing en/of ongeveer 72 seconden, althans geruime tijd voor het bereiken van genoemde kruising of splitsing) zich onwel voelde, althans begon te voelen en/of pijn(scheuten), althans pijn(steken) in de borst(streek) kreeg of voelde,

althans begon te krijgen of te voelen en/of begon te transpireren,

en/of terwijl verdachte wist of kon vermoeden dat hij (door zijn fysieke gesteldheid op dat moment) (mogelijk) niet of niet langer in staat was, althans zou zijn, dan wel zou kunnen worden om het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) (naar behoren) te kunnen (blijven) besturen en/of als zodanig zijn rijroute naar zijn eindbestemming te kunnen

voortzetten

en/of terwijl, althans waarbij verdachte (vervolgens) heeft nagelaten het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) tijdens en/of direct, althans vrijwel direct na het onwel worden en/of na die pijn(scheuten), althans pijn(steken) en/of na het (beginnen met) transpireren ((bij voorkeur) op een voor het overige verkeer veilige plaats) tot stilstand te brengen, terwijl hij daartoe wel (ruimschoots) de mogelijkheid en/of de gelegenheid heeft gehad,

en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) van zijn (rechte) baan is afgeweken en/of (langzaam) naar links in de richting van de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gestuurd, althans is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden

en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten

en/of (daarbij) tegen en/of over een in die weg gelegen middengeleider is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meer op die middengeleider (op een opstelplaats voor fietsers) stilstaande, althans langzaam rijdende fiets(en) en/of (vervolgens) (een van) de bestuurder(s) van die fiets(en), te weten [slachtoffer] met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) heeft overreden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

(meer subsidiair):

hij op of omstreeks 13 februari 2009 te Tuil, gemeente Neerijnen, als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Graaf Reinaldweg, komende uit de richting van Waardenburg en gaande in de richting van de kruising of splitsing met de Kortestraat,

terwijl het zicht voor hem op generlei wijze werd beperkt of belemmerd,

met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) (zonder noodzaak) van zijn (rechte) baan is afgeweken en/of (langzaam) naar links in de richting van de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer heeft gestuurd, althans is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden

en/of (daarbij) tegen en/of over een in die weg gelegen middengeleider is gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was

en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meer op die middengeleider (op een opstelplaats voor fietsers) stilstaande, althans langzaam rijdende fiets(en),

en/of (vervolgens) (een van) de bestuurder(s) van die fiets(en), te weten [slachtoffer] met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) heeft overreden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 maart 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslissing inzake het bewijs

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 februari 2009 trad verdachte op als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger).

Op de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Graaf Reinaldweg te Tuil, gemeente Neerijnen, is verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig komende uit de richting van Waardenburg en gaande in de richting van de kruising of splitsing met de Kortestraat, terwijl het zicht voor hem op generlei wijze werd beperkt, van zijn rechte baan afgeweken en schuin naar links in de richting van de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer gereden. Verdachte is vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig over een in die weg gelegen middengeleider gereden en gebotst tegen twee op de middengeleider op een opstelplaats voor fietsers stilstaande fietsen en de bestuurder van één van die fietsen.

Aan de gevolgen van de botsing is deze fietser, te weten [slachtoffer], overleden. en

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd en aannemelijk geworden waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Uit medisch onderzoek is naar voren gekomen dat er geen aanleiding kan worden gevonden dat er sprake is geweest van een aantoonbare medische oorzaak voor de mogelijke bewustzijnsdaling van verdachte.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, nu er geen bewijs aanwezig is dat het ongeval te wijten is aan de schuld van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij een moment van verminderd bewustzijn heeft gehad. Verdachte benoemt dit zelf als een “black-out”. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de verklaring van verdachte niet juist is. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde ontbreekt alle schuld, zodat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Beoordeling van de standpunten

Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van “schuld” in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder te noemen: WVW), dient te worden bezien of die schuld uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat één ernstige verkeersovertreding, zoals het rijden op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer, voldoende kan zijn voor “schuld” in de zin van artikel 6 WVW. Bij de vraag of dat dan ook dient te leiden tot een bewezenverklaring, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Met name uit de overige omstandigheden van het geval kan blijken van verontschuldigbare onmacht, waardoor “schuld” in de zin van artikel 6 WVW kan worden uitgesloten.

Dit is dan ook hetgeen de rechtbank heeft te beoordelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat verdachte met de door hem bestuurde vrachtwagencombinatie plotseling en zonder enige van buiten komende oorzaak op de verkeerde weghelft is gekomen, tegen en over de middengeleider is gereden en in botsing is gekomen met de fietsen en met [slachtoffer]. Door met een vrachtwagencombinatie op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terecht te komen en daarbij dwars over een middengeleider te rijden, heeft verdachte een zeer ernstige verkeersovertreding begaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk verkeersgedrag tot zeer ernstige verkeersongevallen kan leiden, hetgeen iedere verkeersdeelnemer dan ook te allen tijde dient te voorkomen. Het geconstateerde verkeersgedrag van verdachte draagt dan ook in beginsel de gevolgtrekking dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.

De rechtbank is voorts van oordeel – anders dan de raadsman heeft betoogd – dat uit de omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voordat hij de laatste rotonde van Waardenburg opreed, last kreeg van een steek in zijn borst. Vervolgens is hij de rotonde gedeeltelijk over gereden en heeft de afslag Graaf Reinaldweg in de richting van Tuil genomen. Na de rotonde begon verdachte volgens zijn verklaring hevig te transpireren en werd zijn zicht wazig. Hierop heeft verdachte – al rijdend – overwogen om zijn vrachtwagencombinatie aan de kant van de weg te zetten. Hij besloot toch om door te rijden, omdat zijn bestemming niet ver verwijderd was en hij het gevaarlijk achtte voor het overige verkeer om de vrachtwagencombinatie langs de weg stil te zetten. Vervolgens herinnert verdachte zich nog dat hij een stukje op de Graaf Reinaldweg heeft gereden, waarna het hem zwart voor de ogen werd. Verdachte kwam weer bij bewustzijn op het moment dat hij door elkaar geschud werd en een klap hoorde.

Verdachte zelf meent dat hij een black-out heeft gehad en legt daarbij een verband met een eerder bij hem geconstateerde aanleg voor hyperventilatie.

De deskundige [naam deskundige] concludeert hierover in zijn rapport dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat verdachte voorafgaand aan het ongeval enkele seconden een verminderd bewustzijn had ten gevolge van een paniek- of hyperventilatieaanval. Deze conclusie heeft de deskundige ter terechtzitting van 4 maart 2011 bevestigd. Voorts stelt de rechtbank vast dat zich in het dossier een brief d.d. 12 maart 2009 bevindt van cardioloog [cardioloog], waarin wordt vermeld dat er geen cardiale verklaring kan worden gegeven voor de door verdachte aangevoerde wegraking.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte voorafgaand aan het noodlottige ongeval buiten bewustzijn is geraakt.

Daarentegen gaat de rechtbank wel uit van de verklaring van verdachte dat hij kort vóór het oprijden van de rotonde in Waardenburg een steek in zijn borst voelde, waarover hij zich zorgen maakte en waardoor hij hevig begon te transpireren. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij heeft overwogen om zijn voertuig stil te zetten, maar dit bewust niet heeft gedaan. Ter terechtzitting van 4 maart 2011 heeft verdachte erkend dat uit de zich in het dossier bevindende luchtfoto en de “weergave Google Street View” van de Graaf Reinaldweg blijkt dat verdachte verschillende mogelijkheden had om met zijn voertuig de Graaf Reinaldweg te verlaten. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte een veilig alternatief heeft gehad voor het doorrijden in zijn toestand.

Nu bovendien de afstand tussen de genoemde rotonde en de plaats van het ongeval ongeveer 1.200 meter bedroeg en de tijd die verdachte nodig had om deze afstand te overbruggen, kan worden gesteld op 72 à 73 seconden , komt de rechtbank voorts tot het oordeel dat verdachte ook voldoende tijd heeft gehad om te besluiten zijn vrachtwagencombinatie tot stilstand te brengen en ook naar dat besluit te handelen.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat naast het hiervoor genoemde rijgedrag wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het aan verdachte te wijten is dat hij niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en is blijven letten en dat hij niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was. Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank er van de zijde van verdachte sprake is van zodanig verkeersgedrag dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is.

Verdachte wordt ook verweten dat hij tegen de fietser is gebotst terwijl hij door middel van een 27 mc-bak aan het communiceren was met een collega chauffeur, zijnde [collega chauffeur].

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier, met name de verklaringen van [collega chauffeur] en verdachte, niet kan worden vastgesteld dat de botsing heeft plaatsgevonden terwijl verdachte aan het communiceren was met [collega chauffeur].

De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging niet bewezen en zal dit dan ook wegstrepen in de bewezenverklaring.

3b. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 13 februari 2009, te Tuil, gemeente Neerijnen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Graaf Reinaldweg, komende uit de richting van Waardenburg en gaande in de richting van de kruising of splitsing met de Kortestraat, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam,

terwijl het zicht voor hem op generlei wijze werd beperkt of belemmerd,

met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) zonder noodzaak van zijn rechte baan is afgeweken en naar links in de richting van de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer is gereden

en in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet heeft voldaan aan zijn verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden

en niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en is blijven letten en tegen en over een in die weg gelegen middengeleider is gereden

en in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was

en vervolgens is gebotst tegen op die middengeleider (op een opstelplaats voor fietsers) stilstaande, fietsen en een van de bestuurders van die fietsen, te weten [slachtoffer] met het door hem bestuurde motorrijtuig (trekker met oplegger) heeft overreden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie houdt bij zijn eis rekening met de ouderdom van de zaak, de blanco justitiële documentatie van verdachte, de manier waarop verdachte na het ongeval contact heeft opgenomen en onderhouden met de nabestaanden en de omstandigheid dat verdachte zwaar gebukt gaat onder de gevolgen van het verkeersongeval.

Standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken en voor het meer subsidiair tenlastegelegde te worden ontslagen van rechtsvervolging en kan er geen sprake van strafoplegging zijn. Mocht de rechtbank toch tot een strafoplegging komen dan kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf. Verdachte is al voldoende gestraft door de gevolgen van het verkeersongeval.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing ten aanzien van de straf, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de (blanco) justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 28 januari 2011.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het navolgende.

De verkeersgedragingen van verdachte hebben in dit geval geleid tot een buitengewoon tragisch ongeval, waarbij een 12-jarig kind om het leven is gekomen. De rechtbank realiseert zich tot welk onuitsprekelijk en onherstelbaar leed dit ongeval heeft geleid bij de nabestaanden. Tijdens de terechtzitting van 4 maart 2011 hebben de nabestaanden van dit verdriet doen blijken.

Ook de verdachte heeft tijdens de terechtzitting laten zien dat het gebeurde hem in hoge mate heeft aangegrepen. Dit ongeval had echter voorkomen kunnen worden indien verdachte tijdig een andere keuze had gemaakt.

De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid van professionele vrachtwagenchauffeurs, zoals verdachte, mag worden verwacht dat zij zich doorlopend bewust zijn van de gevaren die gepaard gaan met het rijden met vrachtauto’s. De veiligheid van het hen omringende verkeer dient daarbij boven alles te gaan. De rechtbank neemt het verdachte in ernstige mate kwalijk dat hij zich bij het maken van zijn - bewuste - keuze om door te rijden onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de grote risico’s die hij, rijdend met een grote vrachtwagencombinatie en terwijl hij zich niet goed voelde, daarmee heeft genomen. In vergelijkbare gevallen met een dodelijke afloop zijn een gevangenisstraf en een forse onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel geïndiceerd.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de persoonlijke omstandigheden van verdachte zwaar te laten wegen in haar beslissing over de strafmaat. Bij het bepalen van de hoogte daarvan houdt de rechtbank, evenals de officier van justitie, rekening met de ouderdom van de zaak en de bijzonder zorgvuldige manier waarop verdachte met de nabestaanden is omgegaan en - zoals ter terechtzitting is gebleken – nog steeds omgaat.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat aan verdachte reeds door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen een rijontzegging is opgelegd van een jaar – zij het overigens enkel op medische gronden – en voorts dat verdachte hierdoor gedurende deze periode zijn werk niet heeft kunnen uitoefenen..

Aldus acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke werkstraf alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid een passende afdoening voor het bewezenverklaarde feit

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3b, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 50 (vijftig) dagen.

Alsmede

Een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 1 (één) jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak, als voorzitter,

mr. D.R. Sonneveldt, rechter,

mr. M.G.J. Post, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2011.