Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP7687

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09/4276 en 09/4423
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW5914, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgen naar aanleiding van de wijzigingen van artikel 56a Woningwet per 1 juli 2008 en 15 juli 2009. Toetsing stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening bij verlening van een bouwvergunning 1e en 2e fase.

Uitgangspunt is dat een bestreden besluit getoetst moet worden aan de op het moment van het nemen van dat besluit geldende regelgeving. Echter in de voorliggende procedure heeft dit tot gevolg dat op de aanvraag bouwvergunning eerste fase en de aanvraag bouwvergunning tweede fase een uiteenlopend wetsregime van toepassing is, als gevolg waarvan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning eerste fase, noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning tweede fase zouden kunnen worden betrokken.

De wet voorziet op dit punt niet in een regeling, terwijl uit de wet noch de wetsgeschiedenis van de aanpassing per 15 juli 2009 kan worden afgeleid dat een dergelijke leemte beoogd is. Nu aangenomen moet worden dat niet beoogd is een leemte te doen ontstaan, moet worden geoordeeld dat de ontstane leemte een kennelijke omissie van de wetgever is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de stedenbouwkundige voorschriften bij de thans voorliggende beoordeling van de tweede fase te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 09/4276 en 09/4423

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 februari 2011.

inzake

[eisers]

allen wonende te [woonplaats], eisers,

allen vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder,

alsmede

[Vergunninghoudster], partij ex artikel 8:26 van de Awb, vergunninghoudster,

te Nijmegen, vertegenwoordigd door mr. L.J. Gerritsen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Ongedateerd besluit van verweerder, verzonden 21 oktober 2009.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2008 een bouwvergunning eerste fase verleend aan vergunninghoudster. Bij besluit van 3 juni 2009 zijn de daartegen ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Bij primair besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster onder het stellen van voorwaarden een reguliere bouwvergunning tweede fase en een ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Nijmeegse bouwverordening (bouwverordening) verleend voor het verbouwen van een voormalige drukkerij tot 6 studio’s op het perceel [perceel].

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door [eisers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de reguliere bouwvergunning tweede fase gehandhaafd, een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening, een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.3, zesde lid, van de Bouwverordening en twee ontheffingen als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit verleend en de bij het primaire besluit verleende ontheffing herroepen.

Hiertegen hebben [eisers] bij brief van 27 oktober 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum hebben [eisers] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Bij uitspraak van 3 november 2009 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, geschorst.

Tegen het bestreden besluit heeft [andere eiser] bij brief van 5 november 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van gelijke datum heeft ook [andere eiser] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 26 november 2009 heeft de voorzieningenrechter de bij uitspraak van 3 november 2009 uitgesproken schorsing opgeheven en het verzoek van eisers tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij brief van 15 december 2009 hebben eisers wederom de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit. Bij uitspraak van 7 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Op 2 februari 2010 heeft vergunninghoudster een bouwvergunning aangevraagd voor een wijziging op de eerder verleende bouwvergunning. Bij besluit van 18 juni 2010 heeft verweerder besloten ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 1.11 van het Bouwbesluit voor wat betreft de artikelen 4.24 en 4.28 van het Bouwbesluit, een wijziging op de eerder verleende ontheffingen te verlenen voor wat betreft daglichttoetreding en spuivoorziening op de begane grond en een wijziging op de eerder verleende bouwvergunning te verlenen voor de uitvoering van het hiervoor bedoelde, bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bouwplan, waarbij tevens moet worden voldaan aan de in de bouwvergunning vermelde voorwaarden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 4 november 2010. Van de eisers zijn aldaar [namen] verschenen, bijgestaan door mr. Poels en deskundige H. Meeuwessen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.G. Blasweiler. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen.

De rechtbank heeft op 18 januari 2011 het onderzoek heropend teneinde gemachtigde van eisers in de gelegenheid te stellen om een nadere urenspecificatie in te dienen op de eerder bij het formulier proceskosten ingediende nota, en verweerder in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

Partijen hebben hierop gereageerd en hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep op een tweede zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

3. Overwegingen

3.1 Ingevolge artikel 6:18, eerste lid van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid van de Awb wordt indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Ten aanzien van de vraag of het besluit van verweerder van 18 juni 2010 aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb overweegt de rechtbank dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van onder andere 4 maart 2009, LJN: BH4648 en 10 september 2008, LJN: BF0323, volgt dat een gewijzigde bouwvergunning, ook als daar een nieuwe bouwaanvraag aan ten grondslag ligt, onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb kan vallen. Voorwaarde daarvoor is dat het dient te gaan om een wijziging van ondergeschikte aard ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan. De rechtbank stelt vast dat in de aanvraag bouwvergunning van 2 februari 2010 het volgende is aangevraagd: ‘Gewijzigde bouwvergunning in verband met wijzigen gevelopeningen achtergevel, spiegelen indeling en voordeur en één raam studio 1 en 4, gewijzigde indeling studio’s, gewijzigde trappen, vervallen bergingen studio’s boven, plaatsen gemeenschappelijke opslagruimte huishoudelijk afval en gewijzigde rioleringsopzet.’ De rechtbank is van oordeel, dat weliswaar sprake is van een groot aantal wijzigingen, maar dat mede gelet op de omvang van het bouwplan, voornoemde wijzigingen als wijzigingen van ondergeschikte aard moeten worden aangemerkt. Het besluit van verweerder van 18 juni 2010 wordt door de rechtbank derhalve aangemerkt als een besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb.

3.2 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. (…);

d. (…);

e. (…).

3.3 Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde van 1 juli 2008 tot en met 14 juli 2009, en derhalve ten tijde van het nemen van het besluit tot verlening van de bouwvergunning eerste fase van toepassing was, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, d, e, f of g, van toepassing is.

Ingevolge het derde lid mag slechts en moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde vanaf 15 juli 2009 tot en met 1 oktober 2010, en dat derhalve ten tijde van het bestreden besluit van toepassing was, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge het derde lid mag slechts en moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat een bestreden besluit getoetst moet worden aan de op het moment van het nemen van dat besluit geldende regelgeving. Gelet op de twee hiervoor weergegeven versies van artikel 56a van de Woningwet zou dat betekenen dat, indien de tekst van deze artikelen strikt zou worden toegepast, in de voorliggende procedure op de aanvraag bouwvergunning eerste fase en de aanvraag bouwvergunning tweede fase een uiteenlopend wetsregime van toepassing is, als gevolg waarvan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning eerste fase, noch bij de beoordeling van de aanvraag bouwvergunning tweede fase zouden kunnen worden betrokken.

De wet voorziet op dit punt niet in een regeling, terwijl uit de wet noch de wetsgeschiedenis van de aanpassing per 15 juli 2009 kan worden afgeleid dat een dergelijke leemte beoogd is. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de memorie van toelichting bij deze wetswijziging, Kamerstukken II, 2008/2009, 31750, nr. 3, p.17, juist is aangegeven dat de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening pas kan komen te vervallen wanneer de bestemmingsplannen ten aanzien waarvan stedenbouwkundige voorschriften in de bouwverordening een aanvullende werking kunnen hebben, overeenkomstig de actualiseringsregeling in de Wro en de overgangsregeling in de Invoeringswet Wro zijn vervangen. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat beoogd is tot die tijd, indien nodig, aan die stedenbouwkundige voorschriften te toetsen, ook bij gefaseerde bouwvergunningen. Dit volgt ook uit het feit dat zowel de wet zoals die luidde tot 15 juli 2009, als de wet zoals die nadien heeft geluid, voorzagen in een beoordeling van de stedenbouwkundige voorschriften op enig moment.

Nu aangenomen moet worden dat niet beoogd is een leemte te doen ontstaan, moet worden geoordeeld dat de ontstane leemte een kennelijke omissie van de wetgever is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de stedenbouwkundige voorschriften bij de thans voorliggende beoordeling van de tweede fase te betrekken. Een andersluidend oordeel zou in het onderhavige geval ook onaanvaardbaar zijn, nu eisers hun stedenbouwkundige bezwaren reeds bij de aanvraag eerste fase naar voren hebben gebracht, in welk verband die bezwaren buiten de beoordeling zijn gelaten omdat die pas in het kader van de tweede fase zouden kunnen worden behandeld.

3.4 Ingevolge artikel 2.5.3, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenhuisauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer.

Ingevolge artikel 2.5.3, vierde lid, van de Bouwverordening moeten nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswater-voorzieningen kan worden gelegd.

Ingevolge artikel 2.5.3, vijfde lid, van de Bouwverordening moet bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening zorg worden gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.

Ingevolge artikel 2.5.3, zesde lid, van de Bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste en vierde lid indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.

In artikel 2.5.30 van de Bouwverordening is bepaald:

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,50 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen met dien verstande dat als de parkeerruimte tevens fungeert als toegang tot het gebouw de afmetingen ten minste 3,00 m bij 5,00 meter dienen te bedragen;

b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende

bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Aan het verlenen van een ontheffing kunnen burgemeester en wethouders een financiële voorwaarde verbinden.

Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven.

3.5 Eisers hebben zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het bouwplan op verschillende onderdelen niet voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening van de gemeente Nijmegen. Daarnaast zijn eisers van mening dat het bouwplan niet voldoet aan de voorschriften in het Bouwbesluit 2003. Daarnaast stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 7:15 van de Awb.

3.6 Ten aanzien van de stelling van eisers dat de doorgang tussen de panden [panden] niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.5.3 van de bouwverordening en verweerder naar hun mening daarvoor geen vrijstelling heeft mogen verlenen omdat de doorgang naar hun mening niet geschikt is voor onder andere gebruik door hulpdiensten, overweegt de rechtbank dat uit de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat deze doorgang meer dan 10 meter lang en ruim 2 meter breed is. Verweerder heeft aan de vrijstelling het advies van de brandweer Gelderland-Zuid Nijmegen van 27 oktober 2009 ten grondslag gelegd. In dat advies heeft de brandweer geconcludeerd dat het aanleggen van een (nieuwe) verbindingsweg vanaf de [straat] naar de toegang van het pand niet nodig is. Dit advies is later bij advies van de brandweer van 9 februari 2010 in het kader van de gewijzigde aanvraag opnieuw bevestigd. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd en hetgeen door H.J. Meeuwessen van STE B.V. Fire Protection Consultants & Engineers (hierna: STE) in zijn rapport van 8 oktober 2010 is geconcludeerd geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid vrijstelling heeft mogen verlenen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder aan de verleende bouwvergunning de voorwaarde heeft verbonden dat nu geen sprake is van een toereikende openbare bluswatervoorziening op maximaal 40 meter van de toegang van het gebouw, in een dergelijke blusvoorziening moet worden voorzien. Verweerder heeft in de voorwaarden bij de bouwvergunning bepaald dat aan deze voorwaarde wordt voldaan als een brandkraan wordt bijgeplaatst bij het toegangspad voor het desbetreffende pand. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat in verband met de parkeerproblematiek in de [straat] de locatie voor de deur van de [adres] niet als opstelplaats kan dienen, volgt de rechtbank dit niet omdat zij het niet aannemelijk acht dat de ruimte daartoe te beperkt is.

3.7 De rechtbank stelt vast dat verweerder ontheffingen heeft verleend met toepassing van artikel 1.11, van het Bouwbesluit 2003, voor het niet kunnen voldoen aan de in de artikelen 3.60 tot en met 3.63, 3.133, 3.134, 4.24 en 4.28, gestelde nieuwbouweisen.

3.7.1 Voor zover namens eisers is gesteld dat verweerder in het besluit van 18 juni 2010 geen toepassing heeft kunnen geven aan het bepaalde in artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003 omdat sprake is van het wijzigen van een bouwplan, volgt de rechtbank dat standpunt niet. Immers, in de zaak waarop de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2008, LJN: BD6747 zag, waarnaar eisers hebben verwezen, was bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van een eerder bouwplan, op het moment dat de bouw van het betreffende appartementencomplex nog niet was voltooid. Er was derhalve sprake van een besluit ten aanzien van het wijzigen van een bouwplan, niet van een besluit ten aanzien van het vernieuwen van een bouwwerk. Dit ligt in het onderhavige geval anders nu ook het besluit van 18 juni 2010 ziet op het vernieuwen van de reeds lang bestaande voormalige drukkerij. De stelling dat toepassing van artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003 niet mogelijk zou zijn nu het gaat om een functiewijziging kan evenmin worden gevolgd nu daarvoor geen steun te vinden is in het Bouwbesluit 2003 of de jurisprudentie.

3.7.2 De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder op grond van artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003 bevoegd is ontheffing te verlenen van de nieuwbouweisen tot het niveau van de eisen voor bestaande bouw. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in ieder geval ruimschoots voldoet aan de eisen voor bestaande bouw. Verweerder heeft aan de ontheffing ten grondslag gelegd dat het in dit geval om verbouw gaat, de commissie beeldkwaliteit akkoord is gegaan met de wijziging van het casco en het pand een lastige situering heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ontheffing heeft kunnen verlenen.

3.7.3 Vaststaat vervolgens dat het bouwplan niet voorziet in de op grond van artikel 2.5.30, eerste en derde lid, van de Bouwverordening, gestelde eis van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. Verweerder heeft derhalve een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid van de Bouwverordening.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat verweerder bij de beoordeling van het aantal voor het bouwplan vereiste parkeerplaatsen is uitgegaan van te lage kengetallen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 1 van de ‘Beleidsregels voor toepassing van het parkeerartikel (artikel 2.5.30) van de Nijmeegse Bouwverordening’, volgt dat voor het bepalen van de parkeereis conform het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gebruik wordt gemaakt van de parkeerkencijfers van het CROW. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft overwogen dat sprake is van een zestal zeer kleine appartementen van gemiddeld 40m2, die slechts geschikt zijn voor éénpersoonshuishoudens. De CROW-normen voor kamerverhuur (0,4 parkeerplaats per kamer) noch die voor goedkope woningen (1,3 per woning) zijn van toepassing geacht op de betreffende appartementen. Verweerder is daarom in de besluitvorming uitgegaan van een norm van 0,6 à 0,7 parkeerplaatsen per appartement. Hieruit zou volgen dat de totale parkeerbehoefte voor het gebouw 4,2 parkeerplaatsen bedraagt en een ontheffing nodig is voor 3 parkeerplaatsen.

Zoals door eisers is aangevoerd heeft verweerder op 24 november 2009 nieuwe beleidsregels vastgesteld voor de toepassing van de ontheffingsmogelijkheid op grond van artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Daarbij is onder meer bepaald, in artikel 1, tweede lid en onder a, dat voor studio’s, zijnde zelfstandige wooneenheden kleiner dan 50m2, dezelfde parkeernorm geldt als voor goedkope woningen. Weliswaar waren deze beleidsregels ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking getreden maar de rechtbank stelt vast dat er op dat moment voor studio’s nog geen specifieke beleidsregel bestond. Er is in het bestreden besluit dan ook geen sprake van het toepassen van het destijds geldende beleid, maar van het maken van een individuele afweging, die afdoende moet worden gemotiveerd. De in het bestreden besluit gemaakte afweging wordt gemotiveerd door eisers betwist en verweerder heeft korte tijd later eenzelfde afweging beleidsmatig vastgelegd op de door eisers voorgestane wijze. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd duidelijk te maken waarom in oktober 2009 is bepaald dat voor deze appartementen een norm van 0,7 zou moeten worden gehanteerd, terwijl in november 2009 voor dergelijke appartementen als beleid is vastgesteld dat de norm 1,3 bedraagt. Om die reden acht de rechtbank het besluit onvoldoende gemotiveerd.

3.7.4 In artikel 2.106, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, is bepaald dat de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis niet lager is dan 60 minuten.

Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m².

In artikel 2.118, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, is bepaald dat de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment niet lager is dan de in tabel 2.115 aangegeven grenswaarde.

Het tweede lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een subbrandcompartiment naar een ruimte als bedoeld in het eerste lid, die in dezelfde woonfunctie ligt, niet lager is dan 30 minuten.

Het derde lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien:

a. de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het subbrandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m² (...).

De rechtbank stelt vast dat adviesbureau BB&E in het rapport van 11 maart 2010 een berekening heeft opgesteld waaruit volgt dat de permanente vuurbelasting van het gebouw 423 MJ/m2 bedraagt. STE heeft vervolgens in het rapport van 8 oktober 2010 bestreden dat de permanente vuurbelasting van het gebouw minder dan 500 MJ/m2 bedraagt. In het nadere rapport van 23 oktober 2010 heeft STE een berekening opgesteld waaruit volgt dat de permanente vuurbelasting van het gebouw 531 MJ/m2 bedraagt zodat niet kan worden volstaan met een WBDBO van 30 minuten. Tussen partijen is in geschil welke onderdelen van het gebouw meegerekend dienen te worden in de berekening van het aantal MJ/m2, waarbij, zoals ter zitting is gebleken, van belang is van welke paragraaf van NEN 6090 moet worden uitgegaan. Bij brief van 31 oktober 2010, bij de rechtbank binnengekomen op 1 november 2010 heeft BB&E betoogd dat uitgegaan moet worden van paragraaf 4.1.1 van de NEN 6090, terwijl namens eisers daarop ter zitting is gereageerd door te stellen dat paragraaf 4.2.1 als uitgangspunt moet worden genomen. Nu de rechtbank niet beschikt over de desbetreffende NEN, en vergunninghoudster ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen het eerst ter zitting in het geding brengen daarvan, kan de rechtbank de juistheid van het bestreden besluit op dit onderdeel niet beoordelen zodat het ook op dat punt onvoldoende is onderbouwd.

3.8 Nu het bestreden besluit op onderdelen onvoldoende is gemotiveerd, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.9 In hetgeen overigens door partijen is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.10 Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eisers om vergoeding van de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

3.11 De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 4366. Dit bedrag bestaat uit tweemaal € 874 aan kosten voor verleende rechtsbijstand in de beroepsfase voor beide eisers en € 2618 voor het door STE uitgebrachte rapport, welk bedrag de rechtbank niet onredelijk overkomt. Verweerder heeft bij brief, ingekomen 11 februari 2011, overigens aangegeven geen commentaar te hebben op de door gemachtigde van eisers ingediende nadere urenspecificatie van de nota van STE. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

3.12 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. veroordeelt verweerder in de door eisers [eisers] gemaakte proceskosten ten bedrage van beide € 874, voor verleende rechtsbijstand;

IV. veroordeelt verweerder in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 2618;

V. bepaalt dat verweerder het door eisers [eisers] betaalde griffierecht ten bedrage van beide € 150 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. F.H. de Vries en mr. E. Horsthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 25 februari 2011.