Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP7560

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
Rek 11/290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw. Voorziening inhoudende dat bij loonbeslag met de volledige huur van schuldenaar rekening moet worden gehouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

rekestnummer: Rek 11/290

uitspraakdatum: 14 maart 2011

Voorlopige voorziening artikel 287 lid 4 Faillissementswet

in de zaak van [verzoeker],

wonende te Wageningen,

verzoeker,

nader te noemen [verzoeker].

1. De gang van zaken en het verzoek

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 5 november 2008 is [verzoeker] veroordeeld om de schuld aan Volkswagen Bank GmbH ad € 80.103,77 te betalen.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 april 2009 is [verzoeker] veroordeeld om de schuld bij het LBIO inzake een schuld aan mevrouw [betrokkene] (ex-partner van [verzoeker]) ad € 2.284,30 te betalen.

1.3 Op 2 augustus 2010 heeft [verzoeker] een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank ingediend. Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 24 januari 2011. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 februari 2011 de beslissing over de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling pro forma aangehouden tot 6 juni 2011 in afwachting van nadere informatie van [verzoeker] over de schuld bij de belastingdienst en bij Volkswagen Bank GmbH.

1.4 Bij brief van 9 december 2010 heeft Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders inzake de schuld bij Volkswagen Bank GmbH, de werkgever van [verzoeker] verzocht inlichtingen omtrent het inkomen van [verzoeker] te verstrekken aangezien zij, gelet op het vonnis van de rechtbank Arnhem van 5 november 2008, voornemens zijn loonbeslag te leggen.

1.5 Bij brief van 13 december 2010 heeft het LBIO bij de werkgever van [verzoeker] een kennisgeving ingevolge artikel 479g Rv gedaan c.q. aangegeven dat ze loonbeslag willen leggen.

1.6 Bij exploot van 4 februari 2011 heeft Groenewegen en Partners inzake een schuld bij Fortis Hypotheek Bank N.V. (hierna: Fortis), voorheen genaamd ASR Bank N.V., executoriaal beslag doen leggen op het loon van verzoeker. De vordering van Fortis bedraagt in totaal € 68.907,81.

1.7 Op 21 februari 2011 heeft [verzoeker] de rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Fw. tot opheffing of schorsing van de door Fortis gelegde loonbeslag en een verbod aan Volkswagen Bank GmbH en het LBIO tot het leggen van een dergelijk beslag. Dit verzoek is ter zitting van 7 maart 2011 behandeld. Daarbij is [verzoeker], vergezeld door mevrouw [A] en mevrouw [B] van Zuidweg en Partners Insolventiebemiddeling, verschenen.

1.8 Bij exploot van 22 februari 2011 heeft Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarder inzake de schuld aan Volkswagen Bank GmbH executoriaal beslag doen leggen op het loon van verzoeker. De vordering van Volkswagen Bank GmbH bedraagt thans in totaal

€ 50.842,89.

2. De standpunten van partijen

2.1 [verzoeker] stelt dat hij door de loonbeslagen niet in staat meer zal zijn de lopende verplichtingen te voldoen, hetgeen tot hogere schulden zal leiden. Voorts stelt [verzoeker] dat hij kosten moet maken voor zijn loondienstverband (bijvoorbeeld reiskosten) en dat dat door het beslag in het gedrang komt, hetgeen een goede uitvoering van de arbeidsovereenkomst zal bemoeilijken, met mogelijk een ontslag tot gevolg. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaart dat bij de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet niet volledig rekening is c.q. zal worden gehouden met de hoogte van de door hem te betalen kale huur van circa € 700,-. Ook, zo stelt [verzoeker], wordt geen rekening gehouden met gemeentelijke heffingen en het eigen risico voor ziektekosten. Ten slotte heeft [verzoeker] verklaard dat hij zijn loon (circa € 5.000,- bruto) over de maand januari 2011 volledig heeft ontvangen en in februari 2011 slechts een voorschot.

2.2 Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders heeft, namens Volkswagen Bank GmbH, bij faxbericht van 3 maart 2011 laten weten dat het verzoek van [verzoeker] (opheffing c.q. schorsing van het loonbeslag) dient te worden afgewezen. Allereerst heeft Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders opgemerkt dat het leggen van loonbeslag niet betekent dat [verzoeker] geen bestaansmiddelen meer heeft. De beslagvrije voet garandeert [verzoeker] de nodige bestaansmiddelen. De bewering van [verzoeker] dat door het loonbeslag kosten die hij moet maken voor zijn loondienstverband in het gedrang komen, is volgens jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders in het geheel niet onderbouwd en gaat bovendien uit van een veronderstelling. Volgens Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders valt de vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte reiskosten buiten het beslag. Ten slotte heeft Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders gesteld dat voor hen onduidelijk is of en wanneer er een beslissing zal worden genomen over de toelating tot de schuldsaneringsregeling. In een dergelijke onzekere situatie mag niet aan Volkswagen Bank GmbH de mogelijkheid worden ontzegd om beslag te mogen leggen, te meer niet nu Volkswagen Bank GmbH over een executoriale titel beschikt en volgens de wet gerechtigd is beslag te mogen leggen.

2.3 Van Fortis en het LIBO is geen standpunten bekend.

3. De beoordeling

3.1 Allereerst geldt de eis dat sprake is van een spoedeisend belang. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stelling van [verzoeker] dat hij door het loonbeslag, waarbij de beslagvrije voet volgens hem niet juist is berekend, niet in staat zal zijn de vaste lasten volledig te betalen waardoor er nieuwe schulden zullen ontstaan. De zaak is geschikt om in kort geding te beslissen.

3.2 In dit geval is sprake van een verzoek tot opheffing of schorsing van twee door Fortis en Volkswagen Bank GmbH gelegde loonbeslagen en een verbod aan LBIO tot het leggen van een dergelijk beslag.

3.3 De rechtbank stelt voorop dat het schuldeisers vrij staat hun vordering op alle goederen van de schuldenaar te verhalen (art. 3:276 BW). Dit geldt ook indien die schuldenaar een Wsnp-verzoek heeft ingediend.

3.4 Een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 kan worden uitgesproken ter overbrugging van de periode tussen de indiening van en de beslissing op het verzoekschrift, indien er een noodvoorziening nodig is. Ten aanzien van het vorderen van voorlopige voorzieningen zijn verder geen beperkingen gesteld. Het staat de rechter vrij die maatregelen te treffen die hij geraden acht en voor de duur die hij geraden acht (MvA Kamerstukken I 2006/07, 29 942, C).

3.5 De vraag is nu of ter zake deze beslagleggingen en dreiging daarvan sprake is van een noodsituatie. Er kan dan aanleiding een beslag geheel of gedeeltelijk te schorsen, zij het dat toewijzing van het Wsnp-verzoek dan wel waarschijnlijk moet zijn, althans afwijzing niet waarschijnlijk. Uit het tussenvonnis van de rechtbank van 8 februari 2011 blijkt dat er nog een aantal vragen is over de aard en omvang van de schuldenlast. Hoewel de belastingschuld mogelijk aanzienlijk lager zal zijn doordat - zoals ter zitting is gesteld - een aantal aanslagen op nihil gesteld zal worden, is het gelet op de complexe voorgeschiedenis en de hoge schuldenlast niet goed mogelijk daarover een uitspraak te doen.

3.6 Voor wat betreft de vraag of sprake is van een noodsituatie heeft [verzoeker] gesteld dat hij door het loonbeslag niet in staat meer zal zijn de lopende verplichtingen te voldoen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij kosten moet maken voor zijn loondienstverband (bijvoorbeeld reiskosten) en dat dat hierdoor in het gedrang komt, met mogelijk een ontslag tot gevolg. Ter zitting heeft hij er meer concreet op gewezen dat bij de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet niet volledig rekening zal worden gehouden met de hoogte van de door hem te betalen huur ad ongeveer € 700,-. Ook, zo stelt [verzoeker], wordt geen rekening gehouden met gemeentelijke heffingen en het eigen risico voor ziektekosten.

3.7 Voor wat betreft de door [verzoeker] ontvangen onkosten/reiskostenvergoeding heeft de door Volkswagen Bank GmbH ingeschakelde deurwaarder Jongejan Wisseborn in zijn fax bericht van 3 maart 2011 bericht dat als de werkgever van [verzoeker] een onkostenvergoeding geeft waar daadwerkelijke kosten tegenover staan deze vergoeding buiten het beslag valt. [verzoeker] heeft dat niet weersproken zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

3.8 Voor wat betreft de woonkosten (en het betalen van overige lopende lasten) wordt het volgende overwogen. Artikel 475b e.v. Rv schrijft bij beslag op periodieke betaling (onder meer loon) een beslag vrije voet voor. De gedachte achter deze beslagvrije voet is dat voorkomen moet worden dat een schuldenaar/debiteur wegens beslag op zijn inkomen een beroep op de bijstand zou moeten doen. Met de beslagvrije voet blijft de schuldenaar/debiteur in staat om de lopende kosten van het bestaan te betalen. De hoogte van de beslagvrije voet wordt berekend aan de hand van artikel 475d Rv. Uitgangspunt bij de berekening daarvan is — kort gezegd — 90% van de voor de schuldenaar geldende bijstandsnorm. Op grond van lid 5 onder b van genoemd wetsartikel wordt de beslagvrije voet onder meer verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten, verminderd met de ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten na deze vermindering meer bedragen dan — kort gezegd — de normhuur. Hierbij geldt echter dat aan die verhoging een maximum is gesteld van de maximale huurtoeslag. Die maximale huurtoeslag is thans circa € 546,09. Aangenomen moet worden dat de huur van [verzoeker] ongeveer € 700,- en dus substantieel hoger is. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [verzoeker] bij het berekenen van de beslagvrije voet op de hiervoor vermelde wijze in financiële problemen zal komen.

De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding een voorlopige voorziening te geven inhoudende dat bij de berekening van de beslagvrije voet rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijk door [verzoeker] betaalde (kale) huur. Deze voorziening wordt niet met terugwerkende kracht gegeven omdat aangenomen moet worden dat de in februari 2011 berekende beslag vrije voet overeenkomstig de daarvoor geldende regels plaats heeft gevonden. Bij het geven van deze voorziening is betrokken dat weliswaar niet is te voorspellen of het wsnp-verzoek zal worden toegewezen, maar er ook geen heel sterke contra-indicaties bestaan terwijl de voorziening de beslagleggende schuldeisers maar in beperkte mate in hun rechten beperkt. Bovendien wordt de voorziening gegeven totdat de rechtbank op het wsnp-verzoek beslist.

3.9 [verzoeker] heeft er ook op gewezen dat geen rekening wordt of zal worden gehouden met het eigen risico voor ziektekosten en de gemeentelijke belastingen. Bij de berekening van de beslag vrije voet wordt hiermee inderdaad geen rekening gehouden. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding (aanvullende) voorzieningen te geven. [verzoeker] heeft immers niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat hij dat eigen risico moet betalen. Met betrekking tot de gemeentelijke belastingen is niet aangegeven om welke belastingen dit gaat, hoe hoog deze zijn en dat kwijtschelding bij beslaglegging niet mogelijk is, zodat niet voldoende duidelijk is dat in dit opzicht voornoemde noodsituatie aan de orde is.

3.10 De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.11 Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nog bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1 bepaalt dat de schuldeisers Fortis Hypotheek Bank N.V., Volkswagen Bank GmbH en het LBIO bij de bepaling van de beslagvrije voet rekening dienen te houden met de daadwerkelijk door verzoeker betaalde maandelijkse (kale) huursom;

4.2 bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de rechtbank op het WSNP verzoek heeft beslist;

4.3 wijst het meer of anders gevorderde af;

4.4 verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Engberts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 14 maart 2011.

Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.