Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6934

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
05/900732-10 en 05/703238-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op de Kruidvat in Nijmegen. Verdachte is veroordeeld voor een een overval op de Kruidvat, waarbij hij de aanwezige verkoopsters heeft bedreigd met een mes. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Volgens deskundigen zou verdachte - gezien zijn meervoudige psychische problematiek - moeten worden behandeld in een kliniek. Gezien de geringe behandelmotivatie van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om een traject, dat leidt tot plaatsing in een kliniek, in te zetten. Aan die proeftijd wordt wel de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat verdachte zich op poliklinische basis zal moeten laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Promis II

Parketnummers : 05/900732-10, 05/703238-10

Datum zitting : 22 februari 2011

Datum uitspraak : 8 maart 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

raadsvrouw : mr. E.C.P.M Kok, advocaat te Nijmegen.

officier van justitie : mr. C.Y. Huang.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 05/900732-10 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 februari 2010 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente

Nijmegen, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld R.J.A.

[slachtoffer1] en/of A. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag

(totaal ongeveer 215,30 euro), in elk geval van enig goed/geldbedrag, geheel

of ten dele toebehorende aan Kruidvat (Leuvensbroek 1006) en/of R.J.A.

[slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte gewapend

met een mes een winkel (leuvensbroek 1006) van Kruidvat is binnen gegaan en/of

dit mes heeft getoond aan en/of dit mes op dreigende wijze heeft voorgehouden

aan personeelsleden van die winkel te weten R.J.A. [slachtoffer1] en/of A.

[slachtoffer2] en/of die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] (daarbij) meerdere malen, althans

eenmaal de woorden heeft toegevoegd "geef geld, geef me alles, snel" en/of

"geld, een beetje vlug" en/of "Leegmaken, leegmaken" althans woorden van

gelijke aard en/of strekking ((en/of (vervolgens/daarbij) die [slachtoffer1] en/of

[slachtoffer2] een geopende plastic tas/zak heeft voorgehouden)).

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 05/703238-10 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 oktober 2010 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente

Nijmegen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen

in winkelcentrum Molenpoort Passage, te weten passage Molenpoort 28, zijnde

Supercoop en in gebruik bij J.P. [slachtoffer3] en/of Supercoop en/of de eigenaar van

Supercoop, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 februari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.C.P.M Kok, advocaat te Nijmegen. Zij hebben het woord ter verdediging gevoerd.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. C.Y. Huang.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd A. [slachtoffer2] (ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05/900732-10).

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij, na het consulteren van zijn raadsvrouw op 19 september 2010, verhoord zou worden ter zake de verdenking van fietsendiefstal. Tijdens dit verhoor zou -zonder voorafgaande kennisgeving- verdachte eveneens bevraagd zijn over het onderhavige, veel ernstiger, feit. Aldus is verdachte voor wat betreft de verdenking van de overval niet in de gelegenheid geweest voorafgaand aan het verhoor zijn raadsvrouw te consulteren. Naar het standpunt van de verdediging brengt dit met zich mee dat verdachte onherstelbaar in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank dient hieraan de consequentie te verbinden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte tijdens het verhoor op 19 september 2010, dat de strekking had van een sociaal verhoor, niet bevraagd is ten aanzien van het onderhavige feit. Verdachte zou hierover pas gehoord zijn na het consulteren van zijn raadsvrouw op 20 september 2010.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte is op 18 september 2010 aangehouden ter zake fietsendiefstal. Zijn raadsvrouw is diezelfde dag hiervan in kennis gesteld. Op 19 september 2010 is verdachte verhoord. Hij heeft tijdens dat verhoor enkel een sociale verklaring afgelegd. Er is tijdens dit verhoor niet gesproken over het onderhavige feit. Op 20 september 2010 is verdachte buiten heterdaad aangehouden ter zake het onderhavige feit. Voorafgaand aan het verhoor over van dit feit heeft verdachte overleg gevoerd met zijn raadsvrouw. Gelet op deze omstandigheden is geen sprake van schending van het recht van verdachte om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een raadsman te raadplegen, dat volgens de ‘Salduz’ jurisprudentie volgt uit artikel 6 van het EVRM. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is -nog daargelaten dat schending van dit vormverzuim in het vooronderzoek in beginsel bewijsuitsluiting oplevert- dan ook geen sprake.

3. De beslissing inzake het bewijs

De zaak met parketnummer 05/900732-10

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 februari 2010 waren [slachtoffer1] en [slachtoffer2] werkzaam bij het Kruidvat aan de Leuvensbroek 1006 te Nijmegen Verdachte is toen met een mes de winkel binnen gegaan en hij heeft het mes getoond en op een dreigende wijze voorgehouden aan [slachtoffer1] en [slachtoffer2]. Verdachte heeft daarbij gezegd ‘geef geld, geef me alles, snel’ en ‘geld, een beetje vlug’ en ‘leegmaken, leegmaken’. Verdachte heeft daarbij aan die [slachtoffer1] en [slachtoffer2] een geopende plastic tas voorgehouden. [slachtoffer1] en [slachtoffer2] voelden zich bedreigd en waren bang. [slachtoffer1] heeft het aanwezige geld uit de kassalade in de haar door verdachte voorgehouden plastic tas gedaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen onder verwijzing naar de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van verdachte, afgelegd op 19 en 20 september 2010 ten overstaan van de politie, uitgesloten dienen te worden van het bewijs nu verdachte voorafgaand aan die verhoren geen gebruik heeft kunnen maken van zijn consultatierecht. Nu uitsluitend op grond van die verklaringen vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die op 18 februari 2010 de overval heeft gepleegd op het Kruidvat dient verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Subsidiair heeft verdachte betoogd dat de buit van de overval minder is geweest dan de aan hem tenlastegelegde bedrag van € 215,30, namelijk € 170,00.

Beoordeling van de standpunten

Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte tijdig en op juiste wijze gebruik kunnen maken van zijn consultatierecht. De verklaring van verdachte zal dan ook voor bewijs worden gebruikt. Nu verdachte conform de aangifte van [slachtoffer1] en getuige [slachtoffer2] bekend heeft hen onder bedreiging met een mes te hebben gedwongen het geld uit de kassalade af te geven, acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Met de verdediging is de rechtbank evenwel van oordeel dat bij dat niet een bedrag van € 215,30, maar een bedrag van € 170,- is weggenomen door verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij het geldbedrag heeft nageteld en hij kan exact aangeven hoeveel en welke coupures het betrof. De rechtbank heeft geen reden om aan zijn verklaring hieromtrent te twijfelen. Dat bij controle van de kas een kasverschil van € 215,30 was geconstateerd doet hieraan niet af. Immers, niet valt uit te sluiten dat het resterend bedrag aan kasverschil op andere wijze dan door verdachtes handelen is ontstaan.

De zaak met parketnummer 05/703238-10

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 5 april 2010 is verdachte de toegang tot Winkelcentrum Molenpoort Passage ontzegd voor de duur van 1 jaar. Deze ontzegging is op diezelfde datum aan verdachte uitgereikt. Verdachte heeft de ontzegging ondertekend . Verdachte bevond zich op 10 oktober 2010 te Nijmegen in supermarkt Supercoop, een besloten lokaal gelegen in winkelcentrum Molenpoort Passage.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe betoogd dat om tot een bewezenverklaring te komen van lokaalvredebreuk een vordering van de rechthebbende zich te verwijderen vereist is. Op grond van de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat een dergelijke aanzegging is gedaan.

Beoordeling van de standpunten

Vast staat dat verdachte ondanks de aan hem op 5 april 2010 uitgereikte ontzegging van 1 jaar, toch op 10 oktober 2010 is binnen gegaan bij de Supercoop gelegen

in winkelcentrum Molenpoort Passage te Nijmegen. De wederrechtelijkheid van het binnendringen is met dit opgelegde verbod gegeven. Deze omstandigheden maken dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat verdachte niet gevraagd is de winkel te verlaten -door sommatie of anderszins- , doet hieraan niet af, nu voor een dergelijke eis geen wettelijke grondslag bestaat.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de zaken met parketnummers 05/9007321-10 en 05/703238-10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05/900732-10:

hij op 18 februari 2010 te Nijmegen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld R.J.A.[slachtoffer1] en A. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan Kruidvat (Leuvensbroek 1006) welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte gewapend met een mes een winkel (Leuvensbroek 1006) van Kruidvat is binnen gegaan en dit mes heeft getoond en dit mes op dreigende wijze heeft voorgehouden aan personeelsleden van die winkel te weten R.J.A. [slachtoffer1] en A. [slachtoffer2] en die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] daarbij heeft toegevoegd "geef geld, geef me alles, snel" en "geld, een beetje vlug" en "Leegmaken, leegmaken" en vervolgens/daarbij) die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] een geopende plastic tas/zak heeft voorgehouden.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05/703238-10:

hij op 10 oktober 2010 te Nijmegen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen in winkelcentrum Molenpoort Passage, te weten passage Molenpoort 28, zijnde Supercoop en in gebruik bij de eigenaar van Supercoop.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05/900732-10:

Afpersing.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05/703238-10:

In het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos/Tender of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist en meer rekening te houden met de voorliggende Pro Justitia- en Reclasseringsrapportage. Daarin wordt onder meer geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 januari 2011 en een pro justitia rapportage opgemaakt door drs. Van Kempen (psycholoog), d.d. 27 januari 2011 en voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland, betreffende verdachte, respectievelijk gedateerd 23 september 2010 en 9 december 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een winkel. Verdachte heeft de medewerkers van die winkel - onder bedreiging van een mes - geld afhandig gemaakt. Verdachte had daarbij kennelijk niets anders voor ogen dan geldelijk gewin ten koste van anderen. Voor de slachtoffers moet deze gebeurtenis traumatisch zijn geweest, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de betrokken verkoopsters. Voor de samenleving in het algemeen geldt dat dergelijke misdrijven, naast de financiële schade voor de ondernemer, ook gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Daarnaast heeft verdachte zich opgehouden in Winkelcentrum Molenpoort te Nijmegen terwijl hij een ontzegging voor dat winkelcentrum had in verband met diefstal. Dit zijn respectievelijk ernstige en hinderlijke feiten. De rechtbank acht daarom, net zoals de officier van justitie, een gevangenisstraf passend en geboden.

Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de straf die doorgaans in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, te weten 24 maanden gevangenisstraf. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de welhaast nonchalante wijze waarop verdachte het feit heeft gepleegd.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het rapport van de psycholoog waaraan kan worden ontleend dat verdachte ten tijde van het delict als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Op die grond zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Net zoals de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank aan dit voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarde koppelen dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering. De meervoudige problematiek van verdachte rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een dergelijk toezicht. Hoewel de rapporteurs voornoemd een klinische behandeling geïndiceerd achten ziet de rechtbank – gezien het gebrek aan motivatie bij verdachte – geen aanleiding om een (tijdrovend) indicatiestellingtraject voor verdachte in te zetten, één en ander zoals ter terechtzitting uitgebreid besproken.

Gezien al het voorgaande zal de rechtbank een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie. Deze straf doet naar het standpunt recht aan alle feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan maar ook recht aan de persoon van verdachte. Voor verdere mindering van de straf op laatstgenoemde grond, zoals door de verdediging is verzocht, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen plaats.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring

De benadeelde partij A. [slachtoffer2] heeft in de zaak met parketnummer 05/900732-10 overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij voornoemt vordert een bedrag van € 715,30. Daarvan betreft € 500 immateriële schade.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat de benadeelde door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 300 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag bij wijze van voorschot zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voor zover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade en van andere schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank zal een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.

De vordering van de benadeelde partij wordt voor wat betreft de materiële schade (het geld uit de kassa) afgewezen nu dit geen schade is die door A. [slachtoffer2] is geleden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 138, en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het/de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 8 (acht) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of de navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven;

- ook indien dit zal inhouden een meldingsgebod;

- ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos en/of Tender of een andere vergelijkbare instelling voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht;

- ook indien dit zal inhouden het meewerken aan een plaatsing in een begeleide woonvorm.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A. [slachtoffer2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan A. [slachtoffer2], wonende te [adres], te betalen € 300 (zegge driehonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze betreft de niet toegewezen immateriële schade.

- Wijst de vordering van de benadeelde voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding ad € 300, subsidiair 6 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het A. [slachtoffer2], wonende te [adres], te betalen € 300 (zegge driehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter als voorzitter,

mr. M.F. Gielissen, rechter,

mr. J.J.H. van Laethem, rechter

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2011.