Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6606

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/2734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formeel recht, artikel 6:5 en 6:6 van de Awb. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard in verband met het volledig ontbreken van een motivering. Onduidelijk is op welk punt eiser van mening verschilt met verweerder, aangezien de aanslag is opgelegd conform de aangifte. De zin "Ik heb op dit moment geen inkomen" ziet op het verzoek om uitstel van betaling en kan in dit geval niet worden aangemerkt als motivering van het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/2734

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 maart 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [000].H.76) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.552. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 113 en een bedrag van € 153 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2010 eisers bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een motivering van het bezwaar.

Eiser heeft daartegen bij brief van 21 juli 2010, ontvangen door de rechtbank op 23 juli 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011 te Arnhem.

Namens verweerder is daar verschenen mr. [gemachtigde]. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op

21 december 2010 aan eiser op het adres [A-straat 1] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De enveloppe waarin die brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de – kennelijk door medewerkers van TNT Post – geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt de rechtbank af dat de enveloppe niet is afgehaald op postkantoor en dat TNT Post de enveloppe heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier.

Blijkens de van de gemeente ontvangen schriftelijke inlichtingen, gedagtekend 17 januari 2011, staat eiser sinds 11 januari 1995 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op genoemd adres. Vervolgens heeft de griffier de brief per gewone post op 17 januari 2011 verzonden aan eiser op dat adres. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

Eiser is in 2007 tezamen met zijn echtgenote in de vorm van een maatschap gestart met activiteiten op het gebied van het uitgeven en produceren van populaire muziek onder de naam [A].

Op 29 november 2007 heeft controleambtenaar [B] namens verweerder een zogenoemd startersbezoek afgelegd bij [A].

Op 30 maart 2010 heeft eiser zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.552. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:

Loon [C] B.V. € 6.195

Loon UWV € 21.089

Inkomsten uit eigen woning € 7.530 -/-

Persoonsgebonden aftrek € 202 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 19.552

In de aangifte zijn de resultaten van [A] niet in aanmerking genomen.

Met dagtekening 7 mei 2010 heeft verweerder overeenkomstig de aangifte de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.552. Hierbij is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van

€ 113 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. Tevens is een bedrag van € 153 aan heffingsrente in rekening gebracht. Het totaalbedrag van de aanslag is € 1.535.

Bij brief van 8 mei 2010, ontvangen door verweerder op 10 mei 2010, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In deze brief schrijft eiser het volgende:

“Hierbij teken ik bezwaar aan tegen de onderstaande aanslag en verzoek ik om uitstel van betaling. Ik heb op dit moment geen inkomen.”

Bij brieven van 1 juni 2010 en 28 juni 2010 heeft verweerder eiser verzocht om het bezwaar te motiveren. In laatstgenoemde brief heeft verweerder eiser erop gewezen dat hij van plan is om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren indien eiser niet binnen de gestelde termijn gehoor geeft aan zijn verzoek.

Eiser heeft niet op de brieven van verweerder gereageerd.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een motivering van het bezwaar.

3. Geschil

In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb geen eisen stelt aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van enige motivering van het bezwaar of een begin daarvan van de zijde van eiser. Verweerder is er kennelijk en terecht vanuit gegaan dat de laatste volzin van het bezwaarschrift, luidend ‘Ik heb op dit moment geen inkomen’, ziet op eisers verzoek om uitstel van betaling en niet op de aanslag en de daarbij vastgestelde beschikkingen. Zonder verdere toelichting, die hier ontbreekt, kan aan de hand van het bezwaarschrift niet worden opgemaakt waarom eiser het niet eens is met de aanslag en de beschikkingen. Onduidelijk is op welk punt eiser met verweerder van mening verschilt, temeer nu de aanslag conform eisers aangifte is opgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bezwaarschrift geen grond bevat voor het maken van bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een motivering van het bezwaar. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 maart 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.