Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6236

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
05/901162-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering. Vrijspraak. Geen wederrechtelijke toe-eigening, immers geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/901162-07

Data zittingen : 15 juni 2010, 11 augustus 2010, 16 februari 2011

Datum uitspraak : 2 maart 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. T. Kemper, advocaat te Oss.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2002 tot en met 29 juni 2007 te Nijmegen en/of Arnhem, in elk geval in

Nederland, opzettelijk een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) geld (tot een beloop van

532.565,00 Euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan J.D. [slachtoffer1] en/of J.A. [slachtoffer2] en/of G. [slachtoffer3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld hij anders dan door een

misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 16 februari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Als uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd raadsman is mr. T. Kemper, advocaat te Oss, verschenen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd en zijn ter terechtzitting verschenen:

• J.D. [slachtoffer1];

• J.A. [slachtoffer2].

De officier van justitie heeft gevorderd dat het openbaar ministerie wegens verjaring van het recht tot strafvordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard wordt.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde ten aanzien van de periode waarvoor het openbaar ministerie wel ontvankelijk is, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen J.D. [slachtoffer1] en J.A. [slachtoffer2] ten aanzien van de tenlastegelegde periode waarvoor geldt dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is en heeft gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Voor het overige heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van mening dat het openbaar ministerie voor een deel van de tenlastegelegde periode niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Op grond van artikel 321 Wetboek van Strafrecht wordt een dader als schuldig aan verduistering gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Op grond van artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging.

In onderhavige zaak is de betekening van de dagvaarding aan verdachte de eerste formele daad van vervolging uitgaande van het openbaar ministerie geweest. De betekening heeft op 21 mei 2010 plaatsgevonden. Dit betekent dat vanaf die datum de verjaring van het recht tot strafvervolging van het tenlastegelegde feit is gestuit. Het recht op strafvervolging is verjaard voor wat betreft de periode die, teruggerekend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug; derhalve de periode vóór 21 mei 2004.

De rechtbank zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het tenlastegelegde feit voor wat betreft de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 mei 2004.

3. De beslissing inzake het bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastelegde wettig en overtuigend bewezen voor zover het gaat om de periode dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is. De officier van justitie wijst hierbij op de verklaringen van J.D. [slachtoffer1], J.A. [slachtoffer2] en E.A. [slachtoffer3]. Bovendien wijst de officier van justitie op de bankafschriften in het dossier.

De officier van justitie is van mening dat het vast staat dat verdachte geld ontvangen heeft van aangevers.Volgens de officier van justitie had de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich. Oplichting door E.A. [slachtoffer3] en/of verdachte is immers niet vast te stellen.

Bewezen kan voorts worden dat verdachte zich het geld vervolgens wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het is volgens de officier van justitie een feit van algemene bekendheid dat grote sommen geld nooit zomaar worden weggegeven. En verdachte heeft over het gekregen geld als heer en meester beschikt. Hij heeft het beheerd en gespendeerd.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Verdachte heeft zich de gelden van [slachtoffer2] en [slachtoffer1] niet wederrechtelijk toegeëigend. Hij heeft [slachtoffer2] en [slachtoffer1] nooit om geld gevraagd en hij heeft eventueel ontvangen gelden altijd terugbetaald. Voor zover blijkt dat dit niet het geval is, staat vast dat [slachtoffer2] en [slachtoffer1] verdachte nooit hebben gevraagd hen de gelden terug te betalen.

De raadsman van verdachte wijst er voorts op dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van de verduistering komen, de hoogte van het bedrag niet voldoende duidelijk blijkt uit het dossier.

Beoordeling

Uit de kopieën van de bankafschriften in het dossier en de verklaringen van aangevers [slachtoffer2], [slachtoffer1] en boekhouder [naam] kan worden opgemaakt dat verdachte telkens geldbedragen onder zich gekregen heeft. Deze bedragen zijn verstrekt (al dan niet via verdachtes moeder) door [slachtoffer2] en [slachtoffer1]. In totaal heeft verdachte in de periode vanaf

21 mei 2004 een zeer aanzienlijk geldbedrag tot zijn beschikking gekregen.

Dat verdachte deze gelden anders dan door een misdrijf onder zich had, kan worden opgemaakt uit de diverse verklaringen in het dossier. Zowel door aangevers als door de moeder van verdachte wordt verklaard dat er (telkens) sprake was van een lening. Daarmee is vast komen te staan dat verdachte het geld rechtmatig onder zich had.

Uit het dossier is gebleken dat er geen afspraken met verdachte zijn gemaakt over de geleende bedragen. Er is door de aangevers geen rente afgesproken en er is ook geen datum afgesproken waarop de bedragen of het totaalbedrag terugbetaald moesten worden.

Verdachte heeft het geld uitgegeven en daarmee als heer en meester over dat geld beschikt. Het enkele feit dat verdachte als heer en meester beschikt heeft over geleende gelden is echter onvoldoende om te spreken van wederrechtelijke toe-eigening als bedoeld in artikel 321 Wetboek van Strafrecht. In het algemeen wordt geld immers geleend om te worden uitgegeven, en er dus als heer en meester over te beschikken.

De rechtbank merkt op dat in onderhavige zaak eerder sprake lijkt te zijn van een civielrechtelijke aangelegenheid tussen aangevers en verdachte omtrent de terugbetaling van de lening.

De rechtbank acht het tenlastegelegde dus niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

4. De beoordeling van de civiele vorde¬ringen, alsmede de gevor¬derde op¬legging van de schadevergoedings¬maat¬regel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ringen, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij J.D. [slachtoffer1] vordert een bedrag van €200.000.

Benadeelde partij J.A. [slachtoffer2] vordert een bedrag van €388.943,95.

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen, J.D. [slachtoffer1] en J.A. [slachtoffer2], niet-ontvankelijk in hun vorderingen nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het tenlastegelegde feit wat betreft de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 mei 2004.

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.D. [slachtoffer1].

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.A. [slachtoffer2].

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. H.P.M. Kester-Bik, rechter, als voorzitter,

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechter,

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.E. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2011.